- Arrest van 15 maart 2012

15/03/2012 - 45/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 9 juli 2010 tot wijziging van het decreet van 14 januari 1999 betreffende de erkenning van de gastkamers en de toelating om de benaming « gastkamers » te gebruiken;

- handhaaft de gevolgen van het vernietigde decreet tot het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een ordonnantie in deze aangelegenheid in werking heeft doen treden en uiterlijk tot 31 maart 2013.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 februari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 februari 2011, heeft de Vlaamse Regering beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3 en 5 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 9 juli 2010 tot wijziging van het decreet van 14 januari 1999 betreffende de erkenning van de gastkamers en de toelating om de benaming « gastkamers » te gebruiken (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2010).

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De Vlaamse Regering vordert de vernietiging van de artikelen 2, 3 en 5 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 9 juli 2010 tot wijziging van het decreet van 14 januari 1999 betreffende de erkenning van de gastkamers en de toelating om de benaming « gastkamers » te gebruiken.

Artikel 2 bepaalt :

« In artikel 2 van het decreet van 14 januari 1999 betreffende de erkenning van de gastkamers en de toelating om de benaming ' Gastkamers ' te gebruiken, wordt het woord ' hoofdverblijfplaats ' vervangen door ' eigen, gebruikelijke en gezinswoning ' ».

Artikel 3 bepaalt :

« Artikel 3 van ditzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt :

' Niemand mag de naam "gastkamers" gebruiken zonder voorafgaand van zijn intentie kennis te hebben gegeven om één of meerdere gastkamers uit te baten krachtens dit decreet of conform de door dit decreet vastgelegde procedure en voorwaarden. Deze kennisgeving brengt een voorlopige vergunning met zich mee.

Het College stelt het formulier op waarmee de aangifte moet worden ingediend bij de gemachtigde ambtenaar voor Toerisme per aangetekende brief, telefax of e-mail, als hierdoor een ontvangstbewijs vanwege de bestemmeling wordt geleverd.

Door de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, verbindt de belanghebbende zich ertoe binnen de dertig dagen een vergunnings- en erkenningsaanvraag in te dienen bij het College. ' ».

Artikel 5 bepaalt :

« In artikel 7, lid 1, worden de woorden ' 100 tot 3 000 BEF ' vervangen door de woorden ' 2,47 tot 74,36 euro ' en worden de woorden ' zonder vergunning ' vervangen door de woorden ' zonder voorafgaande kennisgeving conform de in artikel 3 vastgelegde vormvoorschriften ' ».

B.1.2. In de Nederlandse vertaling van het decreet wordt de benaming « chambres d'hôtes » vertaald als « gastkamers ». Vermits die vertaling geen authentieke waarde heeft, moet worden vastgesteld dat de decreetgever enkel het gebruik van die benaming in het Frans « chambres d'hôtes » heeft beoogd. Overigens heet een voorziening zoals bedoeld in het bestreden decreet in het Nederlands « gastenkamer » (Woordenlijst Nederlandse Taal).

B.2. Uit de uiteenzetting van het enige middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat die bepalingen de gewestelijke aangelegenheid van de « vestigingsvoorwaarden inzake toerisme » zouden regelen. Subsidiair, voor zover het Hof zou oordelen dat het bestreden decreet tot de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake « toerisme » zou behoren, zoals bedoeld in artikel 4, 6°, van de vermelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de Franse Gemeenschapscommissie de bevoegdheid vastgelegd in artikel 127, § 2, van de Grondwet overschrijdt.

B.3. Artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen bepaalt :

« Met als enige uitzondering de bevoegdheden die overeenkomstig artikel 59quater, § 4, tweede lid, [thans de artikelen 118 en 123] van de Grondwet aan het Vlaams Parlement en aan het Waals Parlement worden toegekend, heeft het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest dezelfde bevoegdheden als het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. De bevoegdheden toegekend aan de Gewestparlementen worden, wat betreft het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, uitgeoefend door middel van ordonnanties.

[...] ».

Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt :

« § 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater [thans artikel 39] van de Grondwet zijn :

[...]

VI. Wat de economie betreft :

[...]

Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor :

[...]

6° de vestigingsvoorwaarden, met uitzondering van de bevoegdheid van de Gewesten voor de vestigingsvoorwaarden inzake toerisme;

[...] ».

B.4. De Franse Gemeenschapscommissie is van oordeel dat ze het bestreden decreet kon aannemen op grond van haar bevoegdheid inzake « toerisme ». Volgens zijn artikel 1 regelt het bestreden decreet « een aangelegenheid bedoeld in artikel 127 van de Grondwet krachtens artikel 138 van de Grondwet ».

B.5.1. Artikel 127 van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet :

1° de culturele aangelegenheden;

[...]

3° de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden bedoeld in 1° en 2°.

Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, de in 3° vermelde vormen van samenwerking, alsook de nadere regelen voor het in 3° vermelde sluiten van verdragen vast.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ».

Artikel 4, 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt :

« De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis, § 2, 1°, [thans artikel 127, § 1, eerste lid, 1°] van de Grondwet zijn :

[...]

10° De vrijetijdsbesteding en het toerisme ».

B.5.2. Ter uitvoering van artikel 138 van de Grondwet bepaalt artikel 3, 2°, van het decreet II van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie :

« [...] de Commissie, [...] op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, oefentde bevoegdheden van de Gemeenschap in de volgende aangelegenheden uit :

[...]

2° het toerisme, bedoeld in artikel 4, 10°, van de bijzondere wet ».

Artikel 3, 2°, van het decreet II van het Waalse Gewest van 22 juli 1993 betreffende de overheveling van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie en artikel 3, 2°, van het decreet III van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie hebben dezelfde inhoud.

B.6. Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot het bestreden decreet van 9 juli 2010 heeft geleid, « beoogt het onderhavige decreet de omzetting van de richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, de zogenaamde ' Dienstenrichtlijn ' » (Parl. St., Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 2009-2010, nr. 22/1, p. 3).

In het verslag wordt gepreciseerd :

« Aan het Parlement wordt niet gevraagd substantiële wijzigingen van de geldende regelgeving goed te keuren, maar wel zich te conformeren aan de minimale eisen van de ' Dienstenrichtlijn ' » (ibid., nr. 22/2, p. 4).

De doorgevoerde wijziging van artikel 2 van het voormelde decreet van 14 januari 1999 wordt als volgt verantwoord :

« In artikel 14 van de richtlijn wordt de eis dat de dienstverrichter zijn verblijfplaats op [het] grondgebied heeft, verboden en in strijd met het gemeenschapsrecht verklaard. Er bestaat geen enkele uitzondering en die eis kan op geen enkele wijze worden verantwoord » (ibid., nr. 22/1, p. 4).

De verwijzing naar de « hoofdverblijfplaats » van de aanvrager wordt bijgevolg vervangen door het begrip « eigen, gebruikelijke en gezinswoning ».

De wijziging van artikel 3 van dat decreet wordt eveneens verantwoord door de noodzakelijke omzetting van de Dienstenrichtlijn.

Vóór de wijziging ervan bepaalde artikel 3 dat « niemand [...] de naam [' chambre d'hôtes '] [mag] gebruiken zonder de toestemming van het College ». Artikel 4, dat niet is gewijzigd, bepaalt dat die toelating werd gegeven op hetzelfde ogenblik als de erkenning als « chambre d'hôtes ».

Uit de combinatie van die twee bepalingen vloeide voort dat de betrokkenen enkel ertoe waren gemachtigd de benaming « chambre d'hôtes » te gebruiken mits zij daartoe een toelating hadden, die na een door de administratie uitgevoerde controle werd gegeven. De doorgevoerde decreetwijziging strekt ertoe een minder dwingend mechanisme aan te wenden, door een stelsel van « kennisgeving » in te voeren dat geldt als « voorlopige vergunning ».

De wijziging van artikel 7 van het decreet van 14 januari 1999, door artikel 5 van het bestreden decreet, strekt ertoe, enerzijds, « rekening te houden met de in artikel 3 ingevoerde regeling van kennisgeving », in plaats van de regeling van de voorafgaande vergunning, en, anderzijds, de aanvankelijk in frank opgegeven bedragen in euro om te zetten.

B.7. Volgens de toelichting bij het vermelde decreet van 14 januari 1999 neemt de interesse voor gastenkamers toe, omdat ze de toerist een ander soort onthaal bieden dat kleinschaliger en persoonlijker is en hij aldus op een andere manier kennis kan maken met een stad en haar bewoners. Ook de economische impact van dat soort toerisme mag volgens de decreetgever niet worden onderschat. Doordat het systeem van gastenkamers relatief goedkoop is, kan het een groot aantal toeristen aantrekken en de toeristische positie van Brussel versterken (Parl. St., Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 1998-1999, nr. 68/1, p. 2).

B.8.1. In artikel 2 van het decreet van 14 januari 1999, zoals gewijzigd bij het bestreden decreet van 9 juli 2010, wordt de « chambre d'hôtes » omschreven als « één of meerdere gemeubileerde kamers die deel uitmaken van de eigen, gebruikelijke en gezinswoning van de aanvrager, dat bestaat uit maximum drie kamers bestemd om te verhuren en waar het ontbijt in de prijs is inbegrepen. Deze verhuur gebeurt enkel voor toeristische doeleinden en duurt voor één of meerdere overnachtingen ».

B.8.2. Volgens de artikelen 3 en 4 van het decreet van 14 januari 1999, zoals gewijzigd bij het bestreden decreet, mag niemand de benaming « chambre d'hôtes » gebruiken zonder voorafgaandelijk kennis te hebben gegeven van zijn intentie om één of meer dergelijke kamers uit te baten krachtens dat decreet of overeenkomstig de bij dat decreet vastgestelde procedure en voorwaarden. Die kennisgeving brengt een voorlopige vergunning met zich mee. De belanghebbende verbindt zich daardoor ertoe binnen dertig dagen een vergunnings- en erkenningsaanvraag in te dienen bij het College. De toelating en erkenning als « chambre d'hôtes » kunnen worden verleend indien zowel de aanvrager als de woning aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo dient de aanvrager van goed zedelijk gedrag te zijn, moet hij voor iedere bezetting een schriftelijk contract opmaken, houder zijn van de nodige verzekeringen, vooraf de prijs vaststellen per overnachting en de gasten kwaliteitsvol onthalen. De woning moet bestaan uit minimum één en maximum drie kamers die uitsluitend door de gasten mogen worden gebruikt, beschikbaar zijn voor gasten gedurende minstens vier maanden per jaar, in een goede algemene staat verkeren en voldoen aan de technische voorschriften die zijn bepaald door het college.

De niet-naleving van die bepalingen wordt strafrechtelijk gestraft (artikel 7).

B.9. Het Hof dient allereerst te onderzoeken of de bestreden bepalingen een schending inhouden van de gewestbevoegdheid voor « vestigingsvoorwaarden inzake toerisme ».

B.10.1. De bevoegdheid voor de « vestigingsvoorwaarden inzake toerisme » is toegewezen aan de gewesten bij artikel 2, § 5, van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur.

Die bevoegdheidsoverdracht werd als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding :

« Deze bevoegdheid wordt geregionaliseerd omdat zij binnen de gewestelijke economische bevoegdheid past. [...]

[...]

De vestigingsvoorwaarden bleven [...], ook na de wijziging van de bijzondere wet in 1988, een federale bevoegdheid.

Voor de uitoefening van het economisch beleid inzake toerisme was dit, meer dan in de andere sectoren, evenwel een belemmering » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558-1, pp. 25 en 26).

Aldus werd de bevoegdheid voor de toegang tot het beroep inzake toerisme opgenomen in artikel 6, § 1, VI, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat de gewestelijke bevoegdheden bepaalt « wat de economie betreft ».

B.10.2. De in artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6°, bedoelde aangelegenheid inzake vestigingsvoorwaarden sluit onder meer de bevoegdheid in om regels te stellen inzake de toegang tot bepaalde beroepen, algemene regels of bekwaamheidseisen te stellen in verband met de uitoefening van sommige beroepen en beroepstitels te beschermen.

B.11. Tijdens de parlementaire voorbereiding van het voormelde decreet van 14 januari 1999, dat bij de bestreden artikelen 2, 3 en 5 van het decreet van 9 juli 2010 wordt gewijzigd, is het volgende verklaard :

« Deze regelgeving heeft tot doel het fenomeen van de gastkamers te verbinden aan een erkenning die de toerist een zekere standaard inzake comfort waarborgt, die een kwaliteitslabel vertegenwoordigt. De daarbij geformuleerde eisen worden gecompenseerd door de aan de dienstverleners geboden mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden investeringspremies te verkrijgen met betrekking tot de oprichting of de modernisering van de kamers die de toeristen ter beschikking worden gesteld » (Parl. St., Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 1998-1999, nr. 68/1, p. 2).

Volgens de decreetgever beoogt het decreet niet « een vergunningsregeling in te voeren voor het uitbaten van een inrichting met gastkamers, maar veeleer, door zich te inspireren op de werkwijze die geldt inzake kwaliteitslabels, wie dan ook te verbieden de benaming ' chambre d'hôtes ' te gebruiken indien hij niet aan een aantal voorwaarden in verband met de hoedanigheid van de uitbater van de kamer en de staat van de woning voldoet » (ibid., p. 3).

B.12. De bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende componenten van de federale Staat berust op het exclusiviteitsbeginsel, dat veronderstelt dat elke rechtssituatie in beginsel slechts door één wetgever kan worden geregeld. Indien een regeling, zoals te dezen, aanleunt bij meerdere bevoegdheidstoewijzingen, dient het Hof uit te maken waar het zwaartepunt van de geregelde rechtssituatie ligt.

B.13. Hoewel het exploiteren van gastenkamers zoals beoogd in het bestreden decreet kleinschalige initiatieven zijn, gaat het niettemin om een economische dienstverlening doordat, in concurrentie met de hotelsector, kamers worden verhuurd tegen betaling. Het betreft aldus een dienst in de zin van artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, van artikel 2 van de eerder vermelde Dienstenrichtlijn en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de eerder vermelde bijzondere wet van 8 augustus 1980.

De toelating en de erkenning als « chambre d'hôtes » kunnen slechts worden verkregen indien zowel de exploitant als de woning aan bepaalde eisen voldoen. Zij kunnen worden geschorst, geweigerd of ingetrokken wanneer de voorwaarden niet of niet langer in acht worden genomen en in het geval van bepaalde veroordelingen (artikel 5).

Weliswaar beschermt het decreet enkel de benaming « chambre d'hôtes » en laat het de exploitatie toe van gastenkamers onder een andere benaming. Die vaststelling neemt evenwel niet weg dat de benaming « chambre d'hôtes » in het Frans de meest courante benaming is voor dergelijke kamers, zodat de decreetgever in gevoelige mate de exploitatievrijheid van de verhuurders van dergelijke kamers beperkt. Bovendien, indien personen die niet aan de eisen van het decreet van 14 januari 1999 voldoen, op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gastenkamers, « bed and breakfast » of soortgelijke voorzieningen onder andere benamingen uitbaten en, zoals in die sector gebruikelijk is, hun voorzieningen in meerdere talen, via bijvoorbeeld het internet, aanbieden en die aldaar in de Franse taal aanduiden als zijnde « chambres d'hôtes », stellen zij zich bloot aan de voormelde sancties.

Het bestreden decreet regelt derhalve « vestigingsvoorwaarden inzake toerisme », waarvoor enkel de gewesten bevoegd zijn.

B.14. Het enige middel is gegrond. Nu alle bepalingen van het bestreden decreet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, dient het decreet in zijn geheel te worden vernietigd.

B.15. Teneinde de rechtsonzekerheid te vermijden die uit de vernietiging zou voortvloeien en België in staat te stellen verdere uitvoering te geven aan de in B.6 vermelde richtlijn in de bij het bestreden decreet geregelde aangelegenheid, dienen, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van het vernietigde decreet te worden gehandhaafd tot het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een ordonnantie in deze aangelegenheid in werking heeft doen treden en uiterlijk tot 31 maart 2013.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 9 juli 2010 tot wijziging van het decreet van 14 januari 1999 betreffende de erkenning van de gastkamers en de toelating om de benaming « gastkamers » te gebruiken;

- handhaaft de gevolgen van het vernietigde decreet tot het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een ordonnantie in deze aangelegenheid in werking heeft doen treden en uiterlijk tot 31 maart 2013.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 5 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 9 juli 2010 tot wijziging van het decreet van 14 januari 1999 betreffende de erkenning van de gastkamers en de toelating om de benaming « gastkamers » te gebruiken, ingesteld door de Vlaamse Regering. Grondwettelijk recht

  • Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

  • 1. Bevoegdheden van de gemeenschappen

  • Toerisme

  • 2. Bevoegdheden van de gewesten

  • Vestigingsvoorwaarden

  • Toerisme

  • Gastenkamers

  • Toelating en erkenning.