- Arrest van 24 mei 2012

24/05/2012 - 67/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt basisallocatie 10.005.28.01.63.21 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 december 2010 « houdende de Algemene Uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het begrotingsjaar 2011 », in zoverre ze voorziet in de toekenning van facultatieve subsidies aan de gemeenten voor de financiering van kinderopvang- en onderwijsinfrastructuren;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 juli 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 juli 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van basisallocatie 10.005.28.01.63.21 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 december 2010 « houdende de Algemene Uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het begrotingsjaar 2011 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 januari 2011) door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel », met zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 20, de vzw « Vlaamse Volksbeweging », met zetel te 2600 Berchem, Passendalestraat 1A, en de vzw « brusselNL », met zetel te 1020 Brussel, Karel Bogaerdstraat 31.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 juli 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 juli 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van voormelde basisallocatie door de Vlaamse Regering.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5185 en 5188 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1. Basisallocatie 10.005.28.01.63.21, die deel uitmaakt van de algemene uitgavenbegroting van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voor het begrotingsjaar 2011, valt onder activiteit 28 (« Investeringssubsidies en andere kapitaalsoverdrachten aan gemeenten en OCMW's ») van programma 05 (« Financiering van specifieke projecten van de gemeenten ») van opdracht 10 (« Ondersteuning en begeleiding van de plaatselijke besturen ») van sectie I (« Uitgaven van de diensten van de Regering ») van de begrotingstabel.

De benaming van die allocatie is « Subsidiëring van de projecten inzake gemeentelijke infrastructuur in verband met de demografische ontwikkeling ». Zij betreft de toekenning van facultatieve subsidies aan de gemeenten (artikel 13, derde lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 december 2010 « houdende de Algemene Uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het begrotingsjaar 2011 »).

B.2.1. In de parlementaire voorbereiding wordt programma 05 van opdracht 10 onder meer toegelicht als volgt :

« Aangezien het Brussels Gewest voor een bevolkingsaangroei zonder voorgaande staat en de gemeenten de eerste zijn die hiervan de gevolgen zullen ondervinden, heeft de Regering dit jaar beslist een nieuwe bijdrage in het leven te roepen ten gunste van de gemeenten om deze in staat te stellen infrastructuren te financieren met het oog op de nakende bevolkingsexplosie.

Dit jaar wordt een begroting van 9 miljoen euro aan dit beleid besteed. Deze dotatie omvat ook het vroegere budget voor de crèches (4,5 miljoen euro in 2010) » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2010-2011, nr. A-129/1 (vervolg 2), p. 121).

« Deze dotatie van 9 miljoen euro omvat het vroegere budget voor de infrastructuur voor kinderopvang. Vanaf 2011 kunnen ook andere gemeentelijke infrastructuren gesubsidieerd worden zoals gemeentescholen » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2010-2011, nr. A-129/4 (deel 2), p. 7).

« Die bevolkingsaangroei veronderstelt eveneens dat aanzienlijke middelen worden besteed aan nieuwe infrastructuur, zoals crèches en scholen - zowel kleuter-, lagere als secundaire scholen -, die echter in de eerste plaats onder de bevoegdheid van de gemeenschappen vallen.

Niettemin hebben wij scholen nodig om te beantwoorden aan een van de fundamentele opdrachten van de openbare dienst; het gaat om de basis zelf van de sociale lift waaraan wij allen belang hechten [...]. Zo nodig, zoals de minister-president vaak zegt, zullen we in Brussel 'wat creatiever met de bevoegdheden moeten omspringen'. De instellingen zijn immers in de eerste plaats een middel, en geen doel op zich, en de legitieme behoeften van de bevolking moeten primeren. Die structurerende verplichting brengt een echte verplaatsing teweeg van de as van de gewestelijke prioriteiten, en zal in al onze beleidsdoelstellingen worden weerspiegeld » (eigen vertaling) (I.V., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2010-2011, 22 december 2010, nr. 9, pp. 23-24).

B.2.2. Daaruit blijkt dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met de bestreden bepaling beoogt subsidies te verlenen aan de gemeenten om kinderopvang- en onderwijsinfrastructuren te financieren.

Die doelstelling wordt door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in zijn memories niet betwist.

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 5185

B.3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 5185 niet doen blijken van het vereiste belang om voor het Hof in rechte te treden.

B.4. Het beroep in de zaak nr. 5185 heeft betrekking op dezelfde bepaling als het beroep in de zaak nr. 5188 en is gebaseerd op een middel dat soortgelijk is aan de in de zaak nr. 5188 aangevoerde middelen. Aangezien het beroep in de zaak nr. 5188 is ingesteld door de Vlaamse Regering, die niet moet doen blijken van haar belang om voor het Hof in rechte te treden, dient niet te worden onderzocht of de verzoekende partijen in de zaak nr. 5185 doen blijken van het vereiste belang om hun beroep in te stellen.

Ten gronde

B.5.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5185 voeren één middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 127 tot 133 van de Grondwet en van de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat de bestreden basisallocatie voorziet in de mogelijkheid om subsidies te verlenen aan de gemeenten met het oog op de financiering van kinderopvang- en onderwijsinfrastructuren.

B.5.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de middelen van het verzoekschrift aangeven welke regels waarvan de naleving door het Hof wordt gewaarborgd, zouden zijn geschonden, alsook welke bepalingen die regels zouden schenden, en uiteenzetten hoe die regels door die bepalingen zouden zijn geschonden.

De verzoekende partijen in de zaak nr. 5185 zetten uitsluitend uiteen in welke zin de bestreden basisallocatie de bevoegdheidverdelende regels bedoeld in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet en in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zou schenden.

In zoverre het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 129, 130, 131, 132 en 133 van de Grondwet en van artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, voldoet het niet aan de voormelde vereisten en dient het niet in aanmerking te worden genomen.

B.5.3. In de zaak nr. 5188 voert de Vlaamse Regering twee middelen aan.

Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 128 en 175 van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, doordat de bestreden basisallocatie voorziet in de mogelijkheid om subsidies te verlenen aan de gemeenten met het oog op de financiering van kinderopvanginfrastructuren.

Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 127 en 175 van de Grondwet, doordat de bestreden basisallocatie voorziet in de mogelijkheid om subsidies te verlenen aan de gemeenten met het oog op de financiering van onderwijsinfrastructuren.

B.5.4. De in beide zaken aangevoerde middelen kunnen samen worden behandeld.

Wat de kinderopvang betreft

B.6.1. Artikel 128 van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen.

Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ».

Artikel 135 van de Grondwet bepaalt :

« Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid wijst de overheden aan die voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de bevoegdheden uitoefenen die niet zijn toegewezen aan de gemeenschappen voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1 ».

Artikel 175 van de Grondwet bepaalt :

« Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid stelt het financieringsstelsel voor de Vlaamse en de Franse Gemeenschap vast.

De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, de bestemming van hun ontvangsten bij decreet ».

B.6.2. Artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« § 1. De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis, § 2bis [thans artikel 128, § 1], van de Grondwet, zijn :

[...]

II. Wat de bijstand aan personen betreft :

1° Het gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen ».

Die aangelegenheid beoogt onder meer « de materiële, sociale, psychologische, morele en opvoedende bijstand en hulpverlening, aan de kinderen, met inbegrip van het kinderopvangbeleid, hetzij dat deze bijstand en hulpverlening rechtstreeks, hetzij langs verenigingen en instellingen, met inbegrip van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn, verstrekt worden » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434-2, p. 125).

B.6.3. Artikel 63, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, dat is aangenomen ter uitvoering van artikel 135 van de Grondwet, bepaalt :

« Onverminderd de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap, oefenen het verenigd college en de verenigde vergadering de bevoegdheden uit bedoeld in [artikel] 5 [...] van de bijzondere wet ».

De verenigde vergadering en het verenigd college zijn de organen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (artikel 60, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989) die gezamenlijk de ordonnantiegevende macht uitoefenen (artikel 68, § 1, van dezelfde bijzondere wet).

B.6.4. Ter uitvoering van artikel 138 van de Grondwet, bepaalt artikel 3, 7°, van het decreet II van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie :

« [...] de Commissie [oefent,] op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, [...] de bevoegdheden van de Gemeenschap in de volgende aangelegenheden uit :

[...]

7° de bijstand aan personen, bedoeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet [van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen], met uitzondering [...] van wat behoort tot de opdrachten die zijn toegewezen aan de 'Office de la Naissance et de l'Enfance' (O.N.E.) [...] ».

Artikel 3, 7°, van het decreet II van het Waalse Gewest van 22 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie en artikel 3, 7°, van het decreet III van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie hebben dezelfde inhoud.

B.6.5. Uit het voorgaande blijkt dat, op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het gezinsbeleid in de zin van artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een aangelegenheid is die door verschillende wetgevers wordt geregeld.

De Vlaamse Gemeenschap is bevoegd ten aanzien van de er gevestigde instellingen die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend tot die Gemeenschap te behoren.

De Franse Gemeenschapscommissie is bevoegd ten aanzien van de er gevestigde instellingen die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Franse Gemeenschap.

De Franse Gemeenschap blijft bevoegd om hetgeen behoort tot de opdrachten die zijn toegewezen aan de « Office de la naissance et de l'enfance » (Dienst voor geboorte en kinderwelzijn van de Franse Gemeenschap) te regelen.

De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is, wat haar betreft, bevoegd om de aspecten van die aangelegenheid te regelen die ontsnappen aan de bevoegdheid van de drie voormelde decreetgevers.

Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is daarentegen niet bevoegd om die aangelegenheid te regelen.

B.6.6. De betwiste basisallocatie maakt een aanvullende financiering van kinderdagverblijven mogelijk.

De ordonnantie van 24 december 2010 regelt in die mate het gezinsbeleid in de zin van artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

In tegenstelling tot wat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beweert, kan de betwiste basisallocatie in die mate dus niet worden gekwalificeerd als een maatregel van tewerkstellingsbeleid in de zin van artikel 6, § 1, IX, van dezelfde bijzondere wet.

Wat het onderwijs betreft

B.7.1. Artikel 127 van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet :

1° de culturele aangelegenheden;

2° het onderwijs, met uitsluiting van :

a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;

b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;

c) de pensioenregeling;

3° de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden bedoeld in 1° en 2°.

Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, de in 3° vermelde vormen van samenwerking, alsook de nadere regelen voor het in 3° vermelde sluiten van verdragen vast.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ».

B.7.2. Krachtens die bepaling hebben de gemeenschappen de volheid van bevoegdheid tot het regelen van het onderwijs in de ruimste zin van het woord. De aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheden dienen strikt te worden geïnterpreteerd.

B.7.3. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is onderwijs een aangelegenheid die door verschillende wetgevers wordt geregeld.

B.7.4. Op grond van artikel 127, § 2, van de Grondwet hebben de decreten die het onderwijs regelen, kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.

De federale overheid is bevoegd om, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, het onderwijs te regelen dat niet wordt verstrekt door instellingen die tot de uitsluitende bevoegdheid van de ene of de andere gemeenschap behoren.

B.7.5. In tegenstelling tot wat het geval is voor wat de bijstand aan personen betreft, heeft de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie geen ordonnantiegevende bevoegdheden op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, wat het onderwijs betreft.

Ter uitvoering van artikel 138 van de Grondwet beschikt de Franse Gemeenschapscommissie thans, op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ten aanzien van de instellingen die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Franse Gemeenschap, over een decreetgevende bevoegdheid betreffende « het leerlingenvervoer, bedoeld in artikel 4 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en georganiseerd bij de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor leerlingenvervoer » (artikel 3, 5°, van het decreet II van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993, artikel 3, 5°, van het decreet II van het Waalse Gewest van 22 juli 1993 en artikel 3, 5°, van het decreet III van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 1993) en over de bevoegdheid om « gezamenlijk met de Franse Gemeenschap openbare instellingen op te richten, te financieren en te controleren, belast met de verwerving, het bestuur en de vervreemding van onroerende goederen die, al dan niet bebouwd, geheel of gedeeltelijk onderwijsinstellingen, internaten en psycho-medisch-sociale centra huisvesten, bestemd voor onderwijs ingericht door de overheid met uitzondering van het hoger onderwijs » (decreet I van de Franse Gemeenschap van 5 juli 1993 betreffende de overdracht van de uitoefening van bepaalde bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie; decreet I van het Waalse Gewest van 7 juli 1993 betreffende de overheveling van bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest; decreet I van de Franse Gemeenschapscommissie van 8 juli 1993 betreffende de overdracht van de uitoefening van bepaalde bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar de Franse Gemeenschapscommissie).

B.7.6. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is daarentegen niet bevoegd om de aangelegenheid van onderwijs te regelen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

B.7.7. De bestreden basisallocatie maakt een aanvullende financiering van onderwijsinfrastructuren mogelijk.

De ordonnantie van 24 december 2010 regelt in die mate het onderwijs in de zin van artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet.

In tegenstelling tot wat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beweert, kan de betwiste basisallocatie dus in die mate niet worden gekwalificeerd als een maatregel van tewerkstellingsbeleid in de zin van artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Wat de financiering van de gemeenten betreft

B.8.1. Artikel 39 van de Grondwet bepaalt :

« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».

B.8.2. Artikel 6, § 1, VIII, 9° en 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals vervangen bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, dat de aangelegenheden vastlegt die tot de bevoegdheid van het Waalse en het Vlaamse Gewest behoren, bepaalt :

« De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater [thans artikel 39] van de Grondwet zijn :

[...]

9° de algemene financiering van de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten en de provincies;

[...]

10° de financiering van de opdrachten uit te voeren door de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de provincies en door andere publiekrechtelijke rechtspersonen in de tot de bevoegdheid van de gewesten behorende aangelegenheden, behalve wanneer die opdrachten betrekking hebben op een aangelegenheid waarvoor de federale overheid of de gemeenschappen bevoegd zijn ».

Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is eveneens bevoegd om die aangelegenheden te regelen (artikel 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen).

De « algemene financiering van de gemeenten » heeft betrekking op de « algemene financieringswijzen door middel waarvan de gemeenten [...] gefinancierd worden, volgens criteria die niet rechtstreeks gebonden zijn aan een specifieke taak of opdracht » (Parl. St., Kamer, 1988, nr. 516/1, p. 18).

B.8.3. Wat de financiering van specifieke gemeentelijke taken betreft, heeft de betwiste basisallocatie niets uit te staan met de aangelegenheid van de algemene financiering van de gemeenten in de zin van artikel 6, § 1, VIII, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Zij valt, zoals aangegeven in B.6.6 en B.7.7, onder de gemeenschapsbevoegdheden, zodat zij evenmin kan worden beschouwd als een maatregel in het kader van de uitoefening, door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, van zijn bevoegdheid inzake financiering van de opdrachten uit te voeren door de gemeenten, in de zin van artikel 6, § 1, VIII, 10°, van dezelfde wet.

B.9.1. Artikel 178 van de Grondwet bepaalt :

« Onder de voorwaarden en op de wijze die de wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, bepaalt, draagt het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bij de in artikel 134 bedoelde regel, financiële middelen over aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies ».

Die financiële overdracht heeft betrekking op « gemeenschapsaangelegenheden bedoeld in artikel 108ter, § 3, eerste lid [thans artikel 136] van de Grondwet [die de aangelegenheden zijn] welke opgedragen zijn of zullen worden aan de Vlaamse Gemeenschap en aan de Franse Gemeenschap » (artikel 61 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen). Zij kan dus betrekking hebben op de kinderopvang in de kinderdagverblijven en op de onderwijsinfrastructuren die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen zijn.

B.9.2. Ter uitvoering van artikel 178 van de Grondwet bepaalt artikel 83bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen :

« Onverminderd de artikelen 83ter en 83quater kan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement vanaf het begrotingsjaar 1995 middelen overdragen aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies, die worden verdeeld volgens de verdeelsleutel van 20 pct. voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en 80 pct. voor de Franse Gemeenschapscommissie ».

B.9.3. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is dus bevoegd om te voorzien in de financiering van de gemeenschapscommissies.

B.9.4. De bestreden basisallocatie maakt een aanvullende financiering van kinderopvang- en onderwijsinfrastructuren mogelijk.

De in de bestreden basisallocatie toegekende middelen worden echter overgedragen aan de gemeenten, en niet aan de gemeenschapscommissies, onder de voorwaarden neergelegd in artikel 83bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Wat de vernietiging van de bestreden bepaling en de handhaving van de gevolgen van die bepaling betreft

B.10. Het enige middel in de zaak nr. 5185 en beide middelen in de zaak nr. 5188 zijn gegrond. Bijgevolg dient basisallocatie 10.005.28.01.63.21 van de ordonnantie van 24 december 2010 « houdende de Algemene Uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het begrotingsjaar 2011 », in zoverre ze voorziet in de toekenning van facultatieve subsidies aan de gemeenten voor de financiering van kinderopvang- en onderwijsinfrastructuren, te worden vernietigd.

B.11. Die vernietiging mag evenwel niet als gevolg hebben dat de op grond van die bepaling toegekende financiering dient te worden terugbetaald. Een aantal gefinancierde infrastructuurprojecten zijn reeds afgerond en andere worden thans uitgevoerd. Een vernietiging met terugwerkende kracht zou als gevolg hebben dat verschillende actoren, die zich te goeder trouw konden beroepen op een begrotingsbepaling en op een daarop steunende overheidsbeslissing, in financiële problemen zouden komen. Daarom dienen, met toepassing van artikel 8 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepaling definitief te worden gehandhaafd.

Aangezien de bestreden bepaling tot stand is gekomen in een periode die het arrest van het Hof nr. 184/2011 van 8 december 2011 ruim voorafgaat, is er geen aanleiding om, zoals de Vlaamse Regering voorstelt, de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling in de tijd te beperken.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt basisallocatie 10.005.28.01.63.21 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 december 2010 « houdende de Algemene Uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het begrotingsjaar 2011 », in zoverre ze voorziet in de toekenning van facultatieve subsidies aan de gemeenten voor de financiering van kinderopvang- en onderwijsinfrastructuren;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van basisallocatie 10.005.28.01.63.21 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 december 2010 « houdende de Algemene Uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het begrotingsjaar 2011 », ingesteld door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel » en anderen en door de Vlaamse Regering. Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de gemeenschappen

  • a. Bijstand aan personen

  • Gezinsbeleid

  • Kinderopvangbeleid

  • Kinderdagverblijven

  • Aanvullende financiering

  • b. Onderwijs

  • Onderwijsinfrastructuren

  • Aanvullende financiering

  • 2. Bevoegdheden van de gewesten

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • a. Ondergeschikte besturen

  • (i) Algemene financiering van gemeenten

  • (ii) Financiering van de opdrachten uit te voeren door de gemeenten

  • b. Financiering van de gemeenschapscommissies.