- Arrest van 31 mei 2012

31/05/2012 - 69/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 mei 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 31 mei 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 22 december 2010 betreffende de verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake wegen en waterwegen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2011) door de « Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke ondernemers », met zetel te 4031 Angleur, rue Denis Lecocq.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift tot vernietiging blijkt dat het beroep ertoe strekt artikel 16, tweede lid, alsook de artikelen 18, 19 en 20, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 22 december 2010 betreffende de verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake wegen en waterwegen te vernietigen.

B.2.1. Artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein stelt een reeks overtredingen in.

Artikel 16, tweede lid, van het decreet van 22 december 2010 voegt in die bepaling een paragraaf 3 toe, luidend als volgt :

« Met een geldboete worden bestraft degenen die een voertuig besturen waarvan de massa op de grond onder één van de assen het toegelaten maximum met meer dan vijf procent overschrijdt. Die geldboete bedraagt :

1° 50 euro tot 5.000 euro bij een overlading met minder dan 500 kg;

2° 100 euro tot 10.000 euro bij een overlading met 500 kg tot minder dan 1 000 kg;

3° 200 euro tot 20.000 euro bij een overlading met 1 000 kg tot minder dan 1 500 kg;

4° 300 euro tot 30.000 euro bij een overlading met 1 500 kg tot minder dan 2 000 kg;

5° 500 euro tot 50.000 euro bij een overlading met 2 000 kg tot minder dan 3 000 kg;

6° 750 euro tot 75.000 euro bij een overlading met 3 000 kg en meer ».

B.2.2. Artikel 8 van het decreet van 19 maart 2009, dat betrekking heeft op het « herstel van de plaats », bepaalde oorspronkelijk :

« In de overtredingsgevallen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, en § 2, 2° en 3°, kan de beherende overheid het openbaar domein ambtshalve herstellen of laten herstellen. De prijs van het herstel van het openbaar domein, desgevallend incluis de prijs van het afvalbeheer overeenkomstig de vigerende regelgeving, wordt ingevorderd ten laste van de overtreder.

[...]

De Regering kan de modaliteiten vastleggen voor de berekening van de kost van het herstel van de plaats wanneer de werken door het personeel van haar eigen diensten uitgevoerd worden.

De kost van het herstel van de plaats die ten laste van de overtreder ingevorderd moet worden, wordt verhoogd met een forfaitaire som voor toezichtskosten en administratief beheerskosten gelijk aan [10 %] van de kost van de werkzaamheden, minimum van 50 euro, ongeacht of de werkzaamheden door het personeel van de Regering of door een extern bedrijf uitgevoerd worden.

Indien de overtreder de kosten van de herstelwerkzaamheden of de toezichtskosten en de kosten inzake administratief beheer die van hem gevorderd worden verzuimt te betalen, kunnen die kosten volgens door de Regering te bepalen modaliteiten door dwangbevel ingevorderd worden, ondanks het bestaan van een strafvordering waarover nog geen definitieve uitspraak gedaan zou zijn naar aanleiding van de feiten die het herstel van de plaats gerechtvaardigd hebben ».

Het « gewestelijk openbaar domein » omvat het « gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein », dat met name bestaat uit « de autowegen, de gewestelijke wegen en de overige openbare wegen bestemd voor het wegverkeer die onder het rechtstreekse of gedelegeerde beheer van het Waalse Gewest vallen, alsook de desbetreffende aanhorigheden » (artikel 2, eerste lid, 1°, a), van het decreet van 19 maart 2009).

De « beherende overheid » is de Waalse Regering of de door haar aangewezen overheid (artikel 2, eerste lid, 3°, van hetzelfde decreet).

Na de wijziging ervan bij artikel 18 van het decreet van 22 december 2010, luidt artikel 8, eerste lid, van het decreet van 19 maart 2009 voortaan als volgt :

« In de overtredingsgevallen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, en § 2, 2° en 3°, of in geval van schade die het gewestelijk openbaar [wegennet] wordt toegebracht ten gevolge van een overtreding bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, of § 3, kan de beherende overheid het openbaar domein ambtshalve herstellen of laten herstellen. De prijs van het herstel van het openbaar domein, desgevallend incluis de prijs van het afvalbeheer overeenkomstig de vigerende regelgeving, wordt ingevorderd ten laste van de overtreder ».

B.2.3. Artikel 19 van het decreet van 22 december 2010 voegt in het decreet van 19 maart 2009 een hoofdstuk Vbis (« Onmiddellijke inning ») in, dat artikel 8bis omvat, luidend als volgt :

« De domaniaal politieagent die een inbreuk op artikel 5 vaststelt kan, met de instemming van de overtreder, overgaan tot de onmiddellijke inning van een geldsom.

Het onmiddellijke inningsbedrag is 150 euro voor de inbreuken bedoeld in artikel 5, § 1, en 50 euro voor de inbreuken bedoeld in artikel 5, § 2.

Bij een inbreuk op artikel 5, § 3, bedraagt de onmiddellijke inningssom :

1° 150 euro bij een overlading van minder dan 500 kg;

2° 100 euro bij een overlading van 500 kg tot minder dan 1 000 kg;

3° 200 euro bij een overlading van 1 000 kg tot minder dan 1 500 kg;

4° 300 euro bij een overlading van 1 500 kg tot minder dan 2 000 kg;

5° 500 euro bij een overlading van 2 000 kg tot minder dan 3 000 kg;

6° 750 euro bij een overlading van 3 000 kg en meer.

De domaniaal politieagent deelt zijn beslissing aan de procureur des Konings mee.

De Regering bepaalt de nadere regels voor de inning en de indexering van de som.

De onmiddellijke betaling van de som dooft de mogelijkheid uit om de overtreder een administratieve geldboete op te leggen voor het beoogde feit.

De onmiddellijke betaling van de geheven som belet de procureur des Konings niet om de artikelen 216bis of 126ter van het Wetboek van strafvordering toe te passen of strafrechtelijke vervolgingen in te stellen. Bij toepassing van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van strafvordering wordt de onmiddellijk geïnde som toegerekend op de som bepaald door het openbaar ministerie en het eventuele overschot wordt terugbetaald.

Bij een veroordeling van belanghebbende wordt de onmiddellijk geïnde som toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken geldboete, en het eventuele overschot wordt terugbetaald.

Bij een vrijspraak wordt de onmiddellijk geïnde som teruggegeven.

Bij een voorwaardelijke veroordeling wordt de onmiddellijk geïnde som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten ».

B.2.4. Artikel 9, § 1, van het decreet van 19 maart 2009, behorend tot hoofdstuk VI (« Administratieve boetes »), bepaalde oorspronkelijk :

« Voor zover de feiten krachtens artikel 5 strafbaar zijn met een strafrechtelijke sanctie, kan onder de in dit artikel gestelde voorwaarden een administratieve boete aan de overtreder opgelegd worden in plaats van een strafrechtelijke sanctie.

De administratieve boete bedraagt minstens 50 tot hoogstens 10.000 euro voor de overtredingen bedoeld in artikel 5, § 1, en 50 tot hoogstens 1.000 euro voor de overtredingen bedoeld in artikel 5, § 2.

De Regering wijst één of meer ambtenaren aan die bevoegd zijn om de administratieve boetes op te leggen. Alleen de ambtenaren met een niveau waarvoor een universitair diploma van de tweede cyclus of een gelijkwaardig diploma geëist wordt, kunnen daartoe aangewezen worden ».

Artikel 20, § 1, van het decreet van 22 december 2010 voegt, tussen het tweede en het derde lid van die bepaling, een nieuw lid in, luidend als volgt :

« Voor de inbreuken bedoeld in artikel 5, § 3, bedraagt de administratieve geldboete :

1° 50 euro tot 5.000 euro bij een overlading van minder dan 500 kg;

2° 100 euro tot 10.000 euro bij een overlading van 500 kg tot minder dan 10 000 kg;

3° 200 euro tot 20.000 euro bij een overlading van 1 000 kg tot minder dan 1 500 kg;

4° 300 euro tot 30.000 euro bij een overlading van 1 500 kg tot minder dan 2 000 kg;

5° 500 euro tot 50.000 euro bij een overlading van 2 000 kg tot minder dan 3 000 kg;

6° 750 euro tot 75.000 euro bij een overlading van 3 000 kg en meer ».

Ten aanzien van het belang

B.3.1. Artikel 142, derde lid, van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof leggen de in die laatste bepaling bedoelde rechtspersonen die een beroep tot vernietiging instellen, de verplichting op te doen blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen enkel de personen blijken wier situatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt door de bestreden norm. De actio popularis is niet toelaatbaar.

B.3.2. Een beroepsvereniging in de zin van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen heeft, krachtens artikel 10 van die wet, de vereiste hoedanigheid om bepalingen aan te vechten die de belangen van haar leden rechtstreeks en ongunstig kunnen raken.

B.4. De « Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke ondernemers » heeft, luidens artikel 2 van haar huidige statuten (bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 19 april 2010), « tot doel de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de professionele belangen van haar leden door professionele solidariteitsbanden tussen hen te scheppen ».

Die beroepsvereniging groepeert « de professionele transporteurs alsook [...] de verleners van logistieke diensten voor rekening van derden » (artikel 1, eerste lid, van haar statuten). Sommige van haar « effectieve leden », die natuurlijke personen of handelsvennootschappen zijn, gebruiken een bepaald aantal « motorvoertuigen » (artikelen 4 en 5, derde lid, van de voormelde statuten).

B.5. De artikelen 16, tweede lid, en 20, § 1, van het decreet van 22 december 2010 voorzien in strafrechtelijke of administratieve sancties voor de personen die een voertuig besturen waarvan de massa op de grond onder één van de assen het toegelaten maximum overschrijdt.

Artikel 18 van hetzelfde decreet heeft met name ten doel het herstel te regelen van de schade toegebracht door de daders van dergelijke overtredingen, terwijl artikel 19 van hetzelfde decreet de onmiddellijke inning organiseert van de geldboetes waarmee die overtredingen worden bestraft.

Die bepalingen kunnen de financiële situatie of de beroepsactiviteit van sommige van de transporteurs die lid zijn van de beroepsvereniging rechtstreeks en ongunstig raken.

Die heeft dus belang erbij de vernietiging van die bepalingen te vorderen.

Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van het eerste middel

B.6.1. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift met betrekking tot het eerste middel blijkt dat het Hof eerst wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een van de bestreden bepalingen met sommige regels vervat in het Handvest van de gebruiker van de openbare diensten.

B.6.2. Wanneer een beroep tot vernietiging bij het Hof is ingesteld, doet het uitspraak over de bestaanbaarheid van een wetskrachtige bepaling met de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, met de artikelen van titel II van de Grondwet (« De Belgen en hun rechten »), of met de artikelen 170, 172 en 191 ervan (artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, gewijzigd bij de artikelen 2 en 27 van de bijzondere wet van 9 maart 2003 en bij artikel 8 van de bijzondere wet van 21 februari 2010).

B.6.3. Algemeen richtinggevend voor het handelen van alle federale openbare diensten, bevat het Handvest van de gebruiker van de openbare diensten, door de federale Regering aangenomen op 4 december 1992, geen regel die ertoe strekt de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten te bepalen.

Het Hof is dus niet bevoegd om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met dat document.

B.6.4. In zoverre het eerste middel is afgeleid uit de schending van dat Handvest, is het onontvankelijk.

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

B.7.1. Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt dat het Hof eerst wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 20, § 1, van het decreet van 22 december 2010 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepaling, door de persoon die wordt bestraft met een administratieve geldboete waarin is voorzien bij die decreetsbepaling, niet toe te laten bij een rechtbank van de rechterlijke macht een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing waarbij hem die geldboete wordt opgelegd, die persoon zijn recht zou ontzeggen dat de gegrondheid van een strafvervolging wordt onderzocht door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie.

B.7.2. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Bij [...] het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een [...] behandeling van zijn zaak [...] door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. [...] ».

B.7.3. De administratieve geldboete bepaald in artikel 9, § 1, derde lid, van het decreet van 19 maart 2009 - ingevoegd bij artikel 20, § 1, van het decreet van 22 december 2010 - kan slechts worden opgelegd onder de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 19 maart 2009.

Paragraaf 7 van die bepaling luidt als volgt :

« De overtreder die de beslissing van de ambtenaar die hem een administratieve boete oplegt wenst aan te vechten, kan een beroep indienen binnen een termijn van 30 dagen, op straffe van verval, te rekenen van de datum van zijn kennisgeving.

Het beroep wordt d.m.v. een verzoekschrift voor de correctionele rechtbank ingediend. Indien de beslissing evenwel betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar bereikt hebben op het moment van de feiten, wordt het beroep d.m.v. een kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank ingediend. In dat geval kan het beroep ook ingediend worden door de vader en moeder, de voogden of de personen die het toezicht op hem uitoefenen. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is wanneer zij zich uitspreekt.

Het verzoekschrift bevat de identiteit en het adres van de overtreder, de aangevochten beslissing en de motieven van de betwisting van die beslissing.

Het beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

De bepalingen van de voorafgaande leden worden vermeld in de beslissing waarbij de boete opgelegd wordt.

De rechtbank kan de overtreder maatregelen tot uitstel van de uitvoering toestaan. In geval van verzachtende omstandigheden kan hij de administratieve boete verlagen tot onder het wettelijke minimum.

De jeugdrechtbank kan, wanneer een beroep tegen een administratieve boete bij haar aanhangig gemaakt wordt, in de plaats hiervan een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel stellen zoals bepaald bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. In dat geval is artikel 60 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming van toepassing.

De beslissingen van de correctionele rechtbank of van de jeugdrechtbank zijn niet vatbaar voor beroep. Wanneer de jeugdrechtbank evenwel beslist tot de vervanging van de administratieve sanctie door een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel bedoeld in artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, is haar beslissing voor beroep vatbaar. In dat geval zijn de procedures waarin de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming voorziet voor de feiten die als overtredingen beschouwd worden van toepassing ».

B.7.4. De persoon aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd met toepassing van artikel 9, § 1, derde lid, van het decreet van 19 maart 2009 heeft derhalve het recht om voor een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing waarbij hem die geldboete wordt opgelegd.

B.7.5. Aangezien het eerste middel berust op een onvolledige lezing van het decreet van 19 maart 2009, is het, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet gegrond.

B.8.1. Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt ook dat het Hof bovendien wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 5, § 3, van het decreet van 19 maart 2009 - ingevoegd bij artikel 16, tweede lid, van het decreet van 22 december 2010 - met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het niet de overlading van het voertuig zou zijn, maar veeleer de schade aan het wegdek veroorzaakt door die overlading die het materiële element zou vormen van de overtreding beoogd in die decreetsbepaling.

B.8.2. Uit de bewoordingen van de bestreden bepaling blijkt dat de schade aan het wegdek die eventueel wordt veroorzaakt door de overlading van een voertuig waarvan de massa op de grond onder één van de assen het toegelaten maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt, geen component vormt van de definitie van het materiële element van de overtreding beoogd in die bepaling.

B.8.3. Aangezien het eerste middel berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepaling, is het, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet gegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.9.1. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het Hof eerst wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 18 van het decreet van 22 december 2010 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de persoon die voor een strafgerecht wordt vervolgd wegens de overtreding beschreven in artikel 5, § 3, van het decreet van 19 maart 2009 en, anderzijds, de persoon aan wie voor hetzelfde feit een administratieve geldboete wordt opgelegd.

Alleen de tweede zou ertoe worden gedwongen de kosten van het herstel van het openbaar domein te dragen indien de begane overtreding daaraan schade heeft veroorzaakt.

B.9.2. In artikel 8, eerste lid, van het decreet van 19 maart 2009 - zoals het werd gewijzigd bij artikel 18 van het decreet van 22 december 2010 - wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de overtreding bedoeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 19 maart 2009 ten gevolge waarvan schade aan het gewestelijke openbare wegennet werd veroorzaakt, met een strafrechtelijke geldboete of met een administratieve geldboete wordt bestraft.

Uit het laatste lid van artikel 8 van het decreet van 19 maart 2009 blijkt bovendien dat in geval van strafvervolging de kosten voor het herstel van de plaats kunnen worden gevorderd.

Het in B.9.1 beschreven verschil in behandeling is dus onbestaande.

B.9.3. Aangezien het tweede middel berust op een verkeerde lezing van artikel 8 van het decreet van 19 maart 2009, is het niet gegrond, in zoverre daarin dat verschil in behandeling wordt aangeklaagd.

B.10.1. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het Hof vervolgens wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de artikelen 16, tweede lid, 18, 19 en 20, § 1, van het decreet van 22 december 2010 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen een verschil in behandeling zouden invoeren tussen, enerzijds, de persoon die wordt vervolgd wegens een overtreding vastgesteld door een domaniale politieagent bedoeld in het decreet van 19 maart 2009 en, anderzijds, de persoon die wordt vervolgd wegens een overtreding vastgesteld door een bevoegde persoon bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.

Het discriminerende karakter van dat verschil in behandeling zou voortkomen uit het statuut van de domaniale politieagent.

B.10.2. Het statuut en de bevoegdheden van de domaniale politie ingesteld bij het decreet van 19 maart 2009 worden geregeld in andere bepalingen van dat decreet dan die welke bij de bestreden bepalingen werden gewijzigd.

Het in het middel bekritiseerde verschil in behandeling staat los van de bestreden bepalingen.

B.10.3. Het tweede middel is evenmin gegrond, in zoverre daarin dat verschil in behandeling wordt aangeklaagd.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 31 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 22 december 2010 betreffende de verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake wegen en waterwegen, ingesteld door de « Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke ondernemers ». Verkeersveiligheid

  • Inbreuk op de wetgeving

  • Overlading van een voertuig

  • Administratieve geldboeten

  • 1. Rechtsmiddelen

  • 2. Materieel element van het misdrijf

  • 3. Herstel van het openbaar domein

  • 4. Statuut van het personeelslid bevoegd om het misdrijf vast te stellen.