- Arrest van 15 maart 2012

15/03/2012 - 46/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vóór de wijziging van de artikelen 127, 128 en 142 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 « tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het BWRO », schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in de in B.11 aangegeven mate.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 211.792 van 3 maart 2011 in zake Michel De Muylder en anderen tegen de stad Brussel, de gemeente Elsene en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, tussenkomende partij : de « Université libre de Bruxelles », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 maart 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het BWRO de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, en schenden zij artikel 23 van de Grondwet in zoverre zij de projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben, aan verschillende evaluatieprocedures onderwerpen naargelang zij in bijlage A of in bijlage B van het BWRO worden vermeld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, van de artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna : BWRO), in zoverre zij de projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben, aan verschillende evaluatieprocedures onderwerpen naargelang zij in bijlage A of in bijlage B van het genoemde BWRO worden vermeld.

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.2.1. Op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten bepaalden de voormelde artikelen 127 en 128 :

« Art. 127. § 1. Een voorafgaande effectenbeoordeling is vereist voor de openbare en particuliere projecten die onder meer door hun omvang, aard of ligging het leefmilieu of het stedelijk milieu ingrijpend kunnen aantasten, of die belangrijke sociale of economische gevolgen kunnen hebben. Deze algemene beoordeling houdt geen opheffing in van de verplichting om publieke en private projecten te onderwerpen aan een gepaste en specifieke effectenbeoordeling, met toepassing van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 oktober 2000 betreffende de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora, wanneer deze plaatsvinden in of nabij een speciale beschermingszone. De algemene beoordeling dient de desbetreffende specifieke beoordeling te omvatten indien de projecten beide vormen van beoordeling vereisen.

§ 2. Onder ' effecten van een project ' verstaat men de rechtstreekse en indirecte, tijdelijke, toevallige en permanente effecten op korte en lange termijn van een project op :

1° de mens, de fauna en de flora;

2° de bodem, het water, de lucht, het klimaat, het geluid, het landschap en het energieverbruik;

3° de stedenbouw en het onroerend erfgoed;

4° het sociale en economische vlak;

5° de globale mobiliteit;

6° de wisselwerking tussen deze factoren.

§ 3. Vóór de gemeente het ontvangbewijs van de vergunningsaanvraag afgeeft, gaat zij na of de aanvraag aan een effectenstudie of een effectenverslag onderworpen is.

Het dossier van de aanvraag om een vergunning of een attest is onvolledig bij ontstentenis van de door de artikelen 129 of 143, vereiste documenten.

Art. 128. § 1. Voor de projecten vermeld in bijlage A van dit Wetboek is een effectenstudie vereist.

§ 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenstudie is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een dergelijke studie, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten.

Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, of in de perimeter van een niet vervallen verkavelingsvergunning waaraan, bij toepassing van dit Wetboek, een effectenstudie is voorafgegaan en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt de onder artikel 129 bedoelde effectenstudie zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door de effectenstudie die aan de verkavelingsvergunning is voorafgegaan ».

De in het geding zijnde artikelen 142 tot 148 bepaalden :

« Art. 142. § 1. Aan een effectenverslag worden onderworpen, de projecten vermeld in bijlage B van dit Wetboek.

§ 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenverslag of -studie is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een effectenverslag, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten.

Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, [of] wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning gelegen zijn [...] in de perimeter van een niet vervallen verkavelingsvergunning waaraan een effectenverslag is voorafgegaan bij toepassing van dit Wetboek en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt [...] [het] onder artikel 143 bedoelde effectenverslag zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door het effectenverslag dat aan de aflevering van de verkavelingsvergunning is voorafgegaan.

Art. 143. Bij de attest- of vergunningsaanvraag voor ieder in bijlage B van dit Wetboek vermeld project, wordt een effectenverslag gevoegd dat ten minste uit volgende elementen bestaat :

1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;

2° de synthese van de in aanmerking genomen oplossingen die ten grondslag hebben gelegen aan de keuze van het door de aanvrager ingediende project, gelet op het milieu;

3° de beschrijving van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben, met name aan de hand van plannen;

4° de inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein en het EPB-voorstel, met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is;

5° de beoordeling van deze effecten in vergelijking met de bestaande toestand;

6° een schets van de voornaamste alternatieve oplossingen die werden bestudeerd door de bouwheer en een indicatie van de voornaamste redenen voor zijn keuze, gelet op de gevolgen voor het leefmilieu;

7° de beschrijving van de geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of te beperken, onder meer ten opzichte van de bestaande normen;

8° een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen.

De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van het effectenverslag bepalen.

De aanvrager kan, voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag om attest of vergunning, de bevoegde overheid om advies vragen over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen. Daartoe raadpleegt de bevoegde overheid het bestuur over de aard en de omvang van de vereiste inlichtingen. Het bestuur maakt zijn advies over aan de aanvrager en aan de bevoegde overheid binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag en de bevoegde overheid brengt haar advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis van een advies van de bevoegde overheid binnen de toegestane termijn, baseert de aanvrager zich op het advies van het Bestuur.

Het feit dat de bevoegde overheid een advies heeft uitgebracht over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen, belet de bevoegde overheid of de bestuursorganen die in de effectenevaluatieprocedure tussenbeide komen niet om de bouwheer later te vragen bijkomende inlichtingen voor te leggen.

Art. 144. De aanvraag om attest of om vergunning en het effectenverslag worden samen ingediend, overeenkomstig de artikelen 125 of 176.

De overheid, waarbij de aanvraag werd ingediend, stuurt gelijktijdig met het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in artikel 125 of in artikel 176 bedoelde termijn, een exemplaar van het dossier naar het Bestuur als het dossier niet bij haar aanhangig gemaakt is.

Art. 145. § 1. Binnen dertig dagen na het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in de artikelen 125 of 176 bedoelde termijn, gaat het Bestuur over tot :

1° het onderzoeken van het effectenverslag;

2° het vastleggen van de lijst van de gemeenten van het Gewest betrokken bij de effecten van het project en waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;

3° het aanwijzen van de gemeente die ermee belast wordt de overlegcommissie bijeen te roepen overeenkomstig artikel 147, § 2;

4° het mededelen aan de aanvrager van het aantal hem te leveren exemplaren van [het] gewijzigde effectenverslag of de aanvullingen bij het effectenverslag eventueel vereist krachtens paragraaf 2 met het oog op het houden van het openbaar onderzoek.

§ 2. Wanneer het Bestuur oordeelt dat het effectenverslag aangevuld dient te worden, betekent het deze beslissing aan de aanvrager binnen de in § 1 bedoelde termijnen, met de vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.

Binnen tien dagen na de ontvangst ervan, verricht het Bestuur de in § 1 bepaalde handelingen.

§ 3. Wanneer het Bestuur, bij het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijnen, haar beslissing niet kenbaar heeft gemaakt, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.

Binnen zestig dagen na de aanhangigmaking verricht de Regering de in § 1 bedoelde handelingen.

Art. 146. Vanaf de ontvangst van de exemplaren van het dossier geleverd door de aanvrager, zendt het Bestuur er een exemplaar van aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente van het Gewest die bij de effecten van het project betrokken is en waar het openbaar onderzoek moet worden gevoerd.

Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit :

1° de aanvraag om attest of vergunning;

2° het effectenverslag;

3° de stukken of inlichtingen die de aanvrager heeft verstrekt met toepassing van artikel 145, § 2.

Art. 147. § 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking binnen vijftien dagen na de ontvangst van het dossier.

Het openbaar onderzoek wordt in elke gemeente gehouden en duurt vijftien dagen.

Het Bestuur bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten gesloten worden.

§ 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd, maakt binnen vijftien dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek het dossier aanhangig bij de overlegcommissie die uitgebreid wordt met de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project.

De overlegcommissie brengt haar advies uit bij het Bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen binnen dertig dagen na het beëindigen van het openbaar onderzoek.

Wanneer de overlegcommissie haar advies niet kenbaar heeft gemaakt binnen de gestelde termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die worden uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn.

Art. 148. § 1. In uitzonderlijke omstandigheden kan de overlegcommissie in een bijzonder met redenen omkleed advies, de Regering aanbevelen een effectenstudie te laten verrichten.

§ 2. Wanneer de Regering van mening is dat een effectenstudie dient te worden verricht, brengt ze haar beslissing ter kennis van de aanvrager binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van het dossier.

In dit geval :

1° verzoekt de Regering de aanvrager om één of meer voorstellen betreffende de keuze van de opdrachthouder aan het Bestuur te doen toekomen;

2° belast de Regering het Bestuur met het opstellen van het ontwerp van bestek voor de effectenstudie binnen dertig dagen. In geval van gemengd project regelt de Regering de wijze van samenwerking tussen het Bestuur en het Brussels Instituut voor Milieubeheer;

3° belast de Regering het Bestuur met de convocatie van het begeleidingscomité, naast de leden aangesteld overeenkomstig artikel 131.

Het Bestuur vergadert na bijeenroeping het begeleidingscomité en stelt samen met het comité het ontwerpbestek voor de effectenstudie op.

Nadat het in § 2, tweede lid, 2° bedoelde ontwerpbestek is opgesteld, bezorgt het Bestuur het samen met zijn eventuele opmerkingen aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het project grotendeels ten uitvoer gebracht moet worden.

Het Bestuur legt het ontwerpbestek ter advies voor aan de overlegcommissie. Dat advies moet binnen dertig dagen na de adviesaanvraag uitgebracht worden. De procedure verloopt overeenkomstig de artikelen 132 tot 141.

§ 2/1. Wanneer de Regering een dergelijke studie niet geschikt acht, omkleedt zij haar beslissing met redenen en zendt zij het dossier binnen de in het eerste lid van § 2 bedoelde termijn aan de uitreikende overheid.

§ 3. Het stilzwijgen van de Regering na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn geldt als een weigering om de effectenstudie te laten uitvoeren.

§ 4. Wanneer de effectenstudie is uitgevoerd, moet het dossier dat overeenkomstig artikel 140, aan het openbaar onderzoek wordt onderworpen, bovendien volgende gegevens bevatten :

1° de bezwaren en de opmerkingen die in het kader van het in artikelen 146, en 147, bedoelde openbaar onderzoek aan het college van burgemeester en schepenen werden gericht, alsmede het proces-verbaal van sluiting van dit onderzoek;

2° de notulen van de overlegcommissie;

3° het in § 1 bedoeld advies van de overlegcommissie ».

B.2.2. De artikelen 127, 128 en 142 van het BWRO zijn als volgt gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 « tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het BWRO » (Belgisch Staatsblad, 6 oktober 2010, tweede editie) :

« Art. 2. Aan artikel 127 van hetzelfde BWRO wordt een § 4 toegevoegd geformuleerd als volgt :

' Wanneer de administratie vaststelt dat het project dat wordt voorgelegd tot aanvraag van een attest of een vergunning belangrijke gevolgen kan hebben voor het leefmilieu van een ander Gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in een grensoverschrijdend verband, of wanneer een lidstaat die aanzienlijk kan benadeeld worden het vraagt, wordt het aanvraagdossier samen met het voorafgaand milieueffectenrapport en eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit andere Gewest, deze andere lidstaat van de Europese Unie of deze andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo.

De Regering bepaalt :

1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten;

2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten;

3° de modaliteiten volgens welke het aanvraagdossier samen met het voorafgaand milieueffectenrapport en eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten alsook de opvolgingsmodaliteiten, aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden bekendgemaakt;

4° de modaliteiten volgens dewelke de genomen beslissingen aangaande de vergunningsaanvragen worden medegedeeld aan de overheden vermeld in het vorig lid;

5° de modaliteiten volgens dewelke de overheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dienen te handelen wanneer de uitvoering van een project op het grondgebied van een ander Gewest of een andere lidstaat belangrijke gevolgen kan hebben voor het leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest '.

Art. 3. [In] [...] artikel 128, § 1, wordt het volgende lid ingevoegd na het eerste lid :

' De lijst van de projecten hernomen in bijlage A wordt vastgelegd rekening houdend met hun aard, hun afmetingen of hun ligging evenals met de volgende relevante selectiecriteria :

1° Kenmerken van de inrichtingen. Deze kenmerken dienen te worden beschouwd ten opzichte van :

a) de afmetingen van de inrichting;

b) de samenvoeging met andere inrichtingen;

c) het gebruik van natuurlijke rijkdommen;

d) de productie van afval;

e) verontreiniging en hinder;

f) ongevalrisico's, met name ten opzichte van gebruikte stoffen of technologieën.

2° Ligging van de inrichtingen. De milieugevoeligheid van de geografische zones die door de inrichtingen geraakt kunnen worden moet in beschouwing worden genomen rekening houdend met :

a) de bestaande grondbezetting;

b) de betrekkelijke rijkdom, de kwaliteit en de capaciteit van herstel van de natuurlijke rijkdommen van de zone;

c) de belastingscapaciteit van de natuurlijke omgeving, met bijzondere aandacht voor volgende zones :

- vochtige zones;

- kustzones;

- berg- en woudzones;

- natuurreservaten en natuurparken;

- zones die ingedeeld of beschermd zijn door de wetgeving en de reglementering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

- bijzondere beschermingszones aangewezen door de wetgeving en de reglementering van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG;

- zones waarin de door de wetgeving van de Gemeenschap [vastgestelde] milieukwaliteitsnormen al overschreden zijn;

- zones met hoge bevolkingsdichtheid;

- historisch, cultureel en archeologisch waardevolle landschappen.

3° Kenmerken van het potentiële effect. De aanzienlijke effecten die een inrichting zou kunnen hebben dienen beschouwd te worden aan de hand van de bij 1° en 2° opgesomde criteria, meer bepaald ten opzichte van :

- de omvang van de impact (geografische zone en omvang van de geraakte bevolking);

- de grensoverschrijdende aard van de impact;

- de omvang en de complexiteit van de impact;

- de probabiliteit van de impact;

- de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van de impact '.

Art. 4. [In] [...] artikel 142, § 1, wordt het volgende lid ingevoegd na het eerste lid :

' De lijst van de projecten hernomen in bijlage B wordt vastgelegd rekening houdend met hun aard, hun afmetingen of hun ligging evenals met de volgende relevante selectiecriteria :

1° Kenmerken van de inrichtingen. Deze kenmerken dienen te worden beschouwd ten opzichte van :

a) de afmetingen van de inrichting;

b) de samenvoeging met andere inrichtingen;

c) het gebruik van natuurlijke rijkdommen;

d) de productie van afval;

e) verontreiniging en hinder;

f) ongevalrisico's, ten opzichte van gebruikte stoffen of technologie.

2° Ligging van de inrichtingen. De milieugevoeligheid van de geografische zones die door de inrichtingen geraakt kunnen worden moet in beschouwing worden genomen rekening houdend met :

a) de bestaande grondbezetting;

b) de betrekkelijke rijkdom, de kwaliteit en de capaciteit van herstel van de natuurlijke rijkdommen van de zone;

c) de belastingscapaciteit van de natuurlijke omgeving, met bijzondere aandacht voor volgende zones :

- vochtige zones;

- kustzones;

- berg- en woudzones;

- natuurreservaten en natuurparken;

- zones die ingedeeld of beschermd zijn door de wetgeving en de reglementering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

- bijzondere beschermingszones aangewezen door de wetgeving en de reglementering van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG;

- zones waarin de door de wetgeving van de Gemeenschap [vastgestelde] milieukwaliteitsnormen al overschreden zijn;

- zones met hoge bevolkingsdichtheid;

- historisch, cultureel en archeologisch waardevolle landschappen.

3° Kenmerken van het potentiële effect. De aanzienlijke effecten die een inrichting zou kunnen hebben dienen beschouwd te worden aan de hand van de bij 1° en 2° opgesomde criteria, meer bepaald ten opzichte van :

- de omvang van de impact (geografische zone en omvang van de geraakte bevolking);

- de grensoverschrijdende aard van de impact;

- de omvang en de complexiteit van de impact;

- de probabiliteit van de impact;

- de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van de impact ' ».

B.2.3. Dat besluit is genomen met toepassing van artikel 314 van het BWRO dat de Regering ertoe machtigt de bepalingen inzake planning en stedenbouw van het Wetboek op te heffen, aan te vullen of te vervangen om de nodige maatregelen te nemen voor de omzetting van de uit de richtlijnen van de Europese Unie voortvloeiende verplichte bepalingen. Het strekte ertoe de vereisten van bijlage III van de richtlijn 85/337/EEG in het BWRO op te nemen en aldus tegemoet te komen aan de grieven van de Europese Commissie waarbij de Brusselse regelgeving een niet correcte omzetting van de genoemde richtlijn werd verweten.

Op 24 maart 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uitgesproken over het beroep wegens niet-nakoming dat door de Europese Commissie was ingesteld en heeft het het Koninkrijk België veroordeeld omdat de maatregelen die nodig zijn voor de correcte en volledige omzetting van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, niet waren genomen (C-435/09, Europese Commissie t. Koninkrijk België).

B.3.1. Bij de verwijzende rechter is een beroep ingesteld tot nietigverklaring van twee stedenbouwkundige vergunningen die op 8 oktober 2007 en 24 januari 2008 aan de « Université libre de Bruxelles » zijn uitgereikt.

B.3.2. Hoewel zulks niet in de vraag wordt gepreciseerd, vloeit uit de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten voort dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de in de vraag bedoelde grondwets- en internationale bepalingen, van de bepalingen van het BWRO vóór de wijziging ervan bij het besluit van de Regering van 30 september 2010.

Voor het overige stelt het Hof vast dat het zich onbevoegd zou moeten verklaren om de bij het voormelde besluit van de Regering gewijzigde bepalingen te toetsen, aangezien artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het Hof niet de bevoegdheid verleent om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of bepalingen van reglementaire aard de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet schenden.

Rekening houdend met het feit dat het aan hem staat te bepalen welke normen van toepassing zijn op het geschil dat hem is voorgelegd, zou de verwijzende rechter zich, rekening houdend met de motieven van het door het Hof gewezen arrest, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet nog kunnen uitspreken over de bestaanbaarheid van dergelijke reglementaire bepalingen met de grondwetsbepalingen, indien hij zulks noodzakelijk acht.

Ten gronde

B.4.1. Artikel 2 van de richtlijn 85/337/EEG legt de lidstaten de verplichting op de nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien de aard, omvang of ligging ervan, aan een beoordeling met betrekking tot de effecten ervan worden onderworpen, vooraleer een vergunning voor de uitvoering ervan wordt verleend.

Artikel 4 van dezelfde richtlijn bepaalt dat de in bijlage I ervan bedoelde projecten aan een beoordeling moeten worden onderworpen. De in bijlage II van de richtlijn beschreven projecten dienen daarentegen enkel het voorwerp van een beoordeling uit te maken wanneer de lidstaten van oordeel zijn dat de kenmerken ervan zulks vereisen. Daartoe kunnen de lidstaten onder meer bepaalde projecttypes specificeren die aan een beoordeling moeten worden onderworpen of criteria en/of drempelwaarden vaststellen die in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen welke van de projecten die tot de in bijlage II opgesomde klassen behoren, het voorwerp van een beoordeling moeten uitmaken.

B.4.2. Met betrekking tot de voormelde criteria heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het volgende gepreciseerd :

« 53 [...] de lidstaten [kunnen] de criteria en/of drempelwaarden [...] vaststellen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke van de projecten van bijlage II bij richtlijn 85/337, in de oorspronkelijke versie ervan, aan een beoordeling moeten worden onderworpen. De aldus aan de lidstaten verleende beoordelingsmarge werd echter begrensd door de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn neergelegde verplichting, projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, aan een beoordeling van die effecten te onderwerpen (zie in die zin arresten Kraaijeveld e.a., reeds aangehaald, punt 50, en 16 maart 2006, Commissie/Spanje, C-332/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 76). Bij de vaststelling van deze criteria en/of drempelwaarden moeten de lidstaten derhalve niet enkel de omvang van de projecten in aanmerking nemen maar ook de aard en de ligging ervan (zie in die zin arrest van 21 september 1999, Commissie/Ierland, C-392/96, Jurispr. blz. I-5901, punt 65, en arrest van 16 maart 2006, Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 76).

54 Bovendien zijn de lidstaten ingevolge artikel 4, lid 3, van richtlijn 85/337 verplicht bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria rekening te houden met de relevante selectiecriteria van bijlage III bij die richtlijn (zie in die zin arrest van 16 maart 2006, Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 79).

55 Als in dat artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria worden in bijlage III bij richtlijn 85/337 genoemd : 1) de kenmerken van de projecten, waarbij in het bijzonder in overweging moeten worden genomen de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen; 2) de plaats van de projecten, inhoudende dat bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, in het bijzonder in overweging moeten worden genomen het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, en 3) de kenmerken van het potentiële effect, met name uit het oogpunt van de geografische zone en de grootte van de bevolking » (HvJ, 23 november 2006, C-486/04, Commissie t. Italiaanse Republiek).

Welke methode de lidstaat ook heeft gekozen om te bepalen welke projecten van die welke deel uitmaken van bijlage II, het voorwerp van een beoordeling in de zin van de richtlijn moeten uitmaken, die methode mag in elk geval « geen afbreuk [...] doen aan de doelstelling van de richtlijn, te weten dat geen enkel project dat aanzienlijke milieueffecten in de zin van de richtlijn kan hebben, van de beoordeling wordt uitgesloten, tenzij het specifieke project op grond van een algemene beoordeling kan worden geacht geen aanzienlijk milieueffect te hebben » (HvJ, 16 september 1999, C-435/97, WWF e.a. t. Autonome Provinz Bozen; 10 juni 2004, C-87/02, Commissie t. Italiaanse Republiek).

B.5.1. De in het geding zijnde bepalingen vinden hun oorsprong in de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (Belgisch Staatsblad, 1 augustus 1992, err. 12 september 1992), die ertoe strekte de omzetting van de richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 te verzekeren.

De parlementaire voorbereiding vermeldt :

« [...] De projecten [worden] in twee categoriën ingedeeld :

l. De projecten onderworpen aan een effectenstudie.

Het gaat om industriële en infrastructuurprojecten waarvoor bijlage I van de Europese Richtlijn de verwezenlijking van een effectenstudie verplichtend voorschrijft en waar stedebouwkundige projecten die zeer gevoelig zijn voor het stedelijk milieu aan toegevoegd werden.

Normaal gezien overschrijden de effecten van deze projecten de grenzen van een gemeente. Ze zijn verplicht onderworpen aan een effectenstudie, met dien verstande dat hun effecten vooraf in een voorbereidende nota beschreven zijn, waarvan het belangrijkste doel is het bestek van de effectenstudie te bepalen.

2. Projecten onderworpen aan een effectenverslag.

Het gaat in de eerste plaats om de projecten bedoeld in bijlage II van de Europese Richtlijn, die voorschrijft dat de noodzaak tot het uitvoeren van een effectenbeoordeling geval per geval dient te worden onderzocht.

Hieraan worden tamelijk belangrijke stedebouwkundige projecten toegevoegd, gekozen onder de projecten die thans aan de procedure van openbaarmaking en overleg zijn onderworpen.

De effecten van deze projecten zijn waarschijnlijk meer plaatsgebonden dan die van de projecten onderworpen aan een effectenstudie.

Het effectenverslag waarvan deze projecten het voorwerp uitmaken, dient als een mini-effectenstudie te worden opgevat. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden, op basis van het verslag - dat de mogelijkheid moet bieden te kunnen oordelen of een effectenstudie noodzakelijk is -, van het resultaat van het openbaar onderzoek en het advies van de betrokken Overlegcommissie, zullen de projecten een werkelijke effectenstudie vereisen » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-162/1, pp. 4 en 5).

B.5.2. Met betrekking tot het effectenverslag werd gepreciseerd dat het was opgezet als een effectenstudie « in het klein », te verwezenlijken door de aanvrager volgens een schema dat overeenkomt met dat van de in de ordonnantie bedoelde voorbereidende nota en met een inhoud die geïnspireerd is op de inhoud van de effectenstudie (ibid., p. 9).

B.5.3. Op vraag van sommige leden van de Verenigde Commissies voor de Ruimtelijke Ordening, het Grondbeleid en de Huisvesting en voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Waterbeleid heeft de aan de minister-president toegevoegde staatssecretaris gepreciseerd wat moest worden verstaan onder « uitzonderlijke gevallen » die kunnen verantwoorden dat een effectenstudie wordt verricht voor projecten die in beginsel het voorwerp van een effectenverslag moeten uitmaken :

« In principe moet voor de in bijlage II opgesomde projecten een effectenbeoordeling uitgevoerd worden via een effectenverslag. Naar analogie met de Europese richtlijn 85/337/EEG heeft ook de Executieve haar wens uitgedrukt om 2 categorieën projecten te handhaven die naar gelang de omvang van de effecten op het stedelijk milieu aan een beoordeling worden onderworpen : de eerste categorie voor de projecten die automatisch een effectenstudie vereisen, de tweede categorie voor de projecten die een effectenverslag vereisen (mini-studie).

De in artikel 29 bedoelde ' uitzonderlijke gevallen ' van de bijzondere bestemmingsplannen bieden de Executieve de mogelijkheid om van dit principe af te wijken :

Indien, gelet op de concrete elementen van de dossiers of na onderzoek van het effectenverslag, blijkt dat de door de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedebouw (zie artikel 3 : ' bij de uitwerkingsprocedure van de plannen en bij de afgifte van de vergunningen en attesten stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale en economische vooruitgang met de kwaliteit van het leven te verzoenen en de inwoners van het Gewest ervan te verzekeren dat een harmonieuze ordening in acht wordt genomen ') [nagestreefde] [...] doelstellingen of de principes van het ontwerp van ordonnantie betreffende de milieuvergunning (zie artikel 2 : ' Deze ordonnantie wil de bescherming waarborgen tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting door haar exploitatie, rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken ten opzichte van het leefmilieu, de gezondheid en de veiligheid van de bevolking. Het gaat hierbij zowel om personen uit de directe omgeving van de inrichting als om personen die zich op het grondgebied van de inrichting bevinden en daar als werknemer aanwezig zijn ') niet zouden in acht worden genomen bij gebrek aan een complexer en scherper analyse-instrument dan het effectenverslag, kan de Executieve besluiten om het project te ' herklasseren ' en aan de onderzoeksprocedure voor de in bijlage I bedoelde vergunningsaanvragen te onderwerpen.

Ziehier enkele voorbeelden uit het Brusselse verleden, waarbij sommige inrichtingen het voorwerp hadden kunnen zijn van een afwijkende beslissing tot ' herklassering ' : fase II van de aanleg van het Boudewijnpark, de academische ziekenhuizen Saint-Luc of Erasmus, het AZ-VUB, sommige opslagplaatsen voor olie en gas in Neder-over-Heembeek die zich op honderd meter van woningen bevinden.

In de toekomst zouden bepaalde projecten naargelang hun ligging aan een effectenstudie kunnen onderworpen worden zelfs als ze in bijlage II staan. Dit zou het geval kunnen zijn bijvoorbeeld van een verwerkingsinrichting voor toxische afvalstoffen in de nabijheid van een woongebied of van een project onderworpen aan de Seveso-richtlijn in functie van de woondichtheid in de omgeving » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-162/2, pp. 34-35).

B.5.4. Met betrekking tot de bijlagen van de ordonnantie, die zijn bestemd om de projecten in de ene of de andere categorie te rangschikken, kan in de parlementaire voorbereiding nog worden gelezen dat die er niet toe strekten de bijlagen van de richtlijn 85/337/EEG letterlijk over te nemen :

« De stellers van de richtlijn geven een opsomming in functie van de aard van de bedoelde activiteit. Het ontwerp van ordonnantie berust weliswaar tevens op dit criterium maar vult het aan met de doelstelling vermeld in de vijfde considerans van de richtlijn, met name het al dan niet aanzienlijk karakter van de effecten voortvloeiend uit de geplande activiteiten op het leefmilieu en meer bepaald op het Brusselse stadsmilieu.

Daarom werden bepaalde activiteiten van bijlage II verplaatst naar bijlage I, zodat de realisatie van een effectenstudie niet facultatief is maar wel systematisch. Dit is het geval voor de permanente race- en testbanen voor auto's en motorfietsen, de slibstortplaatsen en de waterzuiveringsinstallaties van meer dan 100 000 inwonersequivalenten » (ibid., p. 16).

B.6. Uit de in het geding zijnde bepalingen en uit de parlementaire voorbereiding die aan de aanneming ervan is voorafgegaan, blijkt dat van de in bijlage A bedoelde projecten onweerlegbaar wordt aangenomen dat zij belangrijke gevolgen voor het leefmilieu hebben en dat zij bijgevolg aan een milieueffectenstudie moeten worden onderworpen. De in bijlage B van het Wetboek vermelde projecten moeten daarentegen in beginsel het voorwerp van een effectenverslag uitmaken. Zij zullen enkel aan een effectenstudie worden onderworpen indien uitzonderlijke omstandigheden zulks verantwoorden, op een bijzonder met redenen omkleed advies van de overlegcommissie waarvan sprake is in artikel 9 van het Wetboek, die de Regering kan aanbevelen om ze te laten uitvoeren. Naar luid van paragraaf 2 van artikel 148 van het Wetboek blijft de Regering vrij te beoordelen of een dergelijke studie al dan niet moet worden uitgevoerd.

B.7.1. De eigenlijke procedure verschilt naargelang het project aan een effectenstudie of aan een effectenverslag wordt onderworpen. De eerste wordt beschreven in de artikelen 129 tot 141 van het BWRO. Aldus moet bij de attest- of vergunningsaanvraag met betrekking tot dergelijke projecten een voorbereidende nota worden gevoegd die het volgende bevat :

« 1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;

2° de aanduiding van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben;

3° een eerste inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein en het EPB-voorstel, met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is en het voorstel inzake energieprestatie en binnenklimaat van gebouwen vastgelegd door de ordonnantie van 7 juni 2007, met inbegrip van de uitvoerbaarheidsstudie indien deze vereist is;

4° een schets van de voornaamste alternatieve oplossingen die werden bestudeerd door de bouwheer en een indicatie van de voornaamste redenen voor zijn keuze, gelet op de gevolgen voor het leefmilieu;

5° de beschrijving van de voornaamste geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of te beperken;

6° voorstellen in verband met de inhoud van het bestek van de effectenstudie en met de keuze van de opdrachthouder;

7° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde elementen ».

Het bestuur wordt vervolgens ermee belast een ontwerp van bestek van de effectenstudie op te stellen en het begeleidingscomité bijeen te roepen dat krachtens artikel 131 van het Wetboek is samengesteld door de Regering en dat bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van iedere gemeente op het grondgebied waarvan het project moet worden uitgevoerd, één vertegenwoordiger van het Brussels Instituut voor Milieubeheer en één vertegenwoordiger van het bestuur. Het ontwerp van bestek wordt onderworpen aan een eerste openbaar onderzoek dat vijftien dagen duurt. De overlegcommissie brengt vervolgens advies uit over dat ontwerp, alsook over de voorstellen inzake de keuze van de opdrachthouder en vervolledigt in voorkomend geval de door het bestuur vastgestelde samenstelling van het begeleidingscomité. Het is het comité in kwestie dat krachtens artikel 132 van het Wetboek het bestek van de studie definitief vaststelt en de termijn bepaalt waarbinnen zij moet worden verricht. Het comité wijst ook de opdrachthouder aan.

In artikel 135 van het BWRO worden de elementen opgesomd die de studie moet bevatten, namelijk :

« 1° de door de aanvrager verstrekte gegevens met betrekking tot de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;

2° de opgave van de voltooide prestaties, de vermelding van de gebruikte analysemethodes en de beschrijving van de ondervonden moeilijkheden met inbegrip van de gegevens gevraagd door de opdrachthouder en die door de aanvrager, zonder enige rechtvaardiging, niet werden meegedeeld;

3° de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de elementen waarop het project gevolgen kan hebben binnen het geografische gebied zoals afgebakend in het bestek;

4° de inventaris en de gedetailleerde en nauwkeurige beoordeling van de effecten van het project en van het bouwterrein;

5° de door de aanvrager verstrekte gegevens omtrent maatregelen die worden gepland om de negatieve effecten van het project en van [...] [het] bouwterrein te vermijden, weg te werken of te beperken;

6° de beoordeling van de doelmatigheid van de in punt 5° vermelde maatregelen onder meer ten opzichte van de bestaande normen;

7° de vergelijking met vervangingsoplossingen die redelijkerwijs in aanmerking kunnen komen, met inbegrip, in voorkomend geval, van het verzaken aan het project, alsmede een beoordeling van hun effecten;

8° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde elementen ».

Het is het begeleidingscomité dat vervolgens de studie afsluit wanneer het van oordeel is dat ze volledig is en de lijst vastlegt van de gemeenten van het Gewest die betrokken zijn bij het project en waarin een openbaar onderzoek met een duur van dertig dagen zal moeten plaatsvinden. De overlegcommissie brengt vervolgens advies uit bij het bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen binnen dertig dagen na de beëindiging van het onderzoek.

B.7.2. Met betrekking tot de in bijlage B bedoelde projecten worden de attest- of vergunningsaanvragen, waarbij een effectenverslag is gevoegd waarvan de inhoud in artikel 143 van het BWRO wordt omschreven, bezorgd aan het bestuur dat het verslag onderzoekt, de lijst vastlegt van de bij het project betrokken gemeenten waarin het openbaar onderzoek zal moeten plaatsvinden, en de gemeente aanwijst die ermee zal worden belast de overlegcommissie bijeen te roepen. De duur van het onderzoek wordt vastgesteld op vijftien dagen. De overlegcommissie brengt vervolgens, binnen dertig dagen na het beëindigen ervan, advies uit bij het bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen.

B.8. Zoals het Hof in B.2.3 heeft opgemerkt, heeft de in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van toepassing zijnde regelgeving het voorwerp uitgemaakt van een niet-nakomingsprocedure die door de Europese Commissie is ingesteld om reden dat artikel 4, leden 2 en 3, van de richtlijn 85/337/EEG, in samenhang gelezen met bijlagen II en III ervan, niet correct zouden zijn omgezet.

De grieven van de Commissie werden aldus overgenomen in het arrest nr. C-435/09 van 24 maart 2011 van het Hof van Justitie van de Europese Unie :

« 96 Met betrekking tot in de eerste plaats de grief inzake artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, is de Commissie van mening dat in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, net als in de Vlaamse regelgeving, geen rekening wordt gehouden met de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de uitvoering van artikel 4, lid 3, van deze richtlijn. Deze lacune is zowel in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op het gebied van de stedenbouwkundige vergunning of de verkavelingsvergunning als in de regelgeving op het gebied van de milieuvergunning te vinden.

97 De Commissie meent dat voor de categorieën 20 tot en met 26 van bijlage B bij het Brusselse wetboek vrijwel alleen het criterium ' omvang van het project ' van bijlage III bij deze richtlijn in aanmerking is genomen om de drempelwaarde vast te stellen aan de hand waarvan kan worden bepaald of het project aan een effectverslag moet worden onderworpen overeenkomstig artikel 142 van dat wetboek.

98 De Commissie benadrukt tevens dat ook in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de milieuvergunning of het milieuattest drempels zijn vastgesteld die enkel betrekking hebben op de omvang van de projecten. Bij wijze van voorbeeld leidt de Commissie uit rubriek 68 van de bijlage bij het Brusselse besluit af dat voor een project inzake meerdere kleine garages die elk bestemd zijn voor minder dan tien wagens, geen effectrapport of effectstudie verplicht is, terwijl het cumulatieve effect van dat project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, welk risico des te groter is indien die inrichtingen zich in een dichtbebouwde omgeving bevinden.

99 Met betrekking tot artikel 11 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betoogt de Commissie dat deze bepaling niet waarborgt dat altijd rekening wordt gehouden met de gezamenlijke effecten van meerdere inrichtingen, aangezien zij alleen van toepassing is indien er sprake is van voldoende technische verwevenheid van de verschillende onderdelen van de uitbatingseenheid.

100 Overigens constateert de Commissie dat het Koninkrijk België met betrekking tot het Brussels Hoofdstedelijk Gewest evenmin heeft aangetoond dat de genoemde alternatieve beoordelingswijzen de milieueffectbeoordeling als bedoeld in artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 vervangen ».

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Koninkrijk België om de volgende redenen de krachtens de richtlijn op het Koninkrijk België rustende verplichtingen niet was nagekomen :

« 104 Zoals uit de in de punten 95 tot en met 101 van het onderhavige arrest samengevatte stukken van de Commissie blijkt, heeft de Commissie de gegrondheid van die grieven rechtens afdoende aangetoond, zonder dat het Koninkrijk België deze grieven heeft weerlegd.

105 Zoals duidelijk uit de stukken van het Koninkrijk België blijkt, betwist deze lidstaat bovendien niet dat de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet overeenstemt met artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en ook in strijd is met bijlage III als zodanig. Die lidstaat geeft overigens te kennen dat een procedure tot wijziging van die regelgeving is ingeleid om aan de grieven van de Commissie tegemoet te komen. Dat wordt beweerd dat aan de vaststelling van een nieuwe regeling wordt gewerkt om ervoor te zorgen dat in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest al deze bepalingen correct worden uitgevoerd, bevestigt de stelling dat deze regelgeving op dit punt onvolledig is (zie in die zin arrest van 9 december 2010, Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 42) » (HvJ, 24 maart 2011, C-435/09, Europese Commissie t. Koninkrijk België).

B.9. De ordonnantiegever vermocht rechtmatig te oordelen dat het onmogelijk was een exhaustieve lijst op te stellen van de projecten die ambtshalve het voorwerp van een effectenstudie moeten uitmaken. Dat is de reden waarom hij, zoals blijkt uit de in B.5.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding, heeft willen voorzien in een procedure die het mogelijk maakt projecten die, bij analyse, door de bevoegde overheid werden geacht belangrijke gevolgen voor het leefmilieu te kunnen hebben, aan een dergelijke studie te onderwerpen.

B.10. Zoals blijkt uit de in B.4.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, moet elk project dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben, het voorwerp van een procedure van milieueffectbeoordeling uitmaken.

Op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel zou niet kunnen worden verantwoord dat dergelijke projecten aan twee verschillende categorieën van procedures worden onderworpen waarvan de ene geen waarborgen inzake raadpleging en onpartijdigheid biedt die vergelijkbaar zijn met die van de andere, terwijl het gaat om projecten waarvan is gebleken dat zij even belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben.

B.11. De ordonnantiegever heeft weliswaar erin voorzien, met de bedoeling zich te gedragen naar de richtlijn 85/337/EEG, dat de projecten die van rechtswege niet aan een effectenstudie worden onderworpen, het voorwerp kunnen uitmaken van een voor elk geval afzonderlijke analyse teneinde te beoordelen of zij aan een dergelijke studie moeten worden onderworpen.

Bij gebrek aan criteria die in overeenstemming zijn met de richtlijn, zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld, die het mogelijk maken de aard te bepalen van de projecten die ambtshalve aan een studie moeten worden onderworpen, alsook bij gebrek aan preciseringen over wat moet worden verstaan onder « uitzonderlijke omstandigheden » die kunnen verantwoorden dat daarvan gebruik wordt gemaakt, is het echter niet mogelijk vooraf te bepalen welke van de in bijlage B van de ordonnantie bedoelde projecten belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben om aan een effectenstudie te worden onderworpen. Daaruit vloeit voort dat sommige van de in de genoemde bijlage bedoelde projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben, zouden kunnen ontsnappen aan de procedure die een effectenstudie vereist, om te worden onderworpen aan die welke een effectenverslag, dat niet dezelfde waarborgen biedt, vereist.

Er wordt derhalve afbreuk gedaan aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen tot gevolg kunnen hebben dat in bijlage B bedoelde projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu hebben, aan een effectenstudie ontsnappen, terwijl projecten van een dergelijke aard krachtens de richtlijn aan een dergelijke studie moeten worden onderworpen.

B.12. Rekening houdend met het feit dat de samenlezing van de artikelen 10 en 11 met artikel 23 van de Grondwet niet tot een ruimere vaststelling van schending kan leiden, dient de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de voormelde grondwetsbepalingen niet te worden onderzocht.

B.13. Daaruit vloeit voort dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vóór de wijziging van de artikelen 127, 128 en 142 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 « tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het BWRO », schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in de in B.11 aangegeven mate.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht

  • Stedenbouw en ruimtelijke ordening

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Milieueffectbeoordeling

  • Stedenbouwkundige vergunningen

  • 1. Projecten bedoeld in de bijlage A van het BWRO

  • Effectenstudie

  • 2. Projecten bedoeld in de bijlage B van het BWRO

  • Effectenverslag. # Europees Unierecht

  • Leefmilieu

  • Milieubeoordeling.