- Arrest van 19 april 2012

19/04/2012 - 56/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 februari 2012, heeft Guy Kleynen, wonende te 1150 Brussel, Albatroslaan 17, een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 174/1 en 313 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij de artikelen 28 en 33 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, vierde editie).

Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1.1. De vordering tot schorsing heeft betrekking op artikel 28 en artikel 33 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, die artikel 174/1 en artikel 313 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) respectievelijk invoegen en vervangen.

Die artikelen bepalen :

« Art. 174/1. § 1. Er wordt uitsluitend in het voordeel van de Staat een bijkomende heffing op roerende inkomsten ingevoerd, gelijkgesteld met de personenbelasting, ten laste van de belastingplichtigen die interesten en dividenden ontvangen waarvan het totale netto bedrag hoger is dan 13.675 euro.

Deze heffing wordt vastgelegd op 4 pct. van het deel van de dividenden en interesten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, dat het totale netto bedrag van 13.675 euro overschrijdt.

Het netto bedrag van het inkomen wordt bepaald overeenkomstig artikel 22, § 1.

De dividenden en interesten onderworpen aan een tarief van 10 of 25 pct. en de in artikel 171, 3°quinquies, bedoelde inkomsten uit spaardeposito's worden niet onderworpen aan deze heffing.

Om te beoordelen of de grens van 13.675 euro is overschreden, worden in eerste instantie de dividenden en interesten waarop de heffing niet van toepassing is, berekend. De dividenden bedoeld in artikel 171, 2°, f, moeten evenwel niet worden meegerekend.

§ 2. De in artikel 261 bedoelde schuldenaars van de roerende voorheffing moeten aan het centraal aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden, de gegevens toezenden met betrekking tot de dividenden en interesten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, en met identificatie van de verkrijgers van de inkomsten.

Wanneer de verkrijger van de inkomsten kiest voor een inhouding van de bijkomende heffing op roerende inkomsten, bovenop de roerende voorheffing, wordt het bedrag van die inkomsten niet medegedeeld aan het centraal aanspreekpunt.

Wanneer de verkrijger van de inkomsten niet kiest voor de inhouding van bijkomende heffing op roerende inkomsten, wordt die bijkomende heffing in voorkomend geval gevestigd op het moment van de berekening van de personenbelasting op basis van de gegevens uit de aangifte, eventueel aangevuld met de bij het aanspreekpunt gemelde gegevens die niet waren aangegeven.

Het centraal aanspreekpunt zendt, wat een welbepaalde belastingplichtige betreft, de informatie die nodig is voor de juiste toepassing van dit artikel met betrekking tot de hier beoogde inkomsten, toe aan de bevoegde operationele fiscale administratie die erom verzoekt. Wanneer, met betrekking tot een belastingplichtige, het totaal van alle tijdens een jaar medegedeelde roerende inkomsten 13.675 euro overschrijdt, zendt het centraal aanspreekpunt de inlichtingen betreffende die belastingplichtige automatisch toe aan de bevoegde operationele fiscale administratie.

De Koning bepaalt de modaliteiten voor het toezenden van de informatie aan het centraal aanspreekpunt door de schuldenaars van de roerende voorheffing en aan de operationele fiscale administraties door het centraal aanspreekpunt.

§ 3. De inhoudingen aan de bron van de heffing worden geregeld bij de bepalingen van toepassing in Titel VI inzake roerende voorheffing behalve wanneer hiervan wordt afgeweken.

De Koning kan bijzondere regels vastleggen met betrekking tot de inhouding aan de bron van de heffing.

De bepalingen van Titel VII zijn van toepassing op de heffing behalve wanneer hiervan wordt afgeweken ».

« Art. 313. De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn ertoe gehouden in hun jaarlijkse aangifte in de voormelde belasting de inkomsten van roerende goederen en kapitalen bedoeld in artikel 17, § 1, alsmede de in artikel 90, 6° en 11°, bedoelde diverse inkomsten, te vermelden behalve wanneer het gaat om in artikel 171, 2°ter, bedoelde interesten en dividenden die zijn onderworpen aan de inhouding aan de bron van de heffing bedoeld in artikel 174/1.

De roerende voorheffing en de inhouding aan de bron van de heffing bedoeld in artikel 174/1 op de aldus niet aangegeven inkomsten wordt noch met de personenbelasting verrekend, noch terugbetaald ».

B.1.2. Die wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 30 december 2011 en de bestreden bepalingen zijn van toepassing op de inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2012 (artikel 38). De vordering tot schorsing is dus binnen de termijnen ingesteld.

B.2.1. De verzoeker verantwoordt zijn belang om in rechte te treden, door aan te voeren dat hij, in onverdeeldheid met zijn echtgenote en zijn kinderen, houder is van een effectenportefeuille bij een Belgische bank.

De Ministerraad betwist het belang van de verzoeker niet uitdrukkelijk, maar merkt op dat de bestreden bepalingen niet alle roerende inkomsten beogen en dat, gelet op artikel 127 van het WIB 1992, een onderscheid dient te worden gemaakt tussen het bedrag van de inkomsten die de verzoeker ontvangt en dat van de inkomsten die zijn echtgenote ontvangt.

B.2.2. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken.

B.2.3. De hoedanigheid van belastingplichtige in de personenbelasting van de verzoekende partij, houder van roerende inkomsten die kunnen worden beoogd door de door haar bestreden bepalingen, volstaat voor haar om te doen blijken van het belang om die te betwisten.

B.2.4. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht.

B.3. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.

B.4. Zoals de Ministerraad opmerkt, bevat de vordering tot schorsing geen uitdrukkelijke uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de verzoekende partij aanvoert om die vordering te motiveren. Het verzoekschrift bevat evenwel een « tiende middel dat specifiek is voor de vordering tot schorsing » en dat verwijst naar « onherstelbare gevolgen voor de belastingplichtigen die [...] het slachtoffer zijn » van de maatregelen waarin de bestreden bepalingen voorzien en waarvan kan worden aangenomen, mogelijkheid waarop de Ministerraad wijst, dat het de elementen bevat die de verzoekende partij aanvoert om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen dat zou voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen.

B.5. De verzoekende partij voert in hoofdzaak aan dat de bestreden bepalingen rechtsonzekerheid tot stand brengen voor de verkrijgers van dividenden en interesten die, rekening houdend met de maatregelen tot uitvoering van die bepalingen genomen door zowel de FOD Financiën als de bankinstelling waar de verzoekende partij klant is, ertoe leidt dat al die inkomsten worden onderworpen aan de bijkomende heffing van 4 pct. die bij het voormelde artikel 174/1 is ingevoerd, en dat de bankgegevens van de verkrijgers worden meegedeeld aan het in diezelfde bepaling bedoelde « centraal aanspreekpunt », zonder het die verkrijgers mogelijk te maken om na te gaan of zij, gelet op hun persoonlijke situatie, de heffing al dan niet zijn verschuldigd en zonder ermee rekening te houden dat de belasting slechts verschuldigd is boven een bepaalde inkomstendrempel. Een dergelijke maatregel zou niet evenredig zijn, gelet op het beperkte bedrag van de in het geding zijnde fiscale opbrengst, het beperkte aantal betrokken belastingplichtigen, de schade die die maatregel aan de economie van het land kan aanrichten, de kosten die hij met zich meebrengt en het feit dat hij de belastingplichtigen ertoe zal aanzetten zich te wenden tot beleggingen die niet aan de bestreden maatregel zijn onderworpen.

B.6. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen.

Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.7. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel kan niet als ernstig en moeilijk te herstellen worden beschouwd, in zoverre het een financieel nadeel betreft dat kan worden hersteld in geval van de vernietiging van de bestreden maatregelen.

Bovendien levert de verzoekende partij geen enkel bewijs van een nadeel dat verbonden is aan een eventuele schending van het fiscaal bankgeheim, voordat het Hof zich zal hebben uitgesproken over het beroep tot vernietiging. Overigens koppelt zij de elementen van het door haar aangevoerde nadeel aan maatregelen tot uitvoering van de door haar bestreden bepalingen, zodat dat nadeel, in de veronderstelling dat het vaststaat en als ernstig en moeilijk te herstellen zou kunnen worden beschouwd, niet als zodanig voortvloeit uit de bestreden bepalingen.

Ten slotte kunnen de algemene beschouwingen die de verzoekende partij formuleert in verband met de algemene gevolgen die de bestreden bepalingen of de uitvoering ervan op het vlak van de rechtsonzekerheid zouden hebben voor het gedrag van de belastingplichtigen of voor de Belgische economie in het algemeen, niet de elementen vormen van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat bij de bijzondere wet van 6 januari 1989 is bedoeld.

B.8. Aangezien niet vaststaat dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan veroorzaken, dient niet te worden nagegaan of de in het in het kader van de vordering tot schorsing aangevoerde middelen als ernstig kunnen worden beschouwd.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 april 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van de artikelen 174/1 en 313 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij de artikelen 28 en 33 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Guy Kleynen. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Bijkomende heffing op roerende inkomsten # Schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel.