- Arrest van 10 mei 2012

10/05/2012 - 65/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 39/57, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vóór de wijziging ervan bij artikel 35 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II), schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 65.198 van 28 juli 2011 in zake William Zuluaga Martinez tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 augustus 2011, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 39/57, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet in de mate dat ze voor een vastgehouden vreemdeling de termijn voor het indienen van een annulatieberoep tegen een bevel om het grondgebied te verlaten tot 15 dagen herleidt, terwijl de termijn voor een vreemdeling die op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing niet vastgehouden is 30 dagen bedraagt, zonder dat, zoals in geval van beroep tegen een beslissing van weigering van de vluchtelingen- en van de subsidiaire beschermingsstatus, de maximale vasthoudingstermijn wordt geschorst gedurende de termijn waarin de vastgehouden verzoeker geen beroep indient ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : de Vreemdelingenwet), in de versie ervan zoals van toepassing in de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter - meer bepaald in de versie die gold vóór de wijziging ervan bij artikel 35 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II) -, bepaalt :

« De in artikel 39/2 bedoelde beroepen worden ingediend bij verzoekschrift binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze zijn gericht.

Indien het een beroep betreft dat is ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 of die ter beschikking is gesteld van de regering, wordt het verzoekschrift ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht ».

B.2. Het Hof wordt gevraagd of het tweede lid van dat artikel bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, doordat het voor een vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd voorziet in een termijn van 15 dagen voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring van een bevel om het grondgebied te verlaten, en dit in tegenstelling tot het eerste lid, dat voorziet in een beroepstermijn van 30 dagen voor een vreemdeling die niet van zijn vrijheid is beroofd, zonder dat, zoals dat het geval is bij een beroep tegen een beslissing van weigering van de vluchtelingen- en subsidiaire beschermingsstatus, de maximale termijn van vasthouding op een welbepaalde plaats wordt geschorst gedurende de door de vreemdeling aangewende termijn om een beroep in te dienen.

B.3.1. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt :

« Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ».

Artikel 191 van de Grondwet kan enkel zijn geschonden in zoverre de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt tussen bepaalde vreemdelingen en de Belgen. Vermits de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt tussen twee categorieën van vreemdelingen, naargelang zij al dan niet van hun vrijheid zijn beroofd op het ogenblik van de kennisgeving van een hen betreffende beslissing, kan enkel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden aangevoerd.

B.3.2. In zoverre de prejudiciële vraag de schending van artikel 191 van de Grondwet aanvoert, is zij niet ontvankelijk.

B.4.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling gaat terug op artikel 5 van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen betreffende asiel en immigratie.

De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt :

« Artikel 39/57 dient ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 81/2008 ten laatste op 30 juni 2009 aangepast te worden (punt 1.a en 3 van het dictum). [...]

Het verschil voor de indieningstermijn van 15 dan wel 30 dagen naargelang de aard van beroep, moet opgeheven worden. In regel geldt voortaan steeds een indieningstermijn van 30 dagen. Daarentegen wordt wel een termijn van 15 dagen ingevoerd, indien de betrokkene vastgehouden is, hetgeen overeenkomstig punt B.45.9 van het arrest wel toelaatbaar is » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1787/001, p. 4).

« In mei 2008 heeft het Grondwettelijk Hof een aantal bepalingen van de wet aangaande de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geheel of gedeeltelijk vernietigd. [...]

Het Grondwettelijk Hof was onder meer van oordeel dat het feit dat er verschillende termijnen gelden voor de instelling van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, naargelang het gaat om een beroep in volle rechtsmacht of om een annulatieberoep, moeilijk te verantwoorden valt. Dat onderscheid wordt bijgevolg opgeheven. Voortaan zal ook de asielzoeker over een termijn van dertig in plaats van vijftien dagen beschikken om een beroep in volle rechtsmacht in te stellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is dus dezelfde, ongeacht of het gaat om een beroep in volle rechtsmacht dan wel om een annulatieberoep. Het Grondwettelijk Hof achtte het daarentegen niet onredelijk andere termijnen te bepalen voor het instellen van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wanneer het gaat om een vreemdeling tegen wie een vrijheidsmaatregel is genomen, ten einde zijn vrijheidsberoving zo kort mogelijk te houden. Bijgevolg werd de termijn van vijftien dagen om bij die Raad een beroep in te stellen behouden voor de vreemdelingen die op een welbepaalde plaats worden gehouden » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1786/020, pp. 13-14).

B.4.2. Daaruit blijkt dat de wetgever wou tegemoetkomen aan het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008, waarin het Hof het voorheen in de Vreemdelingenwet vervatte verschil in behandeling op het vlak van de beroepstermijn, naargelang de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de beoordeling van het beroep beschikt over een bevoegdheid van volle rechtsmacht, dan wel over een annulatiebevoegdheid, ongrondwettig heeft bevonden.

B.4.3. In het voormelde arrest nr. 81/2008 heeft het Hof geoordeeld :

« B.45.1. De bestreden bepaling legt de termijn voor het instellen van een beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast op 15 dagen, terwijl de beroepen tot vernietiging van de beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980 binnen een termijn van 30 dagen moeten worden ingesteld. Dat verschil in behandeling tussen twee categorieën van vreemdelingen die een beroep instellen, is slechts aanvaardbaar indien het redelijk verantwoord is.

B.45.2. Die termijn van 15 dagen is de termijn die van toepassing was voor de beroepen die, ter uitvoering van de vroegere wetgeving, bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werden ingesteld. De nieuwe bepalingen hebben de procedure echter grondig gewijzigd.

B.45.3. Onder de vroegere wetgeving was de asielprocedure in twee fasen geregeld. Een beslissing met betrekking tot de toegang tot of het verblijf op het grondgebied, de zogenaamde beslissing van ontvankelijkheid, werd genomen door de minister of zijn gemachtigde. Indien de minister of zijn gemachtigde de aanvraag onontvankelijk verklaarde, kon tegen die beslissing binnen een termijn van één of drie werkdagen, naargelang de betrokkene al dan niet was vastgehouden op een welbepaalde plaats, een schorsend dringend beroep worden ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Indien de laatstgenoemde de beslissing van onontvankelijkheid bevestigde, kon een niet-schorsend beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van 30 dagen voor de Raad van State.

B.45.4. Indien de aanvraag ontvankelijk werd verklaard, ofwel door de minister, ofwel door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, nam de Commissaris-generaal een beslissing ten gronde en, indien hij de hoedanigheid van vluchteling weigerde, kon tegen die weigering een schorsend beroep worden ingesteld bij de Vaste Beroepscommissie binnen de termijn van 15 dagen. Tegen de beslissing van de laatstgenoemde kon een niet-schorsend administratief cassatieberoep voor de Raad van State worden ingesteld.

B.45.5. Met toepassing van de nieuwe bepalingen worden alle beslissingen genomen door de Commissaris-generaal, zonder voorafgaand onderzoek van de ontvankelijkheid van de aanvraag, en kunnen zij alle het voorwerp uitmaken van een schorsend beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die beschikt over volle rechtsmacht, binnen de bekritiseerde termijn van 15 dagen.

B.45.6. De bij de bestreden wet geregelde procedure verschilt dus van de vroegere procedure. Naast de verschillen in verband met de opgeheven scheiding tussen het onderzoek van de ontvankelijkheid en dat ten gronde van de asielaanvraag, en met de bevoegdheid van het nieuwe bij de wet opgerichte rechtscollege, verplicht zij de vreemdeling om de voor zijn beroep nuttige middelen en elementen binnen de termijn van 15 dagen in de voorgeschreven vormen voor te leggen.

B.45.7. Het gegeven dat de vroegere wetgeving voorzag in een termijn van 15 dagen, volstaat niet om de bekritiseerde termijn te verantwoorden, vermits die betrekking had op een onderscheiden beroep dat deel uitmaakte van een andere procedure dan die welke bij de bestreden wet wordt geregeld.

B.45.8. Het beroep waarvan de termijn om het in te stellen, wordt bekritiseerd, vertoont het kenmerk dat het schorsend is, wat niet het geval is voor de beroepen tot vernietiging die binnen de termijn van 30 dagen worden ingesteld tegen de beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken. Artikel 39/79 van de wet - onder voorbehoud van het onderzoek van die bepaling in B.47 tot B.56 - somt evenwel negen categorieën van beslissingen op in verband waarmee, ' behalve mits toestemming van betrokkene, [...] tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, [...] ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied gedwongen [kan] worden uitgevoerd '. Het verschil tussen de termijn van 15 dagen en die van 30 dagen kan dus niet worden verklaard door het al dan niet schorsende karakter van de beroepen. De verantwoording voor een termijn of de verkorting ervan hangt bovendien af van de beoordeling van de tijd waarover de vreemdeling moet beschikken om zijn verweer op nuttige wijze te organiseren door de hiervoor vereiste raad en bijstand in te winnen en niet van het mogelijk schorsende karakter van zijn beroep.

B.45.9. Het is denkbaar dat de wetgever, om de termijn voor de indiening van een beroep en die waarbinnen het moet worden onderzocht te beoordelen, ermee rekening houdt dat de persoon die het instelt het voorwerp uitmaakt van een vrijheidsberovende maatregel die zo kort mogelijk moet zijn. Overeenkomstig de wil die in de in B.44 geciteerde parlementaire voorbereiding is uitgedrukt, maakt de in het geding zijnde bepaling echter geen onderscheid naargelang de vreemdeling die het beroep instelt al dan niet is vastgehouden op een welbepaalde plaats.

B.45.10. Bijgevolg is het in B.45.1 omschreven verschil in behandeling niet redelijk verantwoord ».

B.5. Bij artikel 5 van de voormelde wet van 6 mei 2009 werd artikel 39/57 van de Vreemdelingenwet gewijzigd teneinde het door het Hof ongrondwettig bevonden verschil in behandeling te doen verdwijnen : de beroepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moeten in beginsel binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze zijn gericht, worden ingediend, ongeacht of die Raad bij de beoordeling ervan beschikt over een bevoegdheid van volle rechtsmacht, dan wel over een annulatiebevoegdheid (artikel 39/57, eerste lid).

De wetgever heeft evenwel een nieuw verschil in behandeling in het leven geroepen, door te bepalen dat de beroepstermijn 15 dagen bedraagt wanneer het gaat om een beroep dat wordt ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 van de Vreemdelingenwet of die ter beschikking is gesteld van de regering (artikel 39/57, tweede lid).

B.6. Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het gegeven dat een vreemdeling al dan niet van zijn vrijheid is beroofd op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing.

B.7. Uit de in B.4.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling is ingegeven door de bedoeling de duur van de in de Vreemdelingenwet bepaalde vrijheidsberovende maatregelen zo kort mogelijk te houden.

Die maatregelen, die slechts in bijzondere omstandigheden kunnen worden genomen, beogen in essentie de effectieve verwijdering van de vreemdeling van het grondgebied mogelijk te maken wanneer vaststaat dat hij niet voldoet aan de in de wet bepaalde voorwaarden om op het grondgebied te verblijven, en aldus te voorkomen dat de betrokkene in de clandestiniteit gaat leven.

Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke vrijheid, zoals gewaarborgd door artikel 12 van de Grondwet en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, voorziet de Vreemdelingenwet evenwel in maximumtermijnen gedurende welke een vreemdeling van zijn vrijheid kan worden beroofd. Bovendien is een vrijheidsberoving in beginsel slechts toegelaten voor de tijd die strikt noodzakelijk is ten aanzien van de doelstelling die met de maatregel wordt nagestreefd.

B.8.1. Rekening houdend met de doelstelling die ten grondslag ligt aan de vrijheidsberovende maatregelen en met het gegeven dat dergelijke maatregelen, vanwege het recht op eerbiediging van de persoonlijke vrijheid, zo kort mogelijk moeten zijn, is het niet zonder redelijke verantwoording dat voor het indienen, door een persoon die van zijn vrijheid is beroofd, van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beroepstermijn geldt die korter is dan de termijn die geldt wanneer het beroep wordt ingesteld door een persoon die niet van zijn vrijheid is beroofd met toepassing van de desbetreffende artikelen van de Vreemdelingenwet. Een verkorte beroepstermijn draagt immers ertoe bij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de andere bevoegde instanties beslissingen kunnen nemen betreffende het statuut van de betrokken vreemdeling vóór het onregelmatig worden van de vrijheidsberovende maatregel.

B.8.2. Wanneer de wetgever in een rechtsmiddel voorziet, moet hij de rechtzoekende de nodige tijd laten om zijn verweer op nuttige wijze te organiseren door de hiervoor vereiste raad en bijstand in te winnen.

Te dezen heeft de wetgever voorzien in een beroepstermijn van 15 dagen voor personen die van hun vrijheid zijn beroofd op het ogenblik van de kennisgeving van de hen betreffende beslissing. Rekening houdend met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, kan die termijn niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De beroepstermijn is niet van dien aard dat de vreemdeling in de onmogelijkheid wordt geplaatst zijn verweer op nuttige wijze te organiseren en dat hij leidt tot onevenredige gevolgen (HvJ, 28 juli 2011, C-69/10, Diouf, punt 67).

B.9. De omstandigheid dat de maximale termijn van vasthouding op een welbepaalde plaats in bepaalde gevallen van rechtswege wordt opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikelen 74/5 en 74/6 van de Vreemdelingenwet) en in andere gevallen niet, leidt niet tot een andere conclusie. De verantwoording voor de verkorting van de beroepstermijn hangt te dezen immers niet af van een eventuele opschorting van de maximale termijn van vasthouding op een welbepaalde plaats. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege lijkt te beweren, is het overigens in het belang van de betrokken vreemdeling dat de maximale termijn van vasthouding op een welbepaalde plaats niet wordt opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermits zulk een opschorting zou leiden tot een verlenging van die maximale termijn van vrijheidsberoving.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 39/57, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vóór de wijziging ervan bij artikel 35 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II), schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 39/57, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

  • Beroep tot nietigverklaring van een bevel om het grondgebied te verlaten

  • Vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd

  • Verkorte beroepstermijn. Rechten en vrijheden

  • Recht op eerbiediging van de persoonlijke vrijheid.