- Arrest van 10 mei 2012

10/05/2012 - 63/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1412bis, § 4, tweede lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 24 maart 2011 in zake het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 april 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1412bis, § 4, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat het bij verstek gewezen vonnis uitgesproken naar aanleiding van verzet tegen beslag op de goederen die toebehoren aan een publiekrechtelijke rechtspersoon niet vatbaar is voor verzet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat het het recht op verzet van de veroordeelde partij die verstek heeft laten gaan, beperkt tot vorderingen die losstaan van die bedoeld in artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals een vordering met betrekking tot de toekenning van schadevergoeding ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 « tot invoering van een artikel 1412bis in het Gerechtelijk Wetboek », bepaalt :

« § 1. De goederen die toebehoren aan de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de instellingen van openbaar nut en, in het algemeen, aan alle publiekrechtelijke rechtspersonen, zijn niet vatbaar voor beslag.

§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zijn echter wel vatbaar voor beslag :

1° de goederen ten aanzien waarvan de in § 1 bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen verklaard hebben dat ze in beslag genomen kunnen worden. Deze verklaring moet uitgaan van de bevoegde organen. Ze moet worden neergelegd op de plaatsen die door artikel 42 zijn bepaald voor de betekening van de gerechtelijke akten.

De Koning bepaalt de wijze waarop deze neerlegging geschiedt;

2° bij gebreke van een dergelijke verklaring of wanneer de tegeldemaking van de erin opgenomen goederen niet volstaat tot voldoening van de schuldeiser, de goederen die voor deze rechtspersonen kennelijk niet nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak of voor de continuïteit van de openbare dienst.

§ 3. De in § 1 bedoelde publiekrechtlijke rechtspersonen wier goederen overeenkomstig § 2, 2°, in beslag genomen worden, kunnen verzet doen. Ze kunnen aan de beslagleggende schuldeiser andere goederen ter beslagneming aanbieden. Het aanbod is bindend voor de beslagleggende schuldeiser indien het goed op het Belgisch grondgebied gelegen is en de tegeldemaking volstaat tot voldoening van de schuldeiser.

Indien de beslagleggende schuldeiser aanvoert dat niet is voldaan aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden inzake de vervanging van het in beslag genomen goed, wendt de meest gerede partij zich tot de rechter onder de in artikel 1395 gestelde voorwaarden.

§ 4. Verzet kan alleen worden gedaan bij exploot te betekenen aan de beslaglegger, samen met een dagvaarding om te verschijnen voor de beslagrechter. De eis schorst de tenuitvoerlegging en moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een maand te rekenen van het beslagexploot betekend aan de schuldenaar.

Het vonnis kan niet bij voorraad ten uitvoer worden gelegd. Het is niet vatbaar voor verzet.

De termijn om hoger beroep in te stellen is een maand te rekenen van de betekening van het vonnis. De rechter in hoger beroep doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Tegen een bij verstek gewezen arrest kan geen verzet worden gedaan ».

B.2. Uit de motivering en de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing alsook uit de feiten van de zaak die aan die beslissing ten grondslag liggen, blijkt dat aan het Hof in de eerste plaats een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 1412bis, § 4, tweede lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Die wetsbepaling zou een verschil in behandeling instellen tussen twee categorieën van schuldeisers die, na uitvoerend beslag op roerend goed te hebben gelegd, naar aanleiding van verzet van de beslagen schuldenaar bij verstek ertoe worden veroordeeld de schade te vergoeden die die schuldenaar heeft geleden wegens het onrechtmatig geachte karakter van dat beslag : enerzijds, diegenen die een goed in beslag hebben genomen dat toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon en waarop artikel 1412bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is, omdat zij van mening zijn dat dat goed voor die rechtspersoon kennelijk niet nuttig is voor de uitoefening van zijn taak of voor de continuïteit van de openbare dienst, en, anderzijds, diegenen die een goed in beslag hebben genomen dat niet toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon.

Alleen de tweeden zouden de mogelijkheid hebben verzet te doen tegen het verstekvonnis waarbij zij ertoe worden veroordeeld de voormelde schade te vergoeden.

B.3.1. De beslagen schuldenaar die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is en op wie een uitvoerend beslag op roerend goed betrekking heeft, kan in beginsel tegen dat beslag verzet doen door zijn bezwaar voor de beslagrechter te brengen (artikel 1513 van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer hij wordt verzocht uitspraak te doen over een dergelijk bezwaar, kan die rechter, indien daartoe grond bestaat, en op vordering van de beslagen schuldenaar, de beslagleggende schuldeiser ertoe veroordelen de schade te vergoeden die het beslag aan de beslagen schuldenaar heeft berokkend, indien blijkt dat dat beslag onrechtmatig is.

Wanneer die veroordeling het gevolg is van een vonnis dat bij verstek wordt uitgesproken wegens de afwezigheid van de beslagleggende schuldeiser, staat het die laatste in beginsel vrij verzet te doen tegen dat vonnis (artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.3.2. Een publiekrechtelijke rechtspersoon op wie artikel 1412bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is en die wordt beoogd in een uitvoerend roerend beslag dat betrekking heeft op andere goederen dan die welke het voorwerp hebben uitgemaakt van een verklaring in de zin van artikel 1412bis, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, kan ook tegen dat beslag verzet doen door zijn bezwaar voor de beslagrechter te brengen (artikel 1412bis, §§ 3 en 4, van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer hij wordt verzocht uitspraak te doen over een dergelijk bezwaar, kan die rechter ook, indien daartoe grond bestaat, en op vordering van de beslagen schuldenaar, de beslagleggende schuldeiser ertoe veroordelen de schade te vergoeden die het beslag aan de beslagen schuldenaar heeft berokkend, indien blijkt dat dat beslag onrechtmatig is.

Wanneer die veroordeling het gevolg is van een vonnis dat bij verstek wordt uitgesproken wegens de afwezigheid van de beslagleggende schuldeiser, kan die laatste geen verzet doen tegen dat vonnis (artikel 1412bis, § 4, tweede lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.4. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in.

Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.5. De onmogelijkheid om verzet te doen tegen het vonnis beoogd in B.3.2 wordt opgevat als « een element van rechtszekerheid » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 750/4, p. 10).

B.6. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te bepalen welke rechtsmiddelen tegen de beslissing van een rechter moeten openstaan.

Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die op regelmatige wijze werd verzocht te verschijnen en die bij verstek is veroordeeld, teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen.

Dat rechtsmiddel heeft ten doel de persoon die als gevolg van zijn niet-verschijnen mogelijkerwijze niet alle elementen van een zaak kent of zich daarover althans niet nader heeft kunnen verklaren, de mogelijkheid te bieden ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen.

B.7. Aangezien het bij paragraaf 2 van artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek toegelaten beslag een uitzondering is op het in paragraaf 1 van dat artikel uiteengezette principe, volgens hetwelk de goederen die toebehoren aan publiekrechtelijke rechtspersonen niet vatbaar zijn voor beslag, vermocht de wetgever, wegens de aard van die goederen en het door die personen nagestreefde doel van algemeen belang, ervoor te zorgen dat, in geval van door de publiekrechtelijke rechtspersoon ingestelde vordering tot opheffing van het beslag, die persoon zo kort mogelijk in onzekerheid verkeert over het lot van de goederen die het voorwerp ervan uitmaken. De wetgever heeft aldus bepaald dat de vordering tot verzet moet worden ingesteld binnen een maand te rekenen van het beslagexploot betekend aan de publiekrechtelijke rechtspersoon. Om dezelfde redenen vermocht hij ook redelijkerwijs uit te sluiten dat de beslissing van de beslagrechter vatbaar is voor verzet, zelfs indien zij gepaard gaat met een veroordeling van de schuldeiser tot een schadevergoeding wegens het onrechtmatige karakter van het beslag.

De maatregel heeft voor de schuldeiser geen onevenredige gevolgen aangezien, in geval van opheffing van het beslag bevolen bij een bij verstek gewezen vonnis, dat vonnis niet bij voorraad ten uitvoer kan worden gelegd, de schuldeiser hoger beroep kan instellen binnen een maand te rekenen van de betekening van het vonnis en de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen met voorrang boven alle andere zaken.

B.8. Artikel 1412bis, § 4, tweede lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.9. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een andere conclusie.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1412bis, § 4, tweede lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1412bis, § 4, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Rechtspleging

  • Rechtsmiddelen

  • Verzet

  • Schuldeisers die een goed in beslag hebben genomen dat toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon

  • Uitsluiting.