- Arrest van 1 maart 2012

01/03/2012 - 32/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt en de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 november 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 november 2011, heeft Gerolf Annemans, wonende te 2050 Antwerpen, Blancefloerlaan 175, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3 van de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 mei 2011).

Op 6 december 2011 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk onontvankelijk is.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoeker vraagt de vernietiging van artikel 3 van de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112, dat bepaalt :

« De 112-centra verzekeren permanent de behandeling van de noodoproepen naar de nummers 100, 101 en 112 voor de dringende medische hulp en de diensten van de civiele veiligheid en de geïntegreerde politie.

Elke noodoproep naar de nummers 100, 101 en 112 om dringende medische hulp te verkrijgen alsook naar de diensten van de civiele veiligheid en de geïntegreerde politie, die door de 112-centra wordt behandeld, moet kunnen worden verwerkt in ten minste de drie landstalen en het Engels, overeenkomstig de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde voorwaarden, kwaliteitscriteria en nadere uitvoeringsregels. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt ook de eisen inzake taalkennis.

In afwijking van het eerste lid, kan de dispatching van de interventies van de brandweer van een hulpverleningszone georganiseerd worden op het niveau van de hulpverleningszone in de door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgelegde omstandigheden, en kan de dispatching van de diensten van de lokale politie van een politiezone op het niveau van de politiezone georganiseerd worden, na advies van de vaste commissie van de lokale politie, in de door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgelegde omstandigheden.

De Koning bepaalt de organisatie van de dispatching van de operationele diensten van de Civiele veiligheid.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de behandeling van andere oproepen dan deze bedoeld in het eerste lid en die betrekking hebben op de medische hulp en de interventie van de diensten van de civiele veiligheid en van de geïntegreerde politie laten verzekeren door de 112-centra ».

B.2. De verzoeker voert aan dat de bestreden bepaling een te verregaande bevoegdheid aan de Koning verleent om het taalgebruik in de betrokken materie te regelen. Om zijn belang bij de vernietiging te staven, beroept hij zich op een persoonlijk en een functioneel belang.

B.3. Wat het functionele belang betreft, meent de verzoeker dat hij er als lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers belang bij heeft dat de bevoegdheden van het orgaan waarvan hij deel uitmaakt niet worden miskend. Als gevolg van de bevoegdheidsdelegatie aan de Koning, die in de bestreden bepaling is vervat, zou de verzoeker geen wetsvoorstellen of amendementen meer kunnen laten bespreken in de Kamer, noch de totstandkoming van wetgeving daaromtrent kunnen beïnvloeden. De bestreden bepaling zou om die reden een ernstige aantasting van zijn parlementaire prerogatieven inhouden.

Uit artikel 2, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof volgt dat de bijzondere wetgever de mogelijkheid voor de leden van de wetgevende vergaderingen om in rechte te treden heeft willen beperken door die mogelijkheid aan hun voorzitters voor te behouden, en op voorwaarde dat twee derden van de leden erom zouden verzoeken. Een lid van een wetgevende vergadering doet dus niet, in die enkele hoedanigheid, blijken van het vereiste belang om voor het Hof op te treden (zie o.a. arrest nr. 131/2003 van 8 oktober 2003, B.3.3).

B.4. Wat het persoonlijke belang betreft, voert de verzoeker aan dat hij er als lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en als fractieleider belang bij heeft « om zijn stem op maximale wijze te kunnen laten horen in het ganse politieke debat, om zijn persoonlijke stempel te drukken op het beleid, om zijn taak als verkozene des volks behoorlijk te kunnen uitvoeren en om zijn parlementair controlerecht op normale wijze te kunnen uitoefenen ». Teneinde zijn geloofwaardigheid als specialist van de taalwetgeving niet te verliezen, zou hij « over zoveel mogelijk taalaangelegenheden zijn advies en zijn mening moeten kunnen geven en moeten kunnen antwoorden op zoveel mogelijk vragen die zijn omgeving hem hieromtrent stelt ».

Het persoonlijke belang waarop de verzoeker zich beroept, verschilt niet wezenlijk van het voormelde functionele belang. De bestreden bepaling raakt niet aan prerogatieven die eigen zijn aan de individuele uitoefening van zijn mandaat. Met name verhindert zij niet dat de verzoeker ijvert voor een wijziging van de bestreden bepaling, noch dat hij zijn parlementair controlerecht uitoefent ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling.

B.5. De verzoeker doet derhalve niet van het vereiste belang blijken om beroep in te stellen tegen de betrokken bepaling.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 3 van de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112, ingesteld door Gerolf Annemans. Voorafgaande rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging

  • Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang. # Nooddiensten

  • 112-centra en het agentschap 112

  • Taalgebruik

  • Delegatie aan de Koning.