- Arrest van 3 mei 2012

03/05/2012 - 60/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

In zoverre het de jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar en ten aanzien van wie ten minste drie maanden vóór zijn meerderjarigheid geen eerder vonnis werd uitgesproken, de mogelijkheid ontzegt alle beschermende maatregelen te genieten bedoeld in artikel 37, § 2, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », schendt artikel 37, § 3, tweede lid, 2°, van de wet van 8 april 1965 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 31 mei 2011 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen J.R. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juni 2011, heeft de Jeugdrechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 37, § 3, van de wet van 8 april 1965 (gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006) in zoverre het de jongere die op het ogenblik van feiten ouder is dan 16 jaar maar jonger dan 17 jaar en ten aanzien van wie in de drie maanden voorafgaand aan zijn meerderjarigheid geen enkel vonnis werd uitgesproken, het voordeel ontzegt van alle beschermende maatregelen bedoeld in artikel 37, § 2, de artikelen 10, 11 en/of 22bis van de Grondwet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 37, § § 1 en 2, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » preciseert de maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding, hierna « beschermende maatregelen » genoemd, die de jeugdrechtbank kan bevelen ten aanzien van de voor haar gebrachte personen.

Artikel 37, § 3, eerste en tweede lid, van die wet, zoals gedeeltelijk gewijzigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », bepaalt :

« De onder § 2, 2° tot 11°, bedoelde maatregelen worden geschorst wanneer de betrokkene onder de wapens is. Ze nemen een einde wanneer hij de leeftijd van achttien jaar bereikt.

Ten aanzien van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen kunnen deze maatregelen, onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60, evenwel :

1° op verzoek van de betrokkene dan wel, indien de betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt, op vordering van het openbaar ministerie, bij vonnis voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, worden verlengd. Het verzoek of de vordering moet binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de dag waarop de betrokkene meerderjarig wordt, bij de rechtbank worden ingesteld;

2° bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd van zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd ».

Het tweede lid, 2°, van dat artikel 37, § 3, is nog gewijzigd bij artikel 7, 7°, d), van de voormelde wet van 13 juni 2006, maar die wijziging treedt pas in werking op 1 januari 2013, rekening houdend met artikel 3 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (II) en met artikel 13 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II). Die wijziging bestaat erin de woorden « twintig jaar » te vervangen door de woorden « drieëntwintig jaar » en de woorden « zeventien jaar » door de woorden « zestien jaar ».

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het voormelde artikel 37, § 3, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in zoverre het de jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar en ten aanzien van wie ten minste drie maanden vóór zijn meerderjarigheid geen eerder vonnis werd uitgesproken, de mogelijkheid ontzegt alle beschermende maatregelen bedoeld in artikel 37, § 2 te genieten.

B.2.2. Uit de feiten van het geding en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Jeugdrechtbank zich moet uitspreken over een zaak met betrekking tot een jongere die meerderjarig is geworden, wordt vervolgd wegens het plegen van een misdaad op de leeftijd van zestien jaar en ten aanzien van wie uitsluitend voorlopige maatregelen zijn genomen; de procureur des Konings vordert dat die Jeugdrechtbank de zaak uit handen geeft.

Artikel 57bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 stelt de beslissing tot uithandengeving evenwel afhankelijk van het oordeel van de jeugdrechtbank over de ongeschiktheid van een beschermende maatregel.

Uit de combinatie van de artikelen 37, § 3, tweede lid, 2°, en 57bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 vloeit voort dat de personen die na de leeftijd van achttien jaar voor de jeugdrechtbank worden gebracht wegens het plegen van een als misdrijf omschreven feit, anders worden behandeld naargelang zij dat feit hebben gepleegd op de leeftijd van zestien jaar dan wel op de leeftijd van zeventien jaar. In het tweede geval kunnen zij het voorwerp uitmaken van beschermende maatregelen tot de leeftijd van twintig jaar en een uithandengeving door de jeugdrechtbank vermijden wanneer die rechtbank oordeelt dat de beschermende maatregelen geschikt zijn; in het eerste geval kunnen zij niet het voorwerp uitmaken van alle beschermende maatregelen, waardoor bovendien de jeugdrechtbank haar bevoegdheid wordt ontnomen om te oordelen of die maatregelen al dan niet geschikt zijn en bijgevolg om al dan niet een uithandengeving te bevelen.

B.2.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, geeft de verwijzende rechter de twee categorieën van personen die met elkaar moeten worden vergeleken, duidelijk aan. De prejudiciële vraag is bijgevolg ontvankelijk.

B.3. De mogelijkheid om de beschermende maatregelen te verlengen tot na de leeftijd van achttien jaar, vindt haar oorsprong in de wet van 19 januari 1990 « tot verlaging van de leeftijd van burgerlijke meerderjarigheid tot achttien jaar ».

De wetgever heeft willen vermijden dat de verlaging van de leeftijd van burgerlijke meerderjarigheid tot achttien jaar ertoe zou leiden dat vroegtijdig een einde wordt gemaakt aan de maatregelen die de jeugdrechtbank heeft genomen ten aanzien van de jongeren die, toen zij minderjarig waren, een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd :

« Het is derhalve wenselijk dat de jeugdrechtbank kan blijven optreden om te vermijden dat de verlaging van de meerderjarigheid tot 18 jaar aanleiding zou geven tot een systematische verwijzing van 16- en 17-jarigen naar de correctionele rechtbank.

De weigering om de wet van 8 april 1965 aan te passen zou dus in feite een strafrechterlijke meerderjarigheid op 16 jaar impliceren » (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 42/3, p. 38).

Die wet heeft in de wet van 8 april 1965 bijgevolg een artikel 37bis ingevoegd, waarvan paragraaf 2 luidde :

« Indien de minderjarige zeventien jaar oud is en een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd, kan de jeugdrechtbank, wanneer zij een van de in artikel 37, tweede lid, 2°, 3° of 4°, bepaalde maatregelen neemt, beslissen dat de zaak haar opnieuw moet worden voorgelegd binnen een termijn van drie maanden voor de meerderjarigheid, met het oog op de handhaving of de toepassing van één van die maatregelen voor een termijn die zich niet verder mag uitstrekken dan de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar bereikt ».

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever indertijd rekening heeft willen houden met de leeftijd van de jongere op de datum van de beslissing van de jeugdrechtbank en niet met de leeftijd op het ogenblik van de feiten (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 634-2, p. 18).

B.4.1. Naar aanleiding van het arrest van het Hof nr. 2/92 van 15 januari 1992 is dat artikel opgeheven bij artikel 3 van de wet van 24 december 1992 « tot wijziging van de artikelen 36, 4°, en 37 en tot opheffing van artikel 37bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en tot invoeging van een artikel 43bis in dezelfde wet ».

Artikel 2 van die wet van 24 december 1992 vervangt artikel 37 van de wet van 8 april 1965. Het vijfde lid, 2°, van dat artikel bepaalt dat « [deze maatregelen] bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de volle leeftijd van 20 jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd van 17 jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd ».

B.4.2. Artikel 37 van de wet van 8 april 1965 is opnieuw vervangen bij artikel 2 van de wet van 2 februari 1994 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. Paragraaf 3, tweede lid, 2°, van dat artikel bepaalt dan dat deze maatregelen « bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd van zeventien jaar een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd ».

B.4.3. Uit de tekst en de parlementaire voorbereiding van de wetten van 24 december 1992 en van 2 februari 1994 blijkt dat de wetgever het in 1990 door hem nagestreefde doel heeft behouden, namelijk vermijden dat de jongeren die op de leeftijd van zestien of zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, stelselmatig worden verwezen naar de correctionele rechtbank, waarbij een volledige straffeloosheid van die jongeren wordt voorkomen wanneer zij de leeftijd van 18 jaar bereiken :

« De Minister onderstreept dat het voorstel een evenwicht beoogt. Enerzijds, mag een jonge delinquent, die bijna de meerderjarigheid heeft bereikt, niet ongestraft blijven : er moet in de mogelijkheid [...] worden voorzien om jeugdbeschermingsmaatregelen op te leggen die ook na de meerderjarigheid blijven gelden. Anderzijds, kan het niet de bedoeling zijn om deze jongeren extra repressief aan te pakken. Daartegen bevat de voorgestelde wettekst, die steeds moet gezien worden in het geheel van de wet op de jeugdbescherming, voldoende garanties. Overigens zou het ook niet verantwoord zijn dat een jongere van 17, in één jaar tijd, tweemaal voor de rechter zou moeten verschijnen. Tenslotte moet worden vermeden dat de jeugdrechters systematisch de zaken uit handen zouden geven, wanneer ze jongeren betreffen die ouder zijn dan 17 jaar.

De leden vinden vooral het laatste argument van doorslaggevende aard. De bevoegdheid van de jeugdrechter moet zo ruim mogelijk worden opgevat » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 699/4, p. 6).

Amendementen die ertoe strekten die jongeren voor de gewone strafgerechten te brengen, zijn overigens met een zeer grote meerderheid verworpen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 532/9, pp. 19, 20 en 49; Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 633-2, pp. 47 tot 53; Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 532/15, pp. 3 en 7).

B.5. De wil van de wetgever om een automatische uithandengeving door de jeugdrechtbank te vermijden voor de jongeren van zestien en zeventien jaar op het ogenblik dat de feiten zijn gepleegd, wordt voorts bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 2006, waarvan artikel 7, 7°, opnieuw het in het geding zijnde artikel 37, § 3, heeft gewijzigd :

« Met de uithandengeving wordt erkend dat het specifieke stelsel voor minderjarigen gefaald heeft. De rechtbank kan de zaak immers uit handen geven indien zij vaststelt dat de jeugdbeschermingsmaatregelen niet geschikt zijn voor de jongere die voor haar is gebracht. De betrokkene blijft evenwel, ondanks alles, een minderjarige persoon. Dat is de reden waarom zijn verwijzing naar het strafrechtsstelsel op zich geen ideale oplossing is. Er moet dus worden getracht het aantal uithandengevingen te verminderen. Voor een dergelijke vermindering moet inzonderheid worden gezorgd door een toename van het aantal maatregelen dat ter beschikking wordt gesteld van de magistraten teneinde een antwoord te bieden op de jeugdcriminaliteit, alsook door de mogelijkheid om de maatregelen in sommige gevallen te verlengen tot het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, p. 21).

« Eerst de jongeren die een feit hebben gepleegd na de leeftijd van 16 jaar. Veel van die jongeren worden vervolgd tot wanneer ze de meerderjarigheid bijna hebben bereikt en komen voor een rechter te staan die oordeelt dat hij niet over voldoende middelen beschikt om op de gegeven situatie een antwoord te bieden. Hij geeft de zaak uit handen bij gebrek aan middelen en niet om redenen die met de persoonlijkheid van de jongere te maken hebben. Zoiets mag niet langer mogelijk zijn. Men zou in de eerste plaats specifieke beslissingscriteria kunnen uitwerken. Maar het probleem moet ook ten gronde worden aangepakt. Daarom voorziet het regeerakkoord in een optrekking van de leeftijd die voor bepaalde beschermingsmaatregelen in aanmerking komt, van 20 naar 23 jaar » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/012, p. 59).

In verband met de verlenging van de maatregelen tot de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft de minister gepreciseerd dat de beoogde hypothesen met betrekking tot jongeren die tussen zestien en achttien jaar ernstige feiten hebben gepleegd, zeer bijzonder en uitzonderlijk zijn (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/012, p. 109). Zij herinnert overigens eraan « dat het hier gaat om jongeren die ernstige feiten hebben gepleegd. In deze gevallen moeten de maatregelen lang genoeg duren om zowel de minderjarige als de samenleving te beschermen » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1312/7, p. 79).

B.6. Het in B.2 vermelde verschil in behandeling tussen de twee categorieën van jongeren die voor de jeugdrechtbank worden vervolgd, steunt op het criterium van de leeftijd die zij hadden op het ogenblik dat zij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

Dat criterium is niet relevant en niet coherent in het licht van de bevoegdheden waarover de jeugdrechtbank beschikt ten aanzien van de jongeren van zowel zestien jaar als zeventien jaar. Het is evenmin adequaat in het licht van het doel van de jeugdbescherming dat de wetgever sinds 1990 op aanhoudende wijze nastreeft, zoals eraan is herinnerd in B.3 en B.4. De in het geding zijnde bepaling heeft bovendien tot gevolg dat de minderjarige delinquent die de jongste was op het ogenblik dat de feiten zijn gepleegd, zonder redelijke verantwoording, ongunstiger wordt behandeld, terwijl ten aanzien van die categorie van jongeren in beginsel veeleer beschermende maatregelen moeten worden genomen dan wel een maatregel tot uithandengeving.

B.7. De wetgever, die met een dergelijke incoherentie is geconfronteerd, heeft met artikel 7, 7°, d), van de wet van 13 juni 2006 overigens een einde gemaakt aan het verschil in behandeling dat aan de toetsing van het Hof is voorgelegd, waarbij de inwerkingtreding van die wijziging evenwel is uitgesteld tot 1 januari 2013.

Volgens de Ministerraad is dat uitstel van de inwerkingtreding verantwoord door het feit dat de wetgever het doel dat hij heeft vastgesteld met de aanneming van artikel 7, 7°, d), van de wet van 13 juni 2006 slechts geleidelijk kan bereiken, aangezien hij rekening moet houden met de gevolgen op het vlak van de organisatie en de financiering van de begeleiding van de jongeren door de verschillende bevoegde gemeenschappen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wetten van 13 juni 2006, 24 juli 2008 en 29 december 2010 blijkt immers dat de wetgever de inwerkingtreding van de wetswijziging tot tweemaal toe heeft uitgesteld omdat de mogelijkheid om de beschermende maatregelen te verlengen tot de leeftijd van drieëntwintig jaar, gevolgen heeft voor de organisatie en de werking van de diensten die onder de gemeenschappen vallen :

« Het doel is niet alle bepalingen pas op 1 januari 2009 in werking te laten treden, maar wel in functie van de onderhandelingen met de gemeenschappen, een stapsgewijze inwerkingtreding te hebben, rekening houdend met hun financiële mogelijkheden » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1312/7, p. 76).

Hoewel het ten aanzien van dat doel relevant is de inwerkingtreding uit te stellen van de bepaling die het mogelijk maakt de beschermende maatregelen te verlengen tot na de leeftijd van twintig jaar, is het daarentegen niet relevant de inwerkingtreding uit te stellen van de bepaling die de leeftijd van zeventien jaar vervangt door de leeftijd van zestien jaar, waardoor de jeugdrechtbank bij vonnis beschermende maatregelen voor een bepaalde duur kan bevelen die niet verder reikt dan de dag waarop de betrokkene twintig jaar wordt, wanneer het gaat om personen die op de leeftijd van zestien jaar een als misdrijf omschreven feiten hebben gepleegd.

B.8. In zoverre het de jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar en ten aanzien van wie ten minste drie maanden vóór zijn meerderjarigheid geen eerder vonnis werd uitgesproken, het voordeel ontzegt van alle beschermende maatregelen bedoeld in artikel 37, § 2, van de wet van 8 april 1965, is artikel 37, § 3, tweede lid, 2°, van dezelfde wet niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangezien de vaststelling van die lacune, die zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan die ongrondwettigheid.

B.9. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

In zoverre het de jongere die op het ogenblik van de feiten ouder is dan zestien jaar maar jonger dan zeventien jaar en ten aanzien van wie ten minste drie maanden vóór zijn meerderjarigheid geen eerder vonnis werd uitgesproken, de mogelijkheid ontzegt alle beschermende maatregelen te genieten bedoeld in artikel 37, § 2, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », schendt artikel 37, § 3, tweede lid, 2°, van de wet van 8 april 1965 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 37, § 3, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, zoals gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, gesteld door de Jeugdrechtbank te Bergen. Jeugdbescherming

  • Personen die na de leeftijd van achttien jaar voor de jeugdrechtbank worden gebracht

  • Mogelijkheid het voorwerp uit te maken van beschermende maatregelen tot de leeftijd van twintig jaar

  • Personen die op de leeftijd van zestien of zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. # Rechten en vrijheden

  • Rechten van het kind.