- Arrest van 22 maart 2012

22/03/2012 - 49/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 50, § 7, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, zoals het was geredigeerd vóór de vervanging ervan bij artikel 77 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, schendt de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 215.307 van 23 september 2011 in zake Myriam Gouy tegen de gemeente La Bruyère, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 september 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Geeft artikel 50, § 7, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, zoals het van kracht was op 14 september 2006, dat bepaalt dat een aanstelling in een bevorderingsambt kan worden beëindigd bij een beslissing van de inrichtende macht, geen aanleiding tot een onverantwoord verschil in behandeling tussen de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en die van het gesubsidieerd vrij onderwijs die, volgens artikel 60, § 3, van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals het van kracht was op 14 september 2006, het voorwerp moeten uitmaken van een ontslagprocedure die beantwoordt aan de regels van dat decreet opdat een einde kan worden gemaakt aan de tijdelijke uitoefening, van onbepaalde duur, van hun bevorderingsambt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 50, § 7, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, zoals het was geredigeerd vóór de vervanging ervan bij artikel 77 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Artikel 50 bepaalde toen :

« § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden :

1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;

2° in het in artikel 47 bedoeld geval;

3° in afwachting van een benoeming in vast verband.

In die periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin hij vast benoemd is.

In het geval bedoeld in lid 1, 3° en uiterlijk tegen het einde van een periode van twee jaar, wordt het personeelslid in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien hij op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet en indien de inrichtende macht hem er niet van ontlast heeft.

[...]

§ 7. De tijdelijke [aanstelling] in een [bevorderingsambt] neemt een einde, voor het geheel of voor een deel van de opdracht, in gemeen overleg, bij beslissing van de inrichtende macht of volgens de bepalingen van artikel 22, lid 1. Het einde van het schooljaar heeft echter geen invloed op de tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt ».

B.2. Artikel 22 van hetzelfde decreet, zoals het was geredigeerd vóór de wijziging ervan bij artikel 66 van het voormelde decreet van 2 februari 2007, bepaalde :

« Art. 22. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt neemt van ambtswege een einde voor de gehele opdracht of voor een deel ervan :

1° op het ogenblik dat de titularis van de betrekking of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, terugkeert;

2° op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk personeelslid volledig of gedeeltelijk aan een ander personeelslid wordt toegekend, hetzij :

a) door toepassing van de regeling betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de reaffectatie;

b) bij toepassing van artikel 29, § 1;

c) bij toepassing van artikel 29, § 2;

d) door een vaste benoeming;

e) door toewijzing van een definitief vacant geworden betrekking aan een prioritair tijdelijke;

3° vanaf de datum van ontvangst van de brief waarbij de Franse Gemeenschap die de weddetoelage toekent, meedeelt dat het uitgeoefende ambt niet meer volledig of gedeeltelijk gesubsidieerd mag worden;

4° op de in de aanstellingsakte vermelde termijn en uiterlijk op het einde van het schooljaar tijdens welk de aanstelling gebeurde;

5° vanaf de ontvangst van het advies van de sociaal-medische rijksdienst waarbij het tijdelijk personeelslid definitief ongeschikt wordt bevonden.

De tijdelijke aanstelling in een wervingsambt neemt ook een einde, voor een gedeeltelijke of een volledige opdracht, door opzegging overeenkomstig de artikelen 25, 26 en 27 of in gemeen overleg, of met toepassing van artikel 25, § 2 ».

B.3.1. Artikel 60, § 3, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals het was geredigeerd vóór de vervanging ervan bij artikel 97 van het voormelde decreet van 2 februari 2007, bepaalde :

« Ingeval een personeelslid in vast verband titularis is, sinds minstens zes jaar, van een wervings- of een selectieambt dat minstens een halve opdracht omvat in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum, kan een bevorderingsambt hem toegewezen worden in afwachting van een aanwerving in vast verband, voor zover hij aan de in artikel 59, lid 1, 1° en 4°, vastgestelde voorwaarden voldoet.

Uiterlijk tegen het einde van de periode van twee jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant geworden is, wordt het personeelslid in vast verband aangeworven in een bevorderingsambt indien de inrichtende macht hem niet heeft ontslagen uit dit bevorderingsambt volgens de bepalingen van Hoofdstuk VIII ».

B.3.2. Tot de bepalingen van hoofdstuk VIII waarnaar die bepaling verwijst, behoren een artikel 71septies, § 1, eerste lid, en een artikel 71nonies die, in de redactie ervan op het ogenblik van de feiten van het geschil en die eraan was gegeven bij artikel 46 van het decreet van 19 december 2002 tot wijziging van sommige bepalingen aangaande het statuut van de leden van het gesubsidieerd personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs, bepaalden :

« Artikel 71septies. § 1. Behalve wanneer hij aangeworven is door de inrichtende macht op grond van zijn rangschikking in groep 1 bedoeld in artikel 34, § 1, tweede lid, 1°, bij deze inrichtende macht, kan het personeelslid ontslagen worden mits een met redenen omklede opzegtermijn van veertien dagen. Het personeelslid wordt vooraf uitgenodigd om zich te laten horen. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht overweegt het personeelslid te ontslaan moeten hem minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht, hetzij bij aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij door ontvangst van een brief dat onderhands wordt overhandigd met bewijs van ontvangst. Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden in actieve dienst of met rust uit het gesubsidieerd vrij onderwijs of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is ».

« Artikel 71nonies. De overeenkomsten gesloten met de personeelsleden die tijdelijk aangeworven zijn in een selectie- of bevorderingsambt lopen ten einde :

- ambtshalve overeenkomstig artikel 71quater, met uitzondering van 4°;

- bij wederzijds akkoord overeenkomstig artikel 71quinquies;

- bij ontslag overeenkomstig artikel 71sexies;

- bij ontslag met opzegtermijn overeenkomstig artikel 71septies, § 1, eerste lid;

- bij ontslag zonder opzegtermijn wegens zware fout overeenkomstig artikel 71octies ».

B.4.1. Door te bepalen dat de inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs kan beslissen de tijdelijke aanstelling van een leerkracht in een bevorderingsambt te beëindigen, creëert artikel 50, § 7, van het voormelde decreet van 6 juni 1994 een verschil in behandeling tussen de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en die van het gesubsidieerd vrij onderwijs die het voorwerp hebben uitgemaakt van een soortgelijke aanstelling, doordat de inrichtende macht kan beslissen die aanstelling te beëindigen door hen te ontslaan krachtens artikel 60 van het voormelde decreet van 1 februari 1993, en doordat dat ontslag voorzien is van de waarborgen bepaald in artikel 71, § 1, eerste lid, van dat decreet.

B.4.2. In tegenstelling tot hetgeen de gemeente La Bruyère beweert, bevinden de twee in B.4.1 vermelde categorieën van personen zich in een situatie die voldoende vergelijkbaar is omdat het in beide gevallen om maatregelen gaat waarbij een tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt wordt beëindigd.

B.5. De rechtspositie van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, evenals die van het personeel van het gemeenschapsonderwijs, berust op een eenzijdige aanstelling en is statutair van aard.

Wat het ontstaan van de rechtsverhouding in het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, worden in het decreet van 1 februari 1993, in tegenstelling tot de rechtspositie van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, de termen « tijdelijke aanwerving » en « aanwerving in vast verband » gebruikt (artikelen 30 en 42). De parlementaire voorbereiding bevestigt dat het personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs zich in een contractuele rechtsverhouding bevindt :

« De contractuele aard van de rechtsverhouding tussen de leerkracht en de inrichtende macht, alsook de grondwettelijk beschermde vrijheid waarover die laatste moet beschikken, onder meer bij de keuze van het personeel dat belast is met de toepassing van haar pedagogisch project, hebben tot gevolg dat de modaliteiten voor aanwerving en ontslag, de wederzijdse verplichtingen en de regels betreffende de vastheid van betrekking moeten verschillen ten opzichte van het statuut van de leerkrachten van het gemeenschapsonderwijs :

[...]

3° inzake vastheid van betrekking impliceert de contractuele vrijheid de mogelijkheid om, mits inachtneming van de wettelijke bepalingen, een werknemer te ontslaan » (Parl. St., Raad van de Franse Gemeenschap, 1992, nr. 61/1, pp. 2 en 3).

B.6. De verwijzende rechter, die een verschil in behandeling in het geding brengt, verwijst naar de artikelen 10 en 11, en naar artikel 24, § 4, van de Grondwet, dat het gelijkheidsbeginsel in onderwijszaken nader specificeert.

Artikel 24, § 4, van de Grondwet bepaalt :

« Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden ».

B.7. Hoewel de gelijke behandeling van personeelsleden het uitgangspunt is, staat artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschillende behandeling toe op voorwaarde dat die gegrond is op de eigen karakteristieken van de inrichtende machten. In de parlementaire voorbereiding van de decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994 wordt aangegeven dat de decreetgever zich daarvan bewust was (Parl. St., Raad van de Franse Gemeenschap, 1992, nr. 61/1, pp. 2 en 3; ibid., 1993-1994, nr. 61/1, p. 2).

Een van die karakteristieken is precies de juridische aard van de inrichtende machten, die in het gesubsidieerd vrij onderwijs privaatrechtelijke en in het gesubsidieerd officieel onderwijs publiekrechtelijke instellingen of rechtspersonen zijn, wat de verschillende aard van de rechtsverhouding in het ene en het andere net tussen de personeelsleden en hun werkgever kan bepalen.

In de parlementaire voorbereiding van artikel 24, § 4, van de Grondwet wordt, bij wijze van voorbeeld van een objectief verschil dat gegrond is op de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, verwezen naar de rechtspositie van het personeel waarmee een inrichtende macht in het vrij onderwijs een arbeidsovereenkomst sluit (Parl. St., Senaat, B.Z., 1988, nr. 100-1°/1, p. 6).

B.8. Het kenmerk van een publiekrechtelijk statuut is dat het eenzijdig wordt vastgesteld, in voorkomend geval na onderhandeling of overleg.

Het kenmerk van een privaatrechtelijke arbeidsverhouding is dat ze wordt vastgesteld in een overeenkomst krachtens welke een werknemer zich tegen betaling ertoe verbindt werkzaamheden te verrichten onder het gezag van een werkgever, onverminderd de door de bevoegde wetgever vastgestelde dwingende bepalingen.

B.9. Het gelijkheidsbeginsel inzake onderwijs kan niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de Grondwet vervatte waarborgen.

Artikel 24, § 1, van de Grondwet stelt : het onderwijs is vrij. Die bepaling houdt in, enerzijds, dat de onderwijsverstrekking geen aan de overheid voorbehouden aangelegenheid is en, anderzijds, dat een inrichtende macht van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zo lang zij zich houdt aan de bepalingen ter zake van subsidiëring, kwaliteitsbewaking en gelijkwaardigheid van diploma's en getuigschriften - welke voorwaarden te dezen niet aan de orde zijn - een onderwijs vermag aan te bieden dat, in tegenstelling met dat van het officieel onderwijs, op een filosofische, ideologische of godsdienstige opvatting van eigen keuze is gebaseerd.

Die vrijheid van onderwijs impliceert de vrijheid voor de inrichtende macht om het personeel te kiezen dat wordt tewerkgesteld met het oog op de verwezenlijking van de eigen onderwijsdoelstellingen. De vrijheid van keuze werkt derhalve door in de arbeidsverhouding tussen die inrichtende macht en haar personeel. Zij verantwoordt dat de aanstelling en benoeming van het personeel in het gesubsidieerd vrij onderwijs bij overeenkomst gebeuren en dat zij via ontslag kunnen worden beëindigd; het is omdat men een « meer aangepaste terminologie » wilde gebruiken (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 330/1, p. 11) dat dit begrip het begrip « ambtsontheffing » heeft vervangen toen het voormelde decreet van 1 februari 1993 werd gewijzigd bij het decreet van 19 december 2002.

B.10. De overheid die onderwijs organiseert, doet dat daarentegen op basis van hetgeen de openbare dienstverlening vereist, en beschikt daartoe over prerogatieven van de openbare macht. De decreetgever vermocht bijgevolg te bepalen dat een tijdelijke aanstelling in een bevorderingsambt kon worden beëindigd bij een eenvoudige beslissing van de inrichtende macht en niet door middel van een ontslag met inachtneming van een opzegtermijn, omdat het aangestelde personeelslid niet gebonden is door een arbeidsovereenkomst. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voor de Raad van State aanvoert - haar argumentatie wordt weergegeven in de motivering van het verwijzingsarrest -, dient die beslissing niet te worden gelijkgesteld met een ontslag.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling kan bijgevolg worden verantwoord door de rechtspositie van het onderwijzend personeel waarnaar, zoals aangegeven in B.7, de parlementaire voorbereiding van artikel 24, § 4, van de Grondwet verwijst.

B.11. Dat verschil in behandeling heeft geen onevenredige gevolgen omdat de betrokken leerkracht beschikt over de waarborgen die, naar gelang van het geval, voortvloeien uit de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen » of uit de algemene beginselen van het administratief recht, waaronder het beginsel « audi alteram partem » krachtens hetwelk hem vooraf de kans moet worden geboden om te worden gehoord en zich in voorkomend geval te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een derde. In dat opzicht en in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voor de Raad van State beweert, kan de maatregel die tegen haar is genomen, niet worden geacht - onverminderd de beoordeling van het geval van deze zaak, die de verwijzende rechter toekomt - een maatregel te zijn die niet ernstig zou zijn en derhalve niet zou zijn omringd door de waarborgen die uit de toepassing van die algemene beginselen voortvloeien.

B.12. Uit het voorgaande volgt dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 50, § 7, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, zoals het was geredigeerd vóór de vervanging ervan bij artikel 77 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, schendt de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

begin

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 50, § 7, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, zoals het van kracht was op datum van 14 september 2006, gesteld door de Raad van State. Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Beëindiging van de tijdelijke aanstelling van een leerkracht in een bevorderingsambt

  • 1. Gesubsidieerd vrij onderwijs

  • Ontslag

  • 2. Gesubsidieerd officieel onderwijs

  • Beslissing van de inrichtende macht # Rechten en vrijheden

  • 1. Gelijkheid inzake onderwijs

  • 2. Vrijheid van onderwijs.