- Arrest van 12 juni 2012

12/06/2012 - 73/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- wijst de afstand van de « Université catholique de Louvain » toe;

- verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 28 juli 2011 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 29 juli 2011, zijn twee beroepen tot vernietiging ingesteld van de artikelen 17 tot 21 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 februari 2011, tweede editie) respectievelijk door de gemeente Waterloo en door : de vzw « Collège Notre Dame », met zetel te 1300 Waver, rue du Calvaire 4, de vzw « Enseignement secondaire catholique de la Vallée Bailly », met zetel te 1420 Eigenbrakel, rue Vallée Bailly 102, de vzw « Ecoles Fondamentales et Lycée de l'Institut de l'Enfant Jésus », met zetel te 1400 Nijvel, rue de Sotriamont 1, de vzw « Centre Scolaire du Sacré-Coeur de Lindthout », met zetel te 1200 Brussel, Tweelindenlaan 2, de vzw « Institut du Sacré-Coeur », met zetel te 1400 Nijvel, rue Saint Jean 2, de vzw « Collège du Christ-Roi », met zetel te 1340 Ottignies-Louvain-la-Neuve, rue de Renivaux 25, de vzw « Collège Sainte-Gertrude », met zetel te 1400 Nijvel, Faubourg de Mons 1, de vzw « Institut Saint-André d'Ixelles », met zetel te 1050 Brussel, Renbaanlaan 180, de vzw « Institut des Sacrés-Coeurs », met zetel te 1410 Waterloo, Place Albert Ier, de vzw « Centre scolaire de Berlaymont », met zetel te 1410 Waterloo, Drève d'Argenteuil 10a, de vzw « Comité d'Enseignement Annonciades d'Heverlee », met zetel te 1150 Brussel, Luchtvaartlaan 72, de vzw « Ecole Sainte-Anne », met zetel te 1410 Waterloo, rue Sainte-Anne 41-43, de vzw « Comité Organisateur de l'Institut Saint Jean-Baptiste des Frères des Ecoles Chrétiennes, section primaire et humanités », met zetel te 1300 Waver, rue de Bruxelles 45, de vzw « Centre Scolaire Maria Assumpta », met zetel te 1020 Brussel, Wannekouterlaan 76, de vzw « Comité Scolaire Providence », met zetel te 1200 Brussel, Weggevoerdenstraat 38-40, de vzw « Collège Cardinal Mercier », met zetel te 1420 Eigenbrakel, chaussée de Mont-Saint-Jean 83, de vzw « Centre d'établissement secondaire libre Notre-Dame des Champs », met zetel te 1180 Brussel, Edith Cavellstraat 143, de « Université Catholique de Louvain », met zetel te 1348 Louvain-la-Neuve, place de l'Université 1, de vzw « Centre Scolaire Notre-Dame de la Sagesse », met zetel te 1083 Brussel, Van Overbekelaan 10, de vzw « Institut Saint-Dominique », met zetel te 1030 Brussel, Korporaal Claesstraat 38, de vzw « Institut Saint-Boniface-Parnasse », met zetel te 1050 Brussel, Viaductstraat 82, de vzw « Centre Scolaire de Ma Campagne », met zetel te 1050 Brussel, Afrikaansestraat 3, de vzw « Centre Scolaire Maris Stella et Notre-Dame de Lourdes », met zetel te 1020 Brussel, Félix Sterckxstraat 44, de vzw « Centre d'Education et de Culture Instituts de l'Enfant Jésus et de Sainte-Agnès », met zetel te 1040 Brussel, Generaal Lemanstraat 74, de vzw « Association des Parents du Collège Cardinal Mercier », met zetel te 1420 Eigenbrakel, chaussée de Mont-Saint-Jean 83, Priscilla Leman, wonende te 1150 Brussel, Mostincklaan 80, Nathalie van den Eynde de Rivieren, wonende te 1000 Brussel, Wethoudersstraat 10, Pascale Pilawski, wonende te 1180 Brussel, Paul Hankarstraat 24, Régine Vanderhaeghen, wonende te 1410 Waterloo, avenue des Sansonnets 28, Franck Atienzar en Sandrine Ghisgant, wonende te 1420 Eigenbrakel, rue Corniche 18, Graig Cerasi en Anne Bonnaud, wonende te 1410 Waterloo, rue de la Station 61, Iris Leenknegt, wonende te 1410 Waterloo, rue de Mereault 8, Véronique Delmez, wonende te 1410 Waterloo, Drève des Chasseurs 17, Nathalie Humblet, wonende te 1410 Waterloo, avenue des Croix du Feu 46, Jacopo Giola en Isabelle Leloup, wonende te 1410 Waterloo, avenue des Constellations 18, Jean-Claude Lovenweent, wonende te 1495 Sart-Dames-Avelines, rue de la Houlette 43A, Sybille Vercoutere, wonende te 1410 Waterloo, avenue du Corps de Chasse 8, Maria-Teresa Morcillo Sneiders, wonende te 1410 Waterloo, rue Obecq 18, Valérie Sanguinetti, wonende te 1410 Waterloo, avenue des Sansonnets 37, Vanessa Issi, wonende te 1000 Brussel, Vleurgatsesteenweg 184, en Jean-Guy Defraigne, wonende te 1150 Brussel, Eendekkerlaan 1.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5193 en 5194 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 17 tot 21 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap ».

Die artikelen maken deel uit van titel IV van het programmadecreet en vormen hoofdstuk V ervan, met als opschrift « Bepalingen betreffende de gedifferentieerde omkadering ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

De verzoekende partijen zijn inrichtende machten van onderwijsinstellingen die zijn ondergebracht in klassen die gaan van 2 tot 20, in de zin van artikel 4 van het voormelde decreet van 30 april 2009, ouders van leerlingen die onderwijs volgen in instellingen van klassen 13 tot 20, en een vereniging van ouders van leerlingen die in een instelling van klasse 20 zijn ingeschreven.

B.2.2. Bij op 19 december 2011 ter post aangetekende brief, op 20 december 2011 ingekomen ter griffie van het Hof, heeft de « Université Catholique de Louvain », achttiende verzoekende partij in de zaak nr. 5194, het Hof meegedeeld dat zij afstand doet van haar beroep.

Niets belet te dezen dat het Hof de afstand toewijst.

B.2.3. Volgens de Franse Gemeenschapsregering doen de verzoekende partijen niet blijken van enig belang om de vernietiging van de artikelen 18 en 19 van het bestreden decreet te vorderen.

Die bepalingen, die het « lestijdenpakket van het basisonderwijs » en het « totale aantal lestijden-leerkracht van het secundair onderwijs » die aan de onderwijsinstellingen van klassen 13 tot 20 zijn toegekend, voorzien van een verminderingscoëfficiënt en bijgevolg de menselijke middelen verminderen die ter beschikking zijn gesteld van die instellingen, zouden de verzoekende partijen geen nadeel berokkenen. Volgens de Franse Gemeenschapsregering schorten het decreet van 19 juli 2011 « houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2011 », alsook het decreet van 22 december 2011 « houdende de oorspronkelijke begroting voor het begrotingsjaar 2012 », die inhouding immers op. De Franse Gemeenschapsregering deelt bovendien het bestaan mee van een voorontwerp van decreet dat ertoe strekt de genoemde inhouding zonder meer op te heffen.

De omstandigheid dat de door de verzoekende partijen bekritiseerde maatregel niet onmiddellijk van toepassing is, kan hen niet hun belang om de vernietiging ervan te vorderen doen verliezen. Hetzelfde geldt voor de loutere mogelijkheid dat die maatregel door de decreetgever wordt opgeheven.

De exceptie wordt verworpen.

B.2.4. De Franse Gemeenschapsregering voert ook aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging van de bij artikel 17 van het bestreden decreet aangebrachte correcties aan de herwaarderingspercentages die voor de instellingen van klassen 1 tot 3a zijn vastgesteld, noch bij de vernietiging van het schrappen, bij dat artikel, van de benaming « vestigingen met positieve discriminatie ». De verzoekende partijen zouden evenzeer verstoken zijn van een belang bij het verkrijgen van de vernietiging van de bestreden bepaling die het beginsel van de ontstentenis van enige herwaardering van de dotaties en subsidies voor het jaar 2011 voortzet, aangezien die maatregel op alle onderwijsinstellingen van toepassing is. Ten slotte zou het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk zijn in zoverre het betrekking zou hebben op de bepalingen die ertoe strekken de menselijke middelen aan te passen die beschikbaar zijn voor de instellingen die het systeem van de gedifferentieerde omkadering genieten, en die dus niet nadelig kunnen zijn voor de verzoekende partijen.

B.2.5. Die drie excepties van onontvankelijkheid hangen af van de draagwijdte van de bestreden bepalingen.

Wanneer een exceptie van niet-ontvankelijkheid die is afgeleid uit de ontstentenis van belang, echter betrekking heeft op de draagwijdte die dient te worden gegeven aan de bestreden bepaling, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met het onderzoek van de grond van de zaak.

Ten gronde

B.3. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in zoverre de decreetgever de onderwijsinstellingen van klassen 13 tot 20, enerzijds, en de andere onderwijsinstellingen, en in het bijzonder die van klasse 6 tot 12, anderzijds, zonder redelijke verantwoording verschillend zou behandelen, aangezien enkel de eerstgenoemde gedeeltelijk de financiële last van het opzetten van de derde fase van het beleid van gedifferentieerde omkadering, bedoeld in het voormelde decreet van 30 april 2009, moeten dragen.

B.4.1. De bestreden bepalingen worden in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :

« Het decreet van 30 april 2009 ' houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving ' voorziet zowel in een verhoging met 40 miljoen euro van de middelen besteed aan de beleidskeuzes inzake differentiatie, die van 22 616 000 euro naar 62 616 000 euro zullen gaan, als in een verdubbeling van het aantal betrokken leerlingen waarbij dat aantal van 12,5 pct. in het basisonderwijs en van 13,5 pct. in het secundair onderwijs naar 25 pct. stijgt.

Die 40 miljoen euro extra wordt gelijk verdeeld tussen het gewone basisonderwijs en het gewone secundair onderwijs, waarvan 20 pct. wordt besteed aan de werkingsmiddelen en 80 pct. wordt omgezet in lestijdenpakketten of in extra lestijden-leerkracht.

Die toename met 40 miljoen euro zal uiteindelijk in drie fasen worden toegewezen :

+ 15 miljoen euro voor het schooljaar 2009-2010;

+ 10 (in totaal 25) miljoen euro extra vanaf het schooljaar 2010-2011;

+ 15 (in totaal 40) miljoen euro extra vanaf het schooljaar 2011-2012.

Een eerste schijf van 15 miljoen euro is sedert de aanvang van het schooljaar in september 2009 in werking gesteld door de inbreng van nieuwe middelen. Bij die eerste schijf werd de sleutel 50-50 tussen het basisonderwijs en het secundair onderwijs en de sleutel 80-20 tussen menselijke middelen (+ 4 293 lestijden voor het basisonderwijs en + 3 668 lestijden voor het secundair onderwijs) en werkingsmiddelen (+ 1,5 miljoen euro per niveau) in acht genomen.

Een tweede schijf is bij de aanvang van het schooljaar 2010 in werking gesteld door de inbreng van nieuwe middelen. Die schijf is integraal omgezet in menselijke middelen in de vorm van extra lestijden-leerkracht (+ 2 869 lestijden) en lestijdenpakketten (+ 3 358) volgens de sleutel 50-50.

Het saldo van 15 miljoen euro zal vanaf de aanvang van het schooljaar 2011 in werking worden gesteld met inachtneming van de sleutel 50-50 tussen de niveaus en volgens de sleutel 2/3-1/3 voor de verdeling tussen menselijke middelen (+ 3 358 lestijden voor het basisonderwijs en + 2 869 lestijden voor het secundair onderwijs) en aanvullende middelen (+ 2,5 miljoen euro per niveau), teneinde de sleutels in acht te nemen waarin oorspronkelijk is voorzien voor de toewijzing van de 40 miljoen euro.

De laatste 15 miljoen euro zal worden gefinancierd door de inbreng van 7 miljoen euro ten laste van de begroting en door 8 miljoen euro aan inhoudingen op de scholen die vanwege hun sociaaleconomische indexcijfer tot de klassen 13 tot 20 behoren.

Zowel met betrekking tot de nieuwe inbreng als met betrekking tot de inhouding wordt aangenomen dat 1/3 betrekking heeft op de werkingsmiddelen en 2/3 op de omkadering.

De 8 miljoen euro zal dus worden ingehouden naar rata van :

- 2,67 miljoen euro op de dotaties en subsidies van de instellingen voor gewoon onderwijs die een gunstiger indexcijfer hebben en die samen 40 pct. van de leerlingen onderwijs verschaffen (acht laatste schijven van 5 pct.). De inhouding zal progressief zijn en van 0,512 pct. voor de dertiende schijf stijgen tot 2,048 pct. voor de twintigste schijf, in opeenvolgende stappen van 0,21943 pct.

- 5,64 miljoen euro in totaal op het lestijdenpakket van het basisonderwijs en op het totale aantal lestijden-leerkracht van het secundair onderwijs. Het is de bedoeling het kleuteronderwijs te vrijwaren en dezelfde percentages van inhouding te verrichten op het basisonderwijs en het secundair onderwijs. De inhouding geschiedt ook op de acht laatste schijven. De inhouding zal progressief zijn en zal van 0,1733 pct. voor de dertiende schijf stijgen tot 1,3867 pct. voor de twintigste schijf, in opeenvolgende stappen van 0,1733 pct.

[...]

Samengevat geniet 25 pct. van de in vijf schijven van 5 pct. gerangschikte leerlingen op degressieve wijze het nieuwe mechanisme (die van de scholen met de zwakste indexcijfers), de zeven volgende schijven genieten ze niet en dragen niet bij, de acht laatste schijven dragen een beetje en progressief bij » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2010-2011, nr. 142/1, pp. 6-7).

B.4.2. De decreetgever beoogde de onderwijsinstellingen van klassen 13 tot 20 financieel te doen bijdragen aan de inwerkingstelling van de derde fase van het beleid van gedifferentieerde omkadering door hun werkingsdotatie of -subsidie en de te hunner beschikking gestelde menselijke middelen te beperken. Aldus blijven de financiële middelen van de instellingen van klassen 13 tot 20 toenemen, met uitzondering van de middelen van de instellingen van klasse 20 die onveranderlijk blijven, maar minder snel dan de financiële middelen van de andere scholen.

B.5.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet er zich niet tegen dat de decreetgever afziet van zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens, moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. Het komt de decreetgever toe, rekening houdend met de beperkte budgettaire armslag waarover hij beschikt, te oordelen of een beleidswijziging inzake de financiering van de onderwijsinstellingen noodzakelijk is.

Het Hof kan een dergelijke beleidswijziging slechts beoordelen binnen de in de Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalde perken van zijn bevoegdheid. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is niet geschonden om de enkele reden dat een nieuwe maatregel de berekeningen in de war stuurt van degenen die op het behoud van het vroegere beleid hadden gerekend.

B.5.2. Bovendien komt het de decreetgever toe de meest geschikte financieringsmethodes te kiezen met betrekking tot de instellingen die onder zijn bevoegdheidssfeer vallen. Het staat niet aan het Hof te oordelen of die keuze opportuun of wenselijk is.

B.6. De bestreden bepalingen beogen een antwoord te bieden op de problematiek van de kansenongelijkheid in het onderwijs door rekening te houden met de verplichtingen die op de begroting van de Franse Gemeenschap rusten, en streven dus een legitiem doel na door de financiering van de in het voormelde decreet van 30 april 2009 bedoelde maatregelen van gedifferentieerde omkadering te verzekeren.

B.7.1. Met toepassing van artikel 4, vierde lid, van het voormelde decreet van 30 april 2009 worden de onderwijsinstellingen in verschillende klassen verdeeld aan de hand van een aan elke onderwijsinstelling toegekend indexcijfer dat overeenstemt met het gemiddelde van de sociaaleconomische indexcijfers van de daarin ingeschreven leerlingen. Het indexcijfer van elke leerling wordt bepaald door het indexcijfer dat door een interuniversitaire studie aan zijn verblijfplaats is toegekend, met toepassing van artikel 3 van hetzelfde decreet.

B.7.2. Bij zijn arrest nr. 4/2011 van 13 januari 2011 heeft het Hof geoordeeld dat de decreetgever gebruik kon maken van een dergelijke rangschikking teneinde te bepalen of een leerling, naar gelang van zijn instelling voor lager onderwijs van herkomst, moest worden geacht over een zwak sociaaleconomisch indexcijfer te beschikken en bijgevolg de plaatsen moest genieten die in het eerste jaar van het secundair onderwijs aan die categorie van leerlingen zijn voorbehouden :

« De keuze van de decreetgever voor een criterium dat steunt op de sociaaleconomische rangschikking van de basis- of lagere school van herkomst van de leerling, en niet van de wijk waar hij verblijft, is niet kennelijk onredelijk. De plaats van de lagere school in de sociaaleconomische rangschikking van de scholen geeft immers de gemiddelde sociaaleconomische situatie weer van de leerlingen die er onderwijs volgen, en staat dus niet los van het persoonlijke sociaaleconomische indexcijfer van iedere leerling. Hoewel het vaststaat dat sommige leerlingen een sociaaleconomisch indexcijfer hebben dat hoger of, naar gelang van het geval, lager is dan het gemiddelde van de leerlingen die in dezelfde inrichting onderwijs volgen, zou een vergelijkbare situatie kunnen worden waargenomen wanneer het sociaaleconomische indexcijfer werd bepaald op basis van de wijk waar de leerling verblijft. Immers, aangezien het sociaaleconomische indexcijfer van de wijk eveneens steunt op het gemiddelde van de resultaten van de inwoners van de wijk voor elke in aanmerking genomen factor, hebben sommige bewoners een hoger of, naar gelang van het geval, lager sociaaleconomisch indexcijfer dan het gemiddelde van de bewoners van de wijk, zodat geen enkele van die twee oplossingen het mogelijk maakt het aan een leerling toegekende sociaaleconomische indexcijfer volledig af te stemmen op zijn persoonlijke situatie. Ten slotte past de inaanmerkingneming van de sociaaleconomische rangschikking van de school in het kader van de continuïteit van de regeling ingevoerd bij het voormelde decreet van 30 april 2009 » (B.6.6).

B.7.3. Om dezelfde redenen is het gebruik van een dergelijk sociaaleconomisch indexcijfer om de onderwijsinstellingen te identificeren waaraan, wegens de bevolking ervan, een bijzondere ondersteuning moet worden toegekend in termen van financiële en menselijke middelen, niet zonder redelijke verantwoording.

Daaruit volgt dat de decreetgever, in zoverre hij rekening houdt met het sociaaleconomische indexcijfer van de instellingen om te bepalen welke van die instellingen moeten bijdragen tot het opzetten van een gelijkekansenbeleid, namelijk de instellingen die de 40 pct. van de schoolbevolking groeperen en die vanuit sociaaleconomisch oogpunt als het meest begunstigd wordt beschouwd, een criterium hanteert dat in een redelijk verband van evenredigheid staat met de doelstelling die hij nastreeft.

B.8. Het verschil in behandeling in termen van menselijke en financiële middelen tussen de instellingen van klassen 13 tot 20 en de instellingen van klassen 1 tot 5 wordt redelijk verantwoord door de klaarblijkelijk verschillende behoeften van beide soorten van instellingen.

Het verschil in behandeling in termen van menselijke en financiële middelen tussen de instellingen van klassen 13 tot 20 en de instellingen van klassen 6 tot 12 wordt redelijk verantwoord wegens de verschillen die tussen de schoolbevolkingen van die twee soorten van instellingen bestaan. De scholen die tot de klassen 6 tot 12 behoren, vertonen immers een gemiddeld sociaaleconomisch indexcijfer dat, hoewel het kan verantwoorden dat zij geen mechanismen van gedifferentieerde omkadering genieten, ook verklaart waarom op die scholen geen beroep wordt gedaan om die omkadering te financieren.

De sociaaleconomische verschillen die bestaan tussen instellingen die hetzij tot klasse 12 hetzij tot klasse 13 behoren, kunnen gering lijken. Die omstandigheid is evenwel niet van die aard dat zij het bestreden verschil in behandeling zijn verantwoording ontneemt, nu de decreetgever in een uitermate technische aangelegenheid de verscheidenheid van toestanden vermag op te vangen in categorieën die tegelijk slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze kunnen overeenstemmen met de werkelijkheid en voortvloeien uit de noodzaak om ergens een grens te trekken.

B.9.1. Bovendien wordt de inspanning progressief verdeeld over de scholen, waarin de 40 pct. van de schoolbevolking is ingeschreven die vanuit sociaaleconomisch oogpunt als het meest begunstigd wordt beschouwd, en voor wie de beperking van de menselijke en financiële middelen bijdraagt tot de financiering van de maatregelen van gedifferentieerde omkadering voor de scholen waarin de 25 pct. van de schoolbevolking is ingeschreven die vanuit sociaaleconomisch oogpunt als het meest benadeeld wordt beschouwd.

B.9.2. Overigens blijven de aan de onderwijsinstellingen van klassen 13 tot 19 toegewezen financiële middelen toenemen, weliswaar minder snel dan de aan de andere onderwijsinstellingen toegekende middelen.

B.10. Het eerste middel is niet gegrond.

B.11. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet in zoverre de decreetgever een te ruime delegatie aan de Franse Gemeenschapsregering en aan onafhankelijke deskundigen zou hebben verleend bij het bepalen van de berekeningswijze van het sociaaleconomische indexcijfer dat het mogelijk maakt de onderwijsinstellingen in verschillende klassen in te delen.

B.12. De berekeningswijze van het sociaaleconomische indexcijfer wordt gedefinieerd in artikel 3 van het voormelde decreet van 30 april 2009.

Artikel 3 van dat decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2010, bepaalt :

« Om de vijf jaar, vóór 30 november, en voor de eerste keer ten laatste vóór 30 april 2010, toont een interuniversitaire studie voor de Franse Gemeenschap het socio-economisch indexcijfer aan van elke statistische sector, dit wil zeggen van elke kleinste territoriale subdivisie bepaald door de Algemene Directie Statistiek en Economische informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, door bemiddeling van een berekeningsformule door rekening te houden met de laatste statistische gegevens die beschikbaar zijn voor de volgende criteria :

1° inkomsten per inwoner;

2° niveau van diploma's;

3° werkloosheidsgraad, activiteitsgraad en het aantal personen die in aanmerking komen voor het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimum inkomen;

4° beroepsactiviteiten;

5° comfort van huisvestingen.

Elk criterium wordt bepaald in functie van één of meer variabelen.

Het socio-economische indexcijfer van elke statistische sector wordt uitgedrukt met een ongelijksoortig indexcijfer waarvan de lage waarde een minder begunstigd socio-economisch niveau aantoont. De berekeningsformule van dit indexcijfer moet goedgekeurd worden door de Regering van de Franse Gemeenschap, hierna ' de Regering ' genoemd, en toont de variabelen aan die elk criterium bepalen, alsook het respectievelijke gedeelte van elke onder hen in het kader van de berekeningsformule.

In voorkomend geval, om de socio-economische typologie van de verschillende statistische sectoren te vervolmaken of om één of meer criteria te vervangen waarvoor de statistische gegevens onbeschikbaar, onvolledig of verouderd zouden zijn, kan de studie bedoeld in het eerste lid voorstellen om andere criteria te laten voorkomen in de formule die bepaald worden in functie van één of meer variabelen die door de Regering ook goedgekeurd moeten worden ».

B.13. De verzoekende partijen bekritiseren de omvang van de in die bepaling vervatte delegatie van bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapsregering en aan de deskundigen die belast zijn met de daarin bedoelde interuniversitaire studie. Die grief is echter vreemd aan de bestreden bepalingen. Hij heeft in werkelijkheid enkel betrekking op de regel vervat in artikel 3 van het decreet van 30 april 2009. De omstandigheid dat sommige bestreden bepalingen steunen op de rangschikking die dankzij die berekeningsmethode is verkregen en daartoe verwijzen naar artikel 4 van het decreet van 30 april 2009, kan hoogstens worden beschouwd als een louter technische verwijzing die niet de uiting is van de wil van de decreetgever om over die kwestie opnieuw wetgevend op te treden.

B.14. Het tweede middel is onontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

- wijst de afstand van de « Université catholique de Louvain » toe;

- verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de artikelen 17 tot 21 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap », ingesteld door de gemeente Waterloo en door de vzw « Collège Notre Dame » en anderen. Publiek recht

  • Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Beleid van gedifferentieerde omkadering

  • 1. Financiële last

  • a. Inachtneming van het sociaaleconomische indexcijfer van de instellingen

  • b. Beperking van de middelen toegewezen aan onderwijsinstellingen van klassen 13 tot 19

  • 2. Berekeningswijze van het sociaaleconomische indexcijfer

  • Delegatie van bevoegdheden.