- Arrest van 22 maart 2012

22/03/2012 - 47/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 135 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs schendt noch de artikelen 10, 11, 24, 41 en 162 van de Grondwet, noch artikel 6, § 1, VIII, 1°, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest nr. 212.803 van 27 april 2011 in zake Vilma Vitins tegen de gemeente Frameries, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1) Schendt artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 van het Parlement van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het statuut van de directeurs, in zoverre het de gemeenteraden elke beoordelingsbevoegdheid ontneemt in het kader van de vergelijking van de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten van de kandidaten voor een bevordering in de graad van directeur van een lagere school, met toepassing van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en die gemeenteraad ertoe verplicht in dat ambt het lid van het onderwijzend personeel te benoemen dat voldoet aan de voorwaarden waarin die bepaling voorziet, de artikelen 10, 11, 41 en 162 van de Grondwet, alsook artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat het, in hoofdorde, afbreuk doet aan de bevoegdheid van het Waalse Gewest om de bevoegdheden van zijn gemeenteraad vast te stellen, met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, of op zijn minst, in ondergeschikte orde, de uitoefening van die bevoegdheid onmogelijk of zelfs overdreven moeilijk maakt ?

2) Schendt artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 van het Parlement van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het statuut van de directeurs, in zoverre het die gemeenteraad ertoe verplicht in dat ambt het lid van het onderwijzend personeel te benoemen dat voldoet aan de voorwaarden waarin die bepaling voorziet, de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, aangezien die bepaling erop neerkomt een onevenredige discriminatie tot stand te brengen onder leden van het onderwijzend personeel die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 49 van het decreet van 6 juni 1994 - vóór de wijziging ervan bij het decreet van 2 februari 2007, naargelang het personeelslid al dan niet beschikt over een anciënniteit van 600 dagen op 1 september 2007, waarbij artikel 135 van dat decreet de vereiste van de bij de artikelen 33, 56 en 57 van het decreet van 2 februari 2007 opgelegde stage terzijde schuift, om de enige reden dat het personeelslid het bevorderingsambt uitoefent sinds meer dan 600 dagen op de datum van inwerkingtreding van het decreet - terwijl de uitoefening van die ambten geenszins de geschiktheid van dat personeelslid doet vermoeden en terwijl het op dat niveau van betrekking verantwoord is dat aan een dubbele evaluatie wordt voldaan, zoals de artikelen 33, 56 en 57 van het decreet van 2 februari 2007 voorschrijven, en aangezien aldus op het vlak van de benoemingsvoorwaarden een onredelijk voordeel wordt toegekend aan de personeelsleden die aanspraak kunnen maken op dat artikel 135 ?

3) Schendt artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 van het Parlement van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het statuut van de directeurs, in zoverre het slechts een ambtsanciënniteit van 600 dagen vereist in plaats van 720 dagen zoals aangegeven in artikel 136 in het decreet van 2 februari 2007 voor het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld vóór de inwerkingtreding van dat decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een ambt van directeur, artikel 24, § 4, van de Grondwet, aangezien er geen eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht van het vrij onderwijs en het gesubsidieerd onderwijs bestaan die een aangepaste behandeling zouden verantwoorden ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. De drie prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, dat bepaalt :

« § 1. In afwijking van de bepalingen van dit decreet wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld, vóór de inwerkingtreding van dit decreet, in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dat ambt een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen verworven in het onderwijs met volledig leerplan, in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en/of in het onderwijs voor sociale promotie op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet telt, benoemd in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Het in het 1e lid bedoelde personeelslid kan ook aan de oproepingen tot de kandidaten antwoorden bedoeld in de artikelen 57 tot 60 van dit decreet voor een andere betrekking dan de betrekking dat het lid bezet en binnen die betrekking over de overgangsbepalingen beschikken bedoeld in het 1e lid. In dat kader :

1° Kan het personeelslid dat tijdelijk benoemd is binnen het ambt van directeur van een kleuterschool of van directeur van een lagere school aan een oproep tot kandidaten antwoorden voor een ambt van directeur van een basisschool.

2° Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt binnen het ambt van directeur van een basisschool kan aan een oproep tot kandidaten antwoorden voor een ambt van directeur van een kleuterschool voor zover hij vóór zijn aanstelling tijdelijk aan de toegangsvoorwaarden beantwoord heeft betreffende zijn ambten vastgesteld in tabel II bedoeld in artikel 102 van dit decreet.

§ 2. In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld vóór de inwerkingtreding van dit decreet, in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een selectieambt overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in de betrekking benoemd die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Voor het ambt van werkleider in het onderwijs voor sociale promotie komt het personeelslid bedoeld in het lid dat voorafgaat ook in aanmerking voor deze bepaling indien het aan de voorwaarden van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 101 van dit decreet voldoet.

In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een ander bevorderingsambt dan dit van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, benoemd in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

§ 3. Het personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, in een ander bevorderingsambt of in een selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, krachtens de artikelen 42, § 6 en 50, § 6 van het decreet van 6 juni 1994, komt in aanmerking voor de bepalingen van de vorige paragrafen en wordt geacht de voorwaarde te vervullen van de artikelen 40, eerste lid of 49, eerste lid, 1° van het bovenvermelde decreet zodra het zes jaar anciënniteit telt in het ambt vanaf zijn tijdelijke aanstelling ».

B.1.2. Volgens de memorie van toelichting heeft het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs ten doel « het ambt van de directeur de moderniteit binnen te loodsen door het, zowel op het vlak van het algemeen belang als op persoonlijk vlak, de erkenning en de middelen te geven die verbonden zijn aan de specificiteit ervan » en door voor de directeurs « een specifiek en passend statuut » in het leven te roepen. Met dat doel, en naast andere maatregelen, maakt het decreet « de voorwaarden voor toegang tot het directieambt tussen de netten » eenvormig (Parl. St., Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 339/1, pp. 7-8).

De voorwaarden voor toegang tot het ambt van directeur worden bijgevolg grondig gewijzigd bij het decreet van 2 februari 2007. Dat voert met name een stage in die voorafgaat aan de benoeming of de aanwerving in vast verband als directeur. Die stage, die in beginsel twee jaar duurt, gaat gepaard met een evaluatie op regelmatige tijdstippen.

B.1.3. In verband met artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 wordt in de artikelsgewijze bespreking vermeld :

« Artikel 141 [artikel 135 in de goedgekeurde tekst] voert een overgangsbepaling in voor het huidige personeel dat sinds ten minste 600 dagen vóór de inwerkingtreding van het decreet in het gesubsidieerd officieel onderwijs tijdelijk een bevorderings- of selectieambt uitoefent in het gesubsidieerd officieel onderwijs en dat voldeed aan de voorwaarden voor tijdelijke aanstelling waarin is voorzien in het kader van :

- het decreet van 6 juni 1994 vóór de wijziging ervan bij dit decreet (met inbegrip van het slaagattest dat dat decreet vereiste);

- de koninklijke besluiten van 20 juni 1975 en 30 juli 1975 die van toepassing waren op het gesubsidieerd officieel onderwijs, vóór de opmaak van de tabellen bedoeld in de artikelen 104 en 105 van dit decreet.

Die personeelsleden zullen worden benoemd zodra zij alle oude voorwaarden vervullen die krachtens die teksten op hen van toepassing waren (anciënniteit, vacant zijn van de betrekking, ...) » (Parl. St., Franse Gemeenschap, 2006-2007, nr. 339/1, p. 28).

B.1.4. Vóór de inwerkingtreding van het decreet van 2 februari 2007 waren de voorwaarden voor benoeming in vast verband in het ambt van directeur in het gesubsidieerd officieel onderwijs bepaald in artikel 49 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

In een mogelijkheid van tijdelijke aanstelling was voorzien bij artikel 50, § 1, van datzelfde decreet, dat bepaalde :

« Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden :

1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;

2° in het in artikel 47 bedoeld geval;

3° in afwachting van een benoeming in vast verband.

In die periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin hij vast benoemd is.

In het geval bedoeld in lid 1, 3° en uiterlijk tegen het einde van een periode van twee jaar, wordt het personeelslid in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien hij op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet en indien de inrichtende macht hem er niet van ontlast heeft ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de overeenstemming van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 41 en 162 van de Grondwet en met artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De Raad van State vraagt aan het Hof te onderzoeken of artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007, in zoverre het de gemeenteraad, inrichtende macht van een instelling voor gesubsidieerd officieel onderwijs, ertoe zou verplichten het lid van het onderwijzend personeel dat voldoet aan de voorwaarden waarin die bepaling voorziet in het ambt van directeur van een lagere school te benoemen en de gemeenteraad bijgevolg elke beoordelingsbevoegdheid in die situatie zou ontnemen, afbreuk doet aan de bevoegdheid van de gewesten om de bevoegdheden van de gemeenteraad te bepalen of de uitoefening van die bevoegdheid onmogelijk of zelfs overdreven moeilijk maakt, alsook of dat artikel 135 eveneens een schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel met zich meebrengt aangezien het de gemeenteraad zijn bevoegdheid zou ontnemen om de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten van de kandidaten voor een bevordering in de graad van directeur te beoordelen, een beoordelingsbevoegdheid die moet worden uitgeoefend met inachtneming van dat beginsel.

B.3.1. De gemeenschappen zijn, krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet, bevoegd om het onderwijs te regelen. De Grondwetgever heeft, behoudens de in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet vermelde uitzonderingen, aan de gemeenschappen de volledige bevoegdheid verleend om regels uit te vaardigen die eigen zijn aan de aangelegenheid van het onderwijs. Hiertoe behoren de regels die betrekking hebben op de rechtspositie van het onderwijspersoneel in het algemeen. Het bepalen van de voorwaarden voor de benoeming van de directeurs van door de gemeenschap gesubsidieerde onderwijsinstellingen is vervat in die bevoegdheid.

Teneinde de kwaliteit te verzekeren van het onderwijs dat een publieke financiering geniet, kan de gemeenschapsdecreetgever eisen dat de directeur van een instelling over bepaalde capaciteiten en kwalificaties beschikt en dat hij opleidingen heeft gevolgd. Wanneer de decreetgever meent dat een wijziging in de wetgeving noodzakelijk is op het vlak van de voorwaarden voor toegang tot het ambt van directeur van een onderwijsinstelling, behoort het tot zijn beoordelingsvrijheid de nieuwe wetgeving vergezeld te laten gaan van overgangsmaatregelen die zijn bedoeld om de rechten te vrijwaren die onder de oude wetgeving door de kandidaten voor het beschouwde ambt zijn verworven.

B.3.2. De in het geding zijnde bepaling heeft precies ten doel het recht op een benoeming te waarborgen dat was verworven door de personen die aan de voorwaarden voldeden om in vast verband te worden benoemd ingevolge een tijdelijke aanstelling onder de vroegere wetgeving. Het in het geding zijnde artikel 135 betreft immers de personen die het voordeel van een benoeming in vast verband konden genieten met toepassing van artikel 50, § 1, derde lid, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en heeft ten doel te vermijden dat die personen het voordeel verliezen van een onder de vroegere wetgeving verworven tijdelijke benoeming die hun de mogelijkheid bood een benoeming in vast verband te verkrijgen tegen het einde van een termijn van twee jaar, onder voorbehoud dat zij voldoen aan de in artikel 49 van het decreet van 6 juni 1994 vastgelegde voorwaarden en binnen de termijn van twee jaar niet door de inrichtende macht ervan ontlast zijn.

Met toepassing van het in het geding zijnde artikel 135 genieten de personen die tegelijk voldoen aan de voorwaarde van 600 dagen ambtsanciënniteit en aan de benoemingsvoorwaarden van de vorige regeling derhalve eveneens het recht op een benoeming in vast verband in het ambt van directeur.

B.4. De gewesten zijn, krachtens artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd om de bevoegdheid van de gemeentelijke instellingen te regelen. Die bevoegdheid van de gewesten zou evenwel geen afbreuk mogen doen aan de uitoefening door de gemeenschappen van hun bevoegdheid om de voorwaarden te regelen voor de toegang tot de betrekkingen in de onderwijsinstellingen die zij subsidiëren, ongeacht de inrichtende macht ervan. Wanneer een gemeente de subsidiëring door een gemeenschap wenst te verkrijgen voor het onderwijs dat zij inricht, moet zij, zoals elke andere inrichtende macht, zich voegen naar de door de betrokken gemeenschap aangenomen bepalingen die vastleggen onder welke voorwaarden die subsidiëring wordt verleend. De voorwaarden met betrekking tot de benoeming van de leden van het onderwijzend personeel maken deel uit van die bepalingen.

Door de toegang tot het ambt van directeur van een onderwijsinstelling te reglementeren, doet de Franse Gemeenschap dus geen afbreuk aan de gewestbevoegdheid inzake ondergeschikte besturen.

B.5.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof eveneens verzocht de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en aan de artikelen 10, 11, 41 en 162 van de Grondwet.

Artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 preciseert, in het derde lid ervan, dat de gemeenteraden alles regelen wat van gemeentelijk belang is. Artikel 41, eerste lid, van de Grondwet bepaalt zijnerzijds dat de uitsluitend gemeentelijke belangen door de gemeenteraden worden geregeld. Ten slotte bepaalt het eveneens in de prejudiciële vraag beoogde artikel 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet dat de wet de bevoegdheid van de gemeenteraden voor alles wat van gemeentelijk belang is, verzekert.

Die bepalingen waarborgen de bevoegdheid van de gemeenten voor alles wat tot het gemeentelijk belang behoort. Zij verankeren het beginsel van de lokale autonomie, dat veronderstelt dat de lokale overheden zich elke aangelegenheid kunnen toe-eigenen waarvan zij menen dat het tot hun belang behoort en ze kunnen regelen zoals zij dat opportuun achten.

B.5.2. Artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen heeft in artikel 6, § 1, VIII, 1°, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen het beginsel van de lokale autonomie opgenomen, dat reeds in de Grondwet stond. Hoewel artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de bevoegdheid van de gewesten betreft, is de vermelding van het beginsel van de lokale autonomie in die bepaling een uiting van de uitdrukkelijke wil van de bijzondere wetgever om de inachtneming van dat beginsel op te leggen aan alle politieke collectiviteiten waarop die wet betrekking heeft. Dat beginsel is bijgevolg aan alle wetgevers opgelegd bij de uitoefening van hun eigen bevoegdheden.

B.5.3. Bovendien legt artikel 24, § 4, van de Grondwet, inzake onderwijs, de gemeenschapswetgever de verplichting op rekening te houden met de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht die een aangepaste behandeling verantwoorden van, met name, de personeelsleden. Het beginsel van de lokale autonomie is een eigen karakteristiek van de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs en er moet als zodanig rekening mee worden gehouden.

B.5.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat, wanneer de Franse Gemeenschap de voorwaarden regelt voor de toegang tot de betrekkingen in het gemeentelijk onderwijs, zij ertoe is gehouden het beginsel van de gemeentelijke autonomie in acht te nemen.

Bovendien zou de gemeenschapswetgever evenmin vermogen een bepaling aan te nemen die, wanneer de bevoegde gemeentelijke overheid iemand benoemt in een betrekking in het onderwijs, haar zou beletten het in artikel 10 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijke toegang tot de openbare bedieningen in acht te nemen.

B.5.5. Het beginsel van de lokale autonomie veronderstelt dat de lokale overheden zich elke aangelegenheid kunnen toe-eigenen waarvan zij menen dat het tot hun belang behoort en ze kunnen regelen zoals zij dat opportuun achten. Dat beginsel doet echter geen afbreuk aan de verplichting van de gemeenten om, wanneer zij optreden op grond van het gemeentelijk belang, de hiërarchie der normen in acht te nemen. Daaruit vloeit voort dat wanneer de federale Staat, een gemeenschap of een gewest een aangelegenheid regelen die onder hun bevoegdheid valt, de gemeenten aan die reglementering zijn onderworpen bij de uitoefening van hun bevoegdheid in diezelfde aangelegenheid. Wanneer de Franse Gemeenschap te dezen een reglementering aanneemt met betrekking tot het gesubsidieerd officieel onderwijs, beperkt zij daardoor de autonomie van de gemeenten die als inrichtende machten optreden.

De inbreuk op de bevoegdheid van de gemeenten en bijgevolg op het beginsel van de lokale autonomie die elk optreden, hetzij positief, hetzij negatief, van de federale Staat, de gemeenschappen of de gewesten inhoudt in een aangelegenheid die tot hun bevoegdheid behoort, zou enkel strijdig zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen, waarbij de bevoegdheid van de gemeenten wordt gewaarborgd voor alles wat van gemeentelijk belang is, wanneer ze kennelijk onevenredig is.

B.6.1. De in het geding zijnde bepaling heeft alleen ten doel de rechten te vrijwaren die zijn verworven door de personen die vóór de wijziging van de artikelen 49 en 50 van het decreet van 6 juni 1994 bij de artikelen 76 en 77 van het decreet van 2 februari 2007 tijdelijk benoemd waren in het ambt van directeur. Die personen konden immers rechtmatig verwachten dat zij ingevolge die tijdelijke benoeming na afloop van een termijn van twee jaar in vast verband zouden worden benoemd, op voorwaarde dat zij vóór het verstrijken van die termijn niet van het ambt van directeur zouden zijn ontlast en dat zij voldoen aan de andere benoemingsvoorwaarden. De in het geding zijnde bepaling laat hen toe dat vooruitzicht op een vaste benoeming te bewaren, ondanks de aanzienlijke wijzigingen die door het nieuwe decreet van 2 februari 2007 aan de voorwaarden voor toegang tot het ambt van directeur zijn aangebracht.

Per definitie hebben de in die bepaling beoogde personen één of meer tijdelijke benoemingen genoten waartoe werd beslist door de bevoegde gemeentelijke overheid die als inrichtende macht optreedt. Die overheid heeft, op het ogenblik van die benoemingen, de gelegenheid gehad de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten van de verschillende kandidaten te vergelijken en de capaciteiten van de tijdelijk benoemde persoon te beoordelen in de loop van de twee volgende jaren. De gemeenteraad heeft eveneens de mogelijkheid gehad om, wanneer hij zulks opportuun of noodzakelijk achtte, gedurende die termijn aan de aanstelling een einde te maken.

B.6.2. De in het geding zijnde bepaling heeft dus niet tot gevolg kunnen hebben de gemeenteraad te beletten de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten van de kandidaten te vergelijken bij de tijdelijke benoemingen die per definitie plaats hebben gehad vóór de inwerkingtreding ervan. Zij heeft evenmin tot gevolg gehad de gemeenteraad te beletten aan de tijdelijke aanstelling een einde te maken vóór de in artikel 50, § 1, vastgelegde termijn van twee jaar is bereikt.

B.6.3. Uit het voorgaande volgt dat artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het beginsel van de lokale autonomie, gewaarborgd door de artikelen 41, eerste lid, en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet en door artikel 6, VIII, § 1, 1°, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en niet onbestaanbaar is met artikel 10 van de Grondwet.

B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.8. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007 met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. De Raad van State vraagt aan het Hof of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie tot stand brengt onder de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden die waren bepaald in artikel 49 van het decreet van 6 juni 1994 vóór de wijziging ervan bij het decreet van 2 februari 2007, naargelang zij zich op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 2 februari 2007 al dan niet kunnen beroepen op een anciënniteit van ten minste 600 dagen in het tijdelijk uitgeoefende bevorderingsambt. Alleen de personen die een anciënniteit van ten minste 600 dagen hebben verworven, genieten het voordeel van de in het geding zijnde overgangsbepaling. De kandidaten voor het ambt van directeur die zich niet kunnen beroepen op een anciënniteit van 600 dagen in het ambt zijn daarentegen onderworpen aan de nieuwe voorwaarden die in het decreet van 2 februari 2007 zijn bepaald om als directeur te kunnen worden benoemd, en moeten daartoe met name een stage van twee jaar vervullen.

B.9.1. Het staat in beginsel aan de decreetgever om, wanneer hij beslist regelgeving te wijzigen, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen, met name teneinde de verworven rechten of de gewettigde verwachtingen van de adressaten van de vroegere norm te vrijwaren. Door voorlopig de oude reglementering voor één categorie van personen te handhaven, brengt elke overgangsbepaling een verschil in behandeling tot stand tussen diegenen op wie zij van toepassing is en diegenen die niet het voordeel ervan genieten en op wie bijgevolg de nieuwe regeling wordt toegepast. Een dergelijk onderscheid kan niet op zich als discriminerend worden beschouwd. Het zou het in de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel slechts schenden indien het door de decreetgever in aanmerking genomen criterium om het toepassingsgebied van de overgangsmaatregel te bepalen, niet relevant zou zijn ten aanzien van het doel van de in het geding zijnde regelgeving.

B.9.2. Te dezen stemt het door de decreetgever in aanmerking genomen criterium van onderscheid, dat verband houdt met de anciënniteit in de tijdelijke uitoefening van het ambt van directeur waarop de kandidaten voor dat ambt zich kunnen beroepen, overeen met de termijn die was bepaald in artikel 50 van het decreet van 6 juni 1994 vóór de wijziging ervan bij het decreet van 2 februari 2007, luidens hetwelk de persoon die tijdelijk in de betrekking van directeur was benoemd in afwachting van een benoeming in vast verband en die voldeed aan de in artikel 49 van hetzelfde decreet bepaalde voorwaarden, diende te worden benoemd indien hij vóór die termijn niet van het ambt was ontlast. Dat criterium is dus klaarblijkelijk niet zonder relevantie.

B.9.3. Ten slotte kon de inrichtende macht, zoals in B.6.1 in herinnering is gebracht, gedurende de termijn van twee jaar bepaald in artikel 50 van het decreet van 6 juni 1994, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 2 februari 2007, een einde maken aan de tijdelijke aanstelling, indien zij van mening was dat de betrokken persoon niet over de vereiste capaciteiten en geschiktheid beschikte voor de uitoefening van het ambt van directeur. Zodoende was de inrichtende macht niet verplicht de betrokken persoon aan het eind van de termijn van twee jaar te benoemen. In dat geval zou de betrokken persoon zich niet kunnen beroepen op de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde anciënniteit van 600 dagen. Het is derhalve onjuist te betogen, zoals uiteengezet in de prejudiciële vraag, dat het feit het ambt van directeur uit te oefenen krachtens een tijdelijke aanstelling en in dat ambt een anciënniteit van 600 dagen te verwerven « geenszins de geschiktheid » van de betrokken persoon « doet vermoeden ».

B.10. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag

B.11. In de derde prejudiciële vraag verzoekt de Raad van State het Hof artikel 135 van het decreet van 2 februari 2007, in zoverre het de anciënniteit die van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt geëist om het voordeel van die overgangsbepaling te kunnen genieten, op 600 dagen bepaalt, te vergelijken met artikel 136 van hetzelfde decreet, dat, hoewel het in een soortgelijke overgangsbepaling voorziet voor de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, de anciënniteit die is vereist om het voordeel ervan te genieten op 720 dagen bepaalt. Aangezien de eigen karakteristieken van de betrokken inrichtende machten dat verschil in behandeling niet zouden kunnen verantwoorden, zou het strijdig zijn met artikel 24, § 4, van de Grondwet.

B.12. De berekeningswijze van de anciënniteit van de leden van het onderwijzend personeel is niet dezelfde in de verschillende netten. Met toepassing van artikel 29bis van het decreet van 1 februari 1993 « houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs », wordt, voor de berekening van de anciënniteit als tijdelijke, het aantal dagen dat wordt geteld vanaf het begin tot het einde van de periode van ononderbroken activiteit immers met 1,2 vermenigvuldigd. Een jaar activiteit stemt dus in het gesubsidieerd vrij onderwijs overeen met 360 dagen anciënniteit. In het gesubsidieerd officieel onderwijs daarentegen, stemt, met toepassing van artikel 34, § 1, van het decreet van 6 juni 1994, een jaar activiteit overeen met 300 dagen anciënniteit.

Uit het voorgaande volgt dat, door de anciënniteit die door de betrokken personeelsleden moet worden verworven om, krachtens de overgangsbepaling waarin zij voorzien, het voordeel van de toepassing van de regelgeving die dateert van vóór de inwerkingtreding van het decreet van 2 februari 2007 te kunnen genieten, respectievelijk op 600 en 720 dagen te bepalen, de artikelen 135 en 136 van hetzelfde decreet geen verschil in behandeling invoeren tussen de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en die van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

B.13. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 135 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs schendt noch de artikelen 10, 11, 24, 41 en 162 van de Grondwet, noch artikel 6, § 1, VIII, 1°, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 135 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, gesteld door de Raad van State. Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de gemeenschappen

  • Onderwijs

  • Gesubsidieerd officieel onderwijs

  • Gemeentelijk onderwijs

  • Statuut van de directeurs

  • Benoemingsvoorwaarden

  • 2. Bevoegdheden van de gewesten

  • Ondergeschikte besturen

  • Gemeenten

  • 3. Beginsel van de lokale autonomie

  • Evenredigheidsbeginsel # Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Gesubsidieerd officieel onderwijs

  • Rechtspositie van het personeel

  • Directeur van een onderwijsinstelling

  • Toegang tot het beroep

  • Overgangsbepalingen. # Rechten en vrijheden

  • Gelijkheid inzake onderwijs.