- Arrest van 1 maart 2012

01/03/2012 - 30/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 46bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, zoals ingevoegd bij artikel 30 van de programmawet van 30 december 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 27 mei 2011 in zake de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie tegen Mustapha Kars, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juni 2011, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 46bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, doordat het het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de burgerlijke rechtsvordering met betrekking tot de gelijkstelling van een periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid door de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie bepaalt op ' het einde van het vakantiedienstjaar waarop [het] vakantiegeld betrekking heeft ', de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het arbeiders die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval en die zich in verschillende situaties bevinden die worden gekenmerkt door de omstandigheid dat, hoewel zij getroffen zijn door een tijdelijke algehele ongeschiktheid waardoor zij aanspraak kunnen maken op de gelijkstelling ervan ten aanzien van hun rechten op de daarop betrekking hebbende vakantiegelden, bij de enen die periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid onmiddellijk door de wetsverzekeraar wordt erkend, terwijl de anderen gedwongen zijn de gerechtelijke erkenning ervan te verkrijgen, zonder redelijke verantwoording op dezelfde wijze behandelt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 46bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, zoals ingevoegd bij artikel 30 van de programmawet van 30 december 2001, in de redactie zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt :

« De vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld van een arbeider of een leerling-arbeider verjaart na vijf jaar, vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft.

De vordering met het oog op de terugvordering van het vakantiegeld of van het gedeelte van het bedrag ervan dat ten onrechte aan een arbeider of leerling-arbeider toegekend werd, verjaart na vijf jaar vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft.

Er mag niet afgezien worden van het voordeel van de in de vorige leden bedoelde verjaringen. Een aangetekende brief volstaat om een bij dit artikel bepaalde verjaring te stuiten. De stuiting kan hernieuwd worden. Een stuiting die jegens de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of een bijzonder vakantiefonds verricht wordt geldt voor alle vakantiefondsen ».

Uit de prejudiciële vraag en de feiten in het bodemgeschil blijkt dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de problematiek van het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de burgerlijke rechtsvordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld en de gelijkstelling van een periode van algehele ongeschiktheid en dus op het eerste en het derde lid van voormeld artikel 46bis.

B.1.2. Om de aanneembare gelijkgestelde periodes te definiëren, bepaalt artikel 18, eerste lid, 1°, a), van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, genomen ter uitvoering van artikel 10 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 :

« 1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte die aanleiding geven tot schadeloosstelling :

a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid ».

Opdat tot gelijkstelling kan worden overgegaan, is dus vereist dat het gaat om een periode « die aanleiding [geeft] tot schadeloosstelling », dat wil zeggen, in de zin van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, om een periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid waarvan het oorzakelijk verband met het arbeidsongeval is aangetoond.

B.1.3. Artikel 19, § 1, eerste lid, a), van hetzelfde koninklijk besluit, in de redactie zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt :

« Om gelijkstelling te bekomen moet de arbeider aan de volgende voorwaarden voldoen :

a) verbonden zijn door een arbeids- of leerovereenkomst op de werkdag die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaat ».

B.2. Aan het Hof wordt gevraagd of het voormelde artikel 46bis de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het arbeiders die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval en die zich in verschillende situaties bevinden op dezelfde wijze behandelt. De verwijzende rechter stelt vast dat voor het slachtoffer van een arbeidsongeval dat een tijdelijke algehele ongeschiktheid heeft veroorzaakt waarvan de duur door de wetsverzekeraar niet wordt betwist, het aanvangspunt van de verjaringstermijn hetzelfde is als voor het slachtoffer van een arbeidsongeval dat een tijdelijke algehele ongeschiktheid heeft veroorzaakt waarvan de duur door de wetsverzekeraar wordt betwist. In beide gevallen loopt de termijn vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop het vakantiegeld betrekking heeft.

B.3. Met de in het geding zijnde bepaling wilde de wetgever de verjaringstermijnen in de wetgeving inzake de jaarlijkse vakantie van de werknemers afstemmen op die welke gelden voor de werkgeversbijdragen in die aangelegenheid (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1503/018, p. 8). Immers :

« Sinds de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid de bijdragen voor jaarlijkse vakantie gedurende vijf jaar opeisen bij de werkgevers. Het is dus nodig dat de werknemers overeenkomstige rechten kunnen eisen waarbij dezelfde verjaringstermijn wordt toegepast » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1503/001, p. 17).

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling maakt geen onderscheid, wat het aanvangspunt van de verjaringstermijn betreft, tussen de twee categorieën van arbeiders die in de prejudiciële vraag worden beoogd. Voor beide categorieën geldt dat hun vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld verjaart na vijf jaar « vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft », ongeacht het feit of er al dan niet een betwisting in rechte bestaat tussen het slachtoffer van een arbeidsongeval en de wetsverzekeraar omtrent de duur van de arbeidsongeschiktheid.

B.4.2. Het vakantiegeld van de arbeider wordt berekend op basis van de dagen die hij daadwerkelijk heeft gepresteerd of op basis van de door de wet daarmee gelijkgestelde dagen.

Vanaf het ogenblik dat een betwisting inzake de duur van de arbeidsongeschiktheid ontstaat, weet het slachtoffer van een arbeidsongeval dat het aantal gelijkgestelde werkdagen die voor de berekening van het vakantiegeld in aanmerking komen, mogelijk kunnen worden gewijzigd. In geval van zulk een betwisting wordt de verjaring van de vordering in rechte inzake de betaling van het vakantiegeld dat op de periode van arbeidsongeschiktheid betrekking heeft, niet geschorst.

Het laatste lid van de in het geding zijnde bepaling voorziet evenwel erin dat een aangetekende brief volstaat om de verjaring van de vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld te stuiten. Het bepaalt tevens dat die stuiting kan worden hernieuwd. Het betrokken slachtoffer van een arbeidsongeval wordt aldus een eenvoudig actiemiddel ter beschikking gesteld om de verjaring van de vordering inzake vakantiegeld te stuiten.

Hij kan zijn vordering inzake betaling van het vakantiegeld instellen « vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft » om zijn rechten te vrijwaren en zulks in afwachting van de rechterlijke uitspraak over de betwisting inzake de duur van de arbeidsongeschiktheid, inzonderheid wat het aantal gelijkgestelde dagen betreft. Wanneer hij evenwel nalaat van die mogelijkheid gebruik te maken, kan in voorkomend geval zijn vordering inzake betaling van het vakantiegeld zijn verjaard.

B.4.3. De personen van wie de duur van de arbeidsongeschiktheid in rechte wordt betwist, bevinden zich niet in een situatie die essentieel verschillend is van die van elke aanvrager die de betaling van het vakantiegeld vordert en die, binnen de wettelijke termijn, in rechte dient te treden tegen de overheid met het oog op de erkenning van zijn rechten.

B.4.4. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het aanvangspunt van de verjaringstermijn waarin die bepaling voorziet, hetzelfde is voor het slachtoffer van een arbeidsongeval, ongeacht het feit of er al dan niet een betwisting in rechte bestaat tussen het slachtoffer van een arbeidsongeval en de wetsverzekeraar omtrent de duur van de arbeidsongeschiktheid.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

Het Hof

zegt voor recht :

Artikel 46bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, zoals ingevoegd bij artikel 30 van de programmawet van 30 december 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 46bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, zoals ingevoegd bij artikel 30 van de programmawet van 30 december 2001, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Vakantiegeld

  • Werknemers

  • Ten onrechte uitbetaald vakantiegeld

  • Terugvordering

  • Verjaringstermijn

  • Aanvangspunt

  • Slachtoffer van een arbeidsongeval dat een tijdelijke algehele ongeschiktheid heeft veroorzaakt

  • 1. Betwisting in rechte tussen het slachtoffer en de wetsverzekeraar omtrent de duur van de arbeidsongeschiktheid

  • 2. Geen betwisting omtrent de duur van de arbeidsongeschiktheid.