- Arrest van 3 mei 2012

03/05/2012 - 58/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 februari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 februari 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 92, 93, 95 en 96 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 22 juli 2010 « houdende verschillende maatregelen inzake goed bestuur, bestuurlijke vereenvoudiging, energie, huisvesting, fiscaliteit, werkgelegenheid, luchthavenbeleid, economie, leefmilieu, ruimtelijke ordening, plaatselijke besturen, landbouw en openbare werken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 augustus 2010, derde editie) door Jean-Claude Dierckx, wonende te 4600 Wezet, Allée Verte 77, en Henri Gérard, wonende te 4684 Haccourt, rue des 7 Bonniers 80.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 92 en 95 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 22 juli 2010 « houdende verschillende maatregelen inzake goed bestuur, bestuurlijke vereenvoudiging, energie, huisvesting, fiscaliteit, werkgelegenheid, luchthavenbeleid, economie, leefmilieu, ruimtelijke ordening, plaatselijke besturen, landbouw en openbare werken » met de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5, leden 2 en 4, met artikel 6, lid 3, en met artikel 14, lid 1, van de richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 « betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade », en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.2.1. In het enige middel wordt het Hof in eerste instantie verzocht om de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met artikel 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet te onderzoeken.

B.2.2. Artikel 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

[...]

4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu ».

Die bepaling bevat een standstill-verplichting die de bevoegde wetgever verbiedt om het beschermingsniveau van het leefmilieu, dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate te verminderen zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

B.2.3. De bestreden bepalingen worden in de eerste plaats bekritiseerd in die zin dat zij de omwonenden van een verontreinigde site de waarborg ontnemen dat een sanering van die site zal worden overwogen.

Artikel 18 van het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer voert onder meer een verplichting in om een oriënteringsonderzoek uit te voeren, een verplichting om in voorkomend geval een karakteriseringsonderzoek uit te voeren, en een verplichting om in voorkomend geval een sanering uit te voeren van de verontreinigde bodem waarop de voormelde onderzoeken betrekking hebben. Die verplichtingen ontstaan in de omstandigheden beschreven in de artikelen 19 tot 21 van hetzelfde decreet. Diegenen voor wie die verplichtingen gelden, worden geïdentificeerd bij de artikelen 22 tot 26 van hetzelfde decreet.

Zonder dat moet worden onderzocht of, vóór de aanneming van de bestreden bepalingen, het decreet van 5 december 2008 de omwonenden van een verontreinigde site de waarborg bood dat een sanering van die site zou worden overwogen, dient erop te worden gewezen dat de bestreden bepalingen de voormelde verplichtingen niet afschaffen, noch de regels betreffende het ontstaan ervan en de identificatie van diegenen voor wie ze gelden in enig opzicht wijzigen.

B.2.4.1. De bestreden bepalingen worden in de tweede plaats bekritiseerd in die zin dat zij tot gevolg hebben dat een eventueel saneringsproject voor een verontreinigd terrein slechts zou steunen op vrijwillig uitgevoerde onderzoeken, die zelf gebaseerd zijn op analyses die enkel « geacht worden te voldoen » aan het decreet van 5 december 2008 en die zijn uitgevoerd door laboratoria die niet specifiek erkend zijn.

B.2.4.2. De omstandigheid dat een saneringsproject voor een verontreinigd terrein niet meer zou steunen op onderzoeken die door de overheid worden opgelegd, maar enkel op vrijwillig uitgevoerde onderzoeken, volstaat op zich niet om een aanzienlijke achteruitgang in het beschermingsniveau van het leefmilieu aan te tonen, beschermingsniveau dat men met een saneringsproject overigens wil verhogen.

B.2.4.3.1. De bij het decreet van 5 december 2008 bepaalde analyses moeten door een erkend laboratorium worden uitgevoerd (artikel 27, § 1, tweede lid) dat de voorwaarden in acht neemt die door de Regering zijn vastgesteld ter uitvoering van het decreet (artikel 27, § 2).

Een saneringsproject heeft tot doel de uitvoeringswijze te bepalen van de sanering van een verontreinigd terrein (artikel 53, eerste lid, van het decreet van 5 december 2008). De auteur ervan moet in principe geen enkele analyse uitvoeren (artikel 53, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet).

Een saneringsproject moet niettemin, in principe, worden voorafgegaan door een karakteriseringsonderzoek (artikel 53, tweede lid, 1° en 2°, van hetzelfde decreet), of minstens door een oriënteringsonderzoek (artikel 53, vierde lid, eerste streepje, van hetzelfde decreet). Een oriënteringsonderzoek dient om de eventuele aanwezigheid van een bodemverontreiniging op te sporen en om, in voorkomend geval, een eerste omschrijving van die verontreiniging en een eerste raming van de omvang ervan te geven (artikel 37 van hetzelfde decreet). Een oriënteringsonderzoek bevat een analyse om vast te stellen of een risicoanalyse nodig is (artikel 38, tweede lid, 6°, van hetzelfde decreet). Een karakteriseringsonderzoek bevat een omstandige omschrijving en lokalisering van de bodemverontreiniging opdat de administratie zich kan uitspreken over de noodzaak en de modaliteiten van een sanering van het terrein (artikel 43, eerste lid, van hetzelfde decreet). Wanneer een oriënteringsonderzoek wordt gevolgd door een saneringsproject zonder dat vooraf een karakteriseringsonderzoek is uitgevoerd, moet de auteur van dat project een analyse laten uitvoeren (artikel 53, vierde lid, van hetzelfde decreet).

B.2.4.3.2. De auteur van een saneringsproject dat wordt ingediend met toepassing van artikel 92bis van het decreet van 5 december 2008, ingevoegd bij artikel 92 van het programmadecreet van 22 juli 2010, moet ook analyses uitvoeren (artikel 92bis, § 2, c)).

B.2.4.3.3. Op het ogenblik van de aanneming van het programmadecreet van 22 juli 2010 was geen enkel laboratorium erkend ter uitvoering van het decreet van 5 december 2008 (Parl. St., Waals Parlement, 2009-2010, nr. 203/1, p. 16; ibid., nr. 203/35, bijlage 5, p. 4).

Geen enkele van de voormelde analyses kon dus worden uitgevoerd, zodat het niet mogelijk was om een oriënterings- of karakteriseringsonderzoek te doen, of een saneringsproject op te stellen (ibid.).

B.2.4.3.4. Bij artikel 93bis, eerste lid, van het decreet van 5 december 2008, ingevoegd bij artikel 95 van het decreet van 22 juli 2010, wordt met de erkenning bedoeld in artikel 27 van het decreet van 5 december 2008 gelijkgesteld, de erkenning die wordt verleend aan laboratoria voor de analyse van afvalstoffen, ter uitvoering van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 juli 1987 « betreffende het toezicht op de uitvoering van de bepalingen inzake afval en giftig afval » en van artikel D.147 van boek I van het Milieuwetboek. Die gelijkstelling geldt slechts tot 31 maart 2011.

Die bepaling maakt derhalve de uitvoering mogelijk van de analyses die onontbeerlijk zijn voor de voormelde onderzoeken en saneringsprojecten, waardoor de administratie kan worden verzocht om zich uit te spreken over saneringsprojecten, hetgeen zij voordien niet kon doen, bij gebrek aan erkende laboratoria.

Vóór de opheffing ervan bij artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 5 december 2008 « tot invoeging van een deel VIII in het regelgevende deel van Boek I van het Milieuwetboek », voorzag het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 juli 1987 in de erkenning van laboratoria belast met de analyse van monsters met betrekking tot de afvalstoffen bedoeld in het decreet van het Waalse Gewest van 5 juli 1985 met betrekking tot de afvalstoffen en in de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval (artikelen 1 en 7 van dat besluit). De erkenning van zulk een laboratorium veronderstelt dat het beschikt over « lokalen, materiaal alsmede over de nodige apparaten en wetenschappelijke documentatie [...] om [...] [die] ontledingen uit te voeren », en over « technisch personeel bevoegd voor de aard en het belang van die ontledingen » (artikel 8.2 van hetzelfde besluit).

Genomen ter uitvoering van artikel D.147 van boek I van het Milieuwetboek, organiseren de artikelen R.101 tot R.105 van dat Boek de erkenning van laboratoria belast met de officiële analyse van monsters, waartoe opdracht wordt gegeven door de personeelsleden die toezien op de naleving van onder meer het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen », en de reglementen die krachtens dat decreet zijn genomen (artikelen D.138, D.139, 1°, D.140, D.146, 3°, en D.147 van boek I van het Milieuwetboek). Die artikelen R.101 tot R.105 zijn in werking getreden op de dag van de opheffing van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 juli 1987, zijnde 6 februari 2009. De erkenning van zulk een laboratorium ter uitvoering van die artikelen veronderstelt eveneens dat het beschikt « over de lokalen, het materieel, alsook de apparatuur en de [wetenschappelijke] documentatie die nodig zijn voor de uitvoering van [die] analyses » en over « technisch personeel dat geschikt is voor de aard en het belang van genoemde analyses » (artikel R.103, tweede lid).

B.2.4.3.5. Uit het voorgaande volgt dat artikel 93bis, eerste lid, van het decreet van 5 december 2008, ingevoegd bij artikel 95 van het programmadecreet van 22 juli 2010, het beschermingsniveau van het leefmilieu inzake bodembeheer verhoogt.

B.2.4.4.1. Zoals vermeld in B.2.4.3.3 kon, bij gebrek aan erkende laboratoria, geen enkele van de analyses bedoeld in het decreet van 5 december 2008 worden uitgevoerd vóór de aanneming van artikel 95 van het programmadecreet van 22 juli 2010, zodat het niet mogelijk was een saneringsproject op te stellen.

Het decreet van 5 december 2008 stelt geen enkele norm vast om de overeenstemming van een door een erkend laboratorium uitgevoerde analyse te beoordelen.

B.2.4.4.2. Bij artikel 93bis, tweede lid, van het decreet van 5 december 2008, ingevoegd bij artikel 95 van het programmadecreet van 22 juli 2010, wordt een analyse uitgevoerd door een in B.2.4.3.4 bedoeld laboratorium, conform het eerstgenoemde decreet geacht.

Net zoals het eerste lid ervan, maakt het tweede lid van artikel 93bis van het decreet van 5 december 2008 het mogelijk dat de administratie wordt verzocht zich uit te spreken over saneringsprojecten, wat zij voordien niet kon doen, bij gebrek aan erkende laboratoria.

B.2.4.4.3. Uit het voorgaande volgt dat artikel 93bis, tweede lid, van het decreet van 5 december 2008, ingevoegd bij artikel 95 van het programmadecreet van 22 juli 2010, het beschermingsniveau van het leefmilieu inzake bodembeheer verhoogt.

B.2.5. In de derde plaats wordt artikel 92bis van het decreet van 5 december 2008, ingevoegd bij artikel 92 van het programmadecreet van 22 juli 2010, verweten dat het de omwonenden van een verontreinigde site het recht ontneemt om de administratie, met kennis van zaken, uitspraak te horen doen over een saneringsproject.

Die bepaling staat in bepaalde omstandigheden toe dat een saneringsproject wordt ingediend zonder een voorafgaand oriënterings- of karakteriseringsonderzoek. Dat project moet niettemin een groot aantal gegevens bevatten (artikel 92bis, § 2) die de administratie in staat stellen om zich met kennis van zaken uit te spreken. De administratie kan in voorkomend geval de persoon die dat saneringsproject indient, verzoeken om haar ontbrekende stukken en gegevens te bezorgen (artikel 55, eerste lid, van het decreet van 5 december 2008). De administratie wordt ook ertoe gemachtigd om een aantal instanties te raadplegen over het haar voorgelegde saneringsproject (artikelen 56 tot 58). Bovendien is de administratie niet verplicht dat project goed te keuren aan het einde van de procedure van onderzoek ervan (artikel 62, §§ 2 en 3).

De administratie blijft dus vrij om zich met kennis van zaken over een saneringsproject uit te spreken.

B.2.6. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 92 en 95 van het programmadecreet van 22 juli 2010 het beschermingsniveau van het leefmilieu dat door de van toepassing zijnde wetgeving wordt geboden, niet in aanzienlijke mate verminderen, zodat zij niet onbestaanbaar zijn met artikel 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet.

B.3.1. In het enige middel wordt het Hof vervolgens verzocht om de bestaanbaarheid te onderzoeken, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 92bis van het decreet van 5 december 2008, zoals ingevoegd bij artikel 92 van het programmadecreet van 22 juli 2010, doordat die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van omwonenden van een historisch verontreinigd terrein en dat het voorwerp zou uitmaken van een saneringsproject : enerzijds, diegenen die de toepassing van de artikelen 37 tot 46 en 53 van het decreet van 5 december 2008 genieten en, anderzijds, diegenen die ze niet genieten.

B.3.2. De artikelen 37 tot 46 en 53 van het decreet van 5 december 2008 zijn niet van toepassing zolang de Waalse Code van goede praktijken niet door de administratie is bekendgemaakt.

In afwachting van deze bekendmaking kan geen enkele omwonende derhalve de toepassing van die bepalingen genieten, zodat het bekritiseerde verschil in behandeling niet bestaat.

B.3.3. Uit het voorgaande volgt dat artikel 92 van het programmadecreet van 22 juli 2010 niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.1. In het enige middel wordt het Hof vervolgens verzocht om de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen te onderzoeken met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, leden 2 en 4, met artikel 6, lid 3, en met artikel 14, lid 1, van de richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004.

De bestreden bepalingen worden in die zin bekritiseerd dat zij het Waalse Gewest verhinderen om te bepalen dat het moet worden geïnformeerd over onmiddellijke dreigingen van milieuschade, en dat zij de exploitant van een verontreinigde site ontslaan van de verplichting om preventieve of herstelmaatregelen te nemen en om een zekerheid te stellen.

B.4.2.1. Artikel 5 van die richtlijn, met als opschrift « Preventieve acties », bepaalt :

« 1. De exploitant neemt onverwijld de nodige preventieve maatregelen wanneer zich nog geen milieuschade heeft voorgedaan maar een onmiddellijke dreiging bestaat dat dergelijke schade zal ontstaan.

2. De lidstaten bepalen dat exploitanten wanneer zulks dienstig is, en in ieder geval wanneer een onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de door de betrokken exploitant genomen preventieve maatregelen niet verdwijnt, verplicht zijn de bevoegde instantie zo spoedig mogelijk over alle relevante aspecten van de situatie te informeren.

3. De bevoegde instantie kan te allen tijde :

a) de exploitant verplichten informatie te verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in gevallen waarin zulk een onmiddellijke dreiging vermoed wordt;

b) de exploitant verplichten de vereiste preventieve maatregelen te nemen;

c) de exploitant instructies geven die bij het nemen van de nodige preventieve maatregelen opgevolgd moeten worden; of

d) zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.

4. De bevoegde instantie eist dat de preventieve maatregelen door de exploitant worden genomen. Indien een exploitant niet de verplichtingen nakomt waarin lid 1 of lid 3, onder b of c, voorziet, niet kan worden geïdentificeerd, of uit hoofde van deze richtlijn niet verplicht is de kosten te dragen, kan de bevoegde instantie zelf deze maatregelen nemen ».

Artikel 6 van dezelfde richtlijn, met als opschrift « Herstelmaatregelen », bepaalt :

« 1. Wanneer milieuschade zich heeft voorgedaan, stelt de exploitant onverwijld de bevoegde instantie in kennis van alle relevante aspecten van de situatie en treft hij :

a) elke haalbare maatregel om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke gezondheid of verdere aantasting van functies te beperken of te voorkomen; en

b) de nodige herstelmaatregelen in overeenstemming met artikel 7.

2. De bevoegde instantie kan te allen tijde :

a) de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over enige schade die zich heeft voorgedaan;

b) zelf elke haalbare maatregel nemen om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke gezondheid, of verdere aantasting van functies te beperken of te voorkomen, dan wel de exploitant daartoe verplichten of hem daartoe instructies geven;

c) de exploitant verplichten de nodige herstelmaatregelen te treffen;

d) de exploitant instructies geven die hij bij het nemen van de nodige herstelmaatregelen moet naleven; of

e) zelf de nodige herstelmaatregelen treffen.

3. De bevoegde instantie eist dat de herstelmaatregelen door de exploitant worden genomen. Indien de exploitant de verplichtingen van lid 1 of lid 2, onder b), c) of d), niet nakomt, niet kan worden geïdentificeerd, of niet verplicht is de kosten uit hoofde van deze richtlijn te dragen, kan de bevoegde instantie, als laatste redmiddel, zelf deze maatregelen nemen ».

Artikel 14 van de richtlijn van 21 april 2004, met als opschrift « Financiële zekerheid », bepaalt :

« 1. De lidstaten nemen maatregelen om de geëigende economische en financiële actoren aan te moedigen financiële-zekerheidsinstrumenten en -markten te ontwikkelen, met inbegrip van financiële mechanismen voor gevallen van insolventie, opdat de exploitanten gebruik kunnen maken van financiële garanties om hun verantwoordelijkheden krachtens deze richtlijn na te komen.

2. Vóór 30 april 2010 dient de Commissie een verslag in over de doeltreffendheid van de richtlijn wat betreft het feitelijke herstel van milieuschade alsmede over de beschikbaarheid tegen redelijke kosten en onder voorwaarden van verzekering en andere typen financiële zekerheden inzake de onder bijlage III van deze richtlijn vallende activiteiten. Wat de financiële zekerheden betreft, bestrijkt het verslag tevens de volgende aspecten : een geleidelijke aanpak, een plafond voor financiële garanties en de uitsluiting van activiteiten met een laag risico. In het licht van het verslag en van een uitgebreide effectenbeoordeling, inclusief een kosten-batenanalyse, kan de Commissie voorstellen doen tot invoering van een systeem van geharmoniseerde verplichte financiële zekerheid ».

B.4.2.2. Onder « milieuschade » in de zin van die richtlijn, wordt onder meer verstaan « bodemschade, dat wil zeggen elke vorm van bodemverontreiniging die een aanmerkelijk risico inhoudt voor negatieve effecten op de menselijke gezondheid, waarbij direct of indirect op, in of onder de bodem, stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aangebracht zijn » (artikel 2.1, c), van de richtlijn van 21 april 2004), waarbij schade « een meetbare negatieve verandering [is] in de natuurlijke rijkdommen of een meetbare aantasting van een ecosysteemfunctie, die direct of indirect optreedt » (artikel 2, lid 2, van dezelfde richtlijn).

Een « onmiddellijke dreiging van schade » is een « voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst milieuschade zal voordoen » (artikel 2, lid 9, van dezelfde richtlijn).

Een « preventieve maatregel » is een « maatregel naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of nalatigheid waardoor een onmiddellijke dreiging van milieuschade is ontstaan, teneinde die schade te voorkomen of tot een minimum te beperken » (artikel 2, lid 10, van dezelfde richtlijn).

Een « herstelmaatregel » is een « maatregel of combinatie van maatregelen, met inbegrip van inperkende of tussentijdse maatregelen, gericht op herstel, rehabilitatie of vervanging van de aangetaste natuurlijke rijkdommen en/of ecosysteemfuncties, of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor rijkdommen of functies, als bedoeld in bijlage II » van de richtlijn van 21 april 2004 (artikel 2, lid 11, van dezelfde richtlijn).

Een exploitant is een « particuliere of openbare natuurlijke persoon of rechtspersoon die de beroepsactiviteit verricht of regelt, of, als dit in de nationale wetgeving is bepaald, aan wie een doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch functioneren van een dergelijke activiteit is overgedragen, met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor het verrichten van een dergelijke activiteit of de persoon die een dergelijke activiteit laat registreren of er kennisgeving van doet » (artikel 2, lid 6, van dezelfde richtlijn).

B.4.3.1. De artikelen 92bis en 93bis van het decreet van 5 december 2008 hebben niet tot doel, noch tot gevolg, het Waalse Gewest te verhinderen dat het wordt geïnformeerd over een onmiddellijke dreiging van milieuschade in de zin van de richtlijn 2004/35/EG, of een exploitant te ontslaan van de verplichting om preventieve of herstelmaatregelen te nemen.

De bestreden bepalingen hebben daarentegen tot doel de toepassing van het decreet van 5 december 2008 mogelijk te maken en saneringshandelingen en -werken toe te staan.

B.4.3.2. De vrijstelling van een zekerheidstelling bepaald bij artikel 92bis, § 1, van het decreet van 5 december 2008, verhindert het Waalse Gewest geenszins om maatregelen te nemen die ertoe strekken de ontwikkeling van financiëlezekerheidsinstrumenten en -markten zoals bedoeld in artikel 14 van de richtlijn 2004/35/EG, aan te moedigen.

B.4.4. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 92bis en 93bis van het decreet van 5 december 2008 niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, leden 2 en 4, met artikel 6, lid 3, en met artikel 14, lid 1, van de richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004.

B.5.1. Ten slotte blijkt uit de uiteenzetting van het verzoekschrift dat het Hof in het enige middel wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 92bis van het decreet van 5 december 2008, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die laatste bepaling het recht op een gezond leefmilieu waarborgt.

De bestreden wetskrachtige bepaling wordt in die zin bekritiseerd dat zij de verplichting opheft om over te gaan tot de saneringshandelingen en -werken van een verontreinigd terrein, en dat zij de administratie ertoe machtigt een saneringsproject goed te keuren dat niet zou zijn voorafgegaan door een oriënterings- of karakteriseringsonderzoek.

B.5.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Een ernstige aantasting van het leefmilieu kan iemands welzijn schaden en hem het genot van zijn woning in die mate ontnemen dat zijn privé- en gezinsleven wordt geschaad (EHRM, 9 december 1994, Lopez-Ostra t. Spanje, § 51; EHRM, grote kamer, 19 februari 1998, Guerra en anderen t. Italië, § 60; EHRM, 27 januari 2009, Tatar t. Roemenië, § 97; EHRM, 10 januari 2012, Di Sarno en anderen t. Italië, § 104).

B.5.3. De uiteenzetting van het enige middel met betrekking tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, valt samen met die welke betrekking heeft op de zogenaamde schending van artikel 23 van de Grondwet.

B.5.4. Uit het voorgaande volgt dat artikel 92bis van het decreet van 5 december 2008 niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.6. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 92, 93, 95 en 96 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 22 juli 2010 « houdende verschillende maatregelen inzake goed bestuur, bestuurlijke vereenvoudiging, energie, huisvesting, fiscaliteit, werkgelegenheid, luchthavenbeleid, economie, leefmilieu, ruimtelijke ordening, plaatselijke besturen, landbouw en openbare werken », ingesteld door Jean-Claude Dierckx en Henri Gérard. Milieurecht

  • Waalse Gewest

  • Bescherming van het leefmilieu

  • Bodemsanering. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu

  • Standstill-verplichting

  • 2. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. # Europees recht

  • Leefmilieu

  • Voorkomen en herstellen van milieuschade.