- Arrest van 29 maart 2012

29/03/2012 - 50/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 442quater, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 6 januari 2011 in zake de Belgische Staat tegen Fulvia Latragna, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 april 2011, heeft de Rechtbank van Koophandel te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 442quater, § 2, van het WIB 1992, zoals het werd ingevoegd bij de programmawet van 20 juli 2006, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat het, in het kader van de aansprakelijkheid van de bedrijfsleiders, ten aanzien van de fiscus strengere regels invoert dan ten aanzien van de andere schuldeisers aan wie hun fout schade zou berokkenen, en/of doordat het de bedrijfsleiders aan strengere, van het gemeen recht afwijkende regels onderwerpt voor de betaling van de bedrijfsvoorheffing dan, ten opzichte van diezelfde bedrijfsleiders, voor de betaling van de andere belastingen (met uitzondering van de btw, waarvoor een soortgelijke bepaling geldt), waarvoor de regels van het gemeen recht van toepassing blijven ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 442quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), dat bepaalt :

« § 1. In geval van tekortkoming, door een vennootschap of door een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing, zijn de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.

Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon indien in hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

Onder bestuurder van een vennootschap of van een rechtspersoon in de zin van dit artikel wordt verstaan, elke persoon die, in feite of in rechte, de bevoegdheid heeft of heeft gehad om de vennootschap of de rechtspersoon te besturen, met uitsluiting van de gerechtelijke mandatarissen.

§ 2. De herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid, bedoelde fout.

Onder herhaalde inbreuken op de verplichting tot betaling van de bedrijfsvoorheffing in de zin van dit artikel, wordt verstaan :

- ofwel, voor een trimestriële schuldenaar van de voorheffing, het gebrek aan betaling van ten minste twee vervallen schulden binnen een periode van een jaar;

- ofwel, voor een maandelijkse schuldenaar van de voorheffing, het gebrek aan betaling van ten minste drie vervallen schulden binnen een periode van een jaar.

§ 3. Er is geen vermoeden van fout in de zin van § 2, eerste lid, indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon kan slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en interesten, van de schulden inzake bedrijfsvoorheffing.

§ 5. De rechtsvordering tegen aansprakelijke bestuurders is slechts ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf een door de ontvanger bij ter post aangetekende brief verzonden kennisgeving, waarin de geadresseerde verzocht wordt de nodige maatregelen te treffen om de tekortkoming te verhelpen of om aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hen begane fout.

Deze bepaling verhindert evenwel niet dat de met de invordering belaste ambtenaar, binnen voormelde termijn, bewarende maatregelen vordert ten laste van het vermogen van de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon aan wie een kennisgeving is toegezonden ».

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van paragraaf 2 van die bepaling met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat zij, in het kader van de aansprakelijkheid van de bedrijfsleiders, ten aanzien van de fiscus strengere regels invoert dan ten aanzien van de andere schuldeisers aan wie hun fout schade zou berokkenen, en/of doordat zij de bedrijfsleiders aan strengere, van het gemeen recht afwijkende regels onderwerpt voor de betaling van de bedrijfsvoorheffing dan, ten opzichte van diezelfde bedrijfsleiders, voor de betaling van de andere belastingen (met uitzondering van de btw, waarvoor een soortgelijke bepaling geldt), waarvoor de regels van het gemeen recht van toepassing blijven.

B.3. Artikel 442quater van het WIB 1992 vindt zijn oorsprong in artikel 14 van de programmawet van 20 juli 2006. Die bepaling voorziet in een hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van een vennootschap of van een rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding ervan in geval van tekortkoming, door de vennootschap of door de rechtspersoon bedoeld in paragraaf 1, aan haar of zijn verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing indien die tekortkoming te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek die zij hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon ( § 1).

Paragraaf 2 van die bepaling, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, betreft de herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing, die wordt gedefinieerd als een gebrek aan betaling van ten minste twee of drie vervallen schulden binnen een periode van een jaar, naargelang de voorheffing trimestrieel of maandelijks verschuldigd is. Die paragraaf 2 vermoedt op weerlegbare wijze dat zulk een herhaalde tekortkoming een bestuursfout vormt in de zin van paragraaf 1.

B.4. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 20 juli 2006 volgt dat de wetgever een einde heeft willen stellen aan de onzekerheden die uit de rechtspraak en de rechtsleer voortvloeiden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de bestuurders, « door een bijzondere regel van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders te bepalen wanneer het gebrek aan betaling van de bedrijfsvoorheffing of van de BTW het gevolg is van een fout in het beheer van de onderneming » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2517/002, p. 5). Hij heeft zich in dat verband geïnspireerd op het Nederlandse recht en op het Franse recht, en verantwoordt de bepaling als volgt :

« [...] - het gaat om gelden die de onderneming heeft ontvangen (BTW) of heeft ingehouden op de bezoldigingen (bedrijfsvoorheffing) zonder ze door te storten aan de Schatkist terwijl ze, gelet op hun aard, niet kunnen geacht worden deel uit te maken van de financiële middelen van de onderneming;

- het niet-betalen van de bedrijfsvoorheffing of van de belasting over de toegevoegde waarde heeft een negatieve impact op de concurrentiepositie van de ondernemingen die hun fiscale schulden tijdig vereffenen;

- het niet-betalen van de bedrijfsvoorheffing en van de belasting over de toegevoegde waarde beïnvloedt onbetwistbaar de inkomsten van de Overheid in de mate waarin die inhoudingen een niet-verwaarloosbaar deel uitmaken van de openbare financiën » (ibid.).

Uit die parlementaire voorbereiding volgt ook dat de wetgever niet de bestuurders die « te goeder trouw » zijn heeft willen beogen :

« Daar kwade trouw, in de regel, slechts kan verondersteld worden, is het aan de administratie om te bewijzen dat de bestuurder waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang komt, de fout in het beheer van de onderneming heeft begaan.

Evenwel, in het geval van een herhaaldelijk verzuim van de vennootschap, wordt een vermoeden juris tantum ingevoerd en is het aan de bestuurder om te bewijzen dat hij geen fout heeft gemaakt » (ibid., p. 6).

Er werd verder nog gepreciseerd dat de bestuurder :

« een fout [moet hebben] begaan. Rekening houdend met de diverse bevoegdheden van de betrokkene, zal de rechtbank moeten oordelen wat zijn of haar échte aansprakelijkheidsniveau binnen de onderneming is » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2517/012, p. 20).

De wetgever heeft ook voorzien in een preventief mechanisme dat de administratie verplicht om vooraf de bestuurder die zij aansprakelijk wil stellen, te verwittigen (paragraaf 5 van artikel 442quater van het WIB 1992).

B.5. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, heeft het verschil in behandeling daadwerkelijk betrekking op personen, en niet op schuldvorderingen, en zijn de twee door de prejudiciële vraag beoogde categorieën van schuldeisers vergelijkbaar.

B.6. De in het geding zijnde maatregel berust op een criterium dat samenhangt met het doel van de wetgever, zoals vermeld in B.4, dat erin bestaat de rechten van de Schatkist en de concurrentiepositie van de ondernemingen te vrijwaren. De bestuurders die door de bepaling worden beoogd, kunnen immers enkel aansprakelijk worden gesteld indien de verplichting tot betaling van de bedrijfsvoorheffing herhaaldelijk niet is nagekomen. De wetgever heeft in dat verband rekening gehouden met het feit dat die verplichting betrekking heeft op bedragen die voor rekening van derden moeten worden betaald. Aangezien de opbrengst van de belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die strekken tot de behartiging van het algemeen belang, dient overigens te worden aangenomen dat van de regels van het gemeen recht mag worden afgeweken.

B.7. De in het geding zijnde maatregel is evenmin onevenredig. De wetgever heeft enkel voorzien in een vermoeden van fout in geval van een herhaalde tekortkoming, en dat vermoeden kan worden weerlegd indien de bestuurder aantoont dat hij geen bestuursfout heeft begaan. Overigens moet een aansprakelijkheidsvordering worden ingesteld bij een rechtsinstantie die moet nagaan of alle wettelijke voorwaarden zijn vervuld om de bestuurder burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen. De toegang tot een rechter die een volwaardige toetsing uitvoert, is voor de betrokken bestuurders bijgevolg gewaarborgd.

B.8. De in het geding zijnde bepaling voert geen voorrecht in, noch een vrijstelling of vermindering van belasting. Zij is dus niet onbestaanbaar met artikel 172 van de Grondwet.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 442quater, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 442quater, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 14 van de programmawet van 20 juli 2006, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Bergen. Aansprakelijkheid van bedrijfsleiders

  • Inkomstenbelastingen

  • Herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing

  • Weerlegbaar vermoeden van fout.