- Arrest van 12 juni 2012

12/06/2012 - 74/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 september 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 september 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 maart 2011) en van de wet van 29 april 2011 tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen inzake Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van de bevoegdheid toegekend aan de Koning betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2011) door Joannes Wienen, wonende te 2950 Kapellen, Kastanjedreef 73.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het onderwerp van het beroep

B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit en van de wet van 29 april 2011 tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen inzake Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van de bevoegdheid toegekend aan de Koning betreft.

B.1.2. De artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 13 maart 2011 bepalen :

« Art. 6. § 1. Met het oog op de modernisering en verbetering van het economisch regulerende systeem van de houder van de exploitatielicentie van luchthaven Brussel-Nationaal en op de omzetting van Richtlijn 2009/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden treft de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, alle nuttige maatregelen teneinde de exploitatievoorwaarden van de licentie te wijzigen, met inbegrip van de aanpassing van de bestaande burgerlijke, administratieve en strafrechtelijke sancties in verband met de exploitatievoorwaarden van de licentie, indien nodig.

§ 2. De strafrechtelijke sancties mogen een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van vijfhonderd EUR niet overschrijden. Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op de overtredingen van de betrokken bepalingen. De administratieve geldboeten mogen twee miljoen EUR niet overschrijden of drie procent van het omzetcijfer dat de betrokken persoon in het kader van de exploitatie van luchthaveninstallaties tijdens het laatste afgesloten boekjaar heeft gerealiseerd, in geval het laatste bedrag groter is. Elke administratieve geldboete die aan een persoon wordt opgelegd en die definitief is geworden vooraleer de strafrechter zich definitief over dezelfde feiten of samenhangende feiten heeft uitgesproken, wordt aangerekend op het bedrag van elke strafrechtelijke boete die voor deze feiten ten aanzien van dezelfde persoon wordt uitgesproken.

Art. 7. De besluiten die krachtens artikel 6 worden vastgesteld, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen. Vóór hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden de besluiten die krachtens voornoemd artikel 6 zijn vastgesteld, medegedeeld aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Art. 8. § 1. De bevoegdheden die door artikel 6 aan de Koning worden verleend, vervallen op 15 maart 2011.

§ 2. De besluiten die krachtens artikel 6 worden vastgesteld, worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien zij niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de zes maanden na de datum van hun inwerkingtreding. Deze bekrachtiging heeft uitwerking met ingang van deze datum.

§ 3. Na 15 maart 2011 kunnen de besluiten die krachtens artikel 6 zijn vastgesteld en zijn bekrachtigd overeenkomstig § 2, alleen bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven ».

B.1.3. De wet van 29 april 2011 bepaalt :

« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 8 van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in paragraaf 1 wordt het woord ' maart ' vervangen door het woord ' mei ';

2° in paragraaf 3 wordt het woord ' maart ' vervangen door het woord ' mei ' ».

B.2.1. In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij aan dat de vernietiging van de bestreden bepalingen ook de vernietiging met zich brengt van de wet van 2 december 2011 « houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC en tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van bekrachtiging betreft ».

B.2.2. Het staat niet aan de verzoekende partij in haar memorie van antwoord het onderwerp van het beroep zoals door haarzelf afgelijnd in het verzoekschrift, uit te breiden.

Ten aanzien van het belang

B.3. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

B.4. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep omdat de verzoekende partij geen belang zou hebben bij de gevorderde vernietiging.

B.5.1. Ter verantwoording van haar belang voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen voor haar nadelig zijn, vermits ten gevolge ervan de beslissingen van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal ongedaan kunnen worden gemaakt door de minister, wat ertoe zou leiden dat de luchthavenvergoedingen die passagiers van de luchthaven Brussel-Nationaal betalen, zouden worden verhoogd.

B.5.2.1. Het bestreden artikel 6 van de wet van 13 maart 2011 machtigt de Koning om, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, alle nuttige maatregelen te nemen teneinde de exploitatievoorwaarden van de licentie van de luchthaven Brussel-Nationaal te wijzigen. Het bestreden artikel 7 van diezelfde wet bepaalt dat de besluiten genomen op grond van die machtiging van kracht zijnde wettelijke bepalingen kunnen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen. Het bestreden artikel 8 van diezelfde wet, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 2 van de wet van 29 april 2011, bepaalt dat de aan de Koning verleende machtiging vervalt op 15 mei 2011 en dat de op grond van die machtiging genomen besluiten geacht worden nooit uitwerking te hebben gehad indien zij niet zijn bekrachtigd binnen zes maanden na de datum van hun inwerkingtreding.

B.5.2.2. De bestreden bepalingen regelen op geen enkele wijze de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal, noch de luchthavenvergoedingen die passagiers van de luchthaven Brussel-Nationaal betalen.

B.5.3. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de onafhankelijkheid van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal niet wordt gewaarborgd, viseert ze in werkelijkheid artikel 8 van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties, dat bepaalt dat het tariefsysteem en elke wijziging ervan vastgesteld door de economisch regulerende overheid onderworpen zijn aan een beslissing van de minister.

B.5.4. Het feit dat passagiers van de luchthaven Brussel-Nationaal mogelijkerwijs hogere luchthavenvergoedingen zullen moeten betalen, vloeit niet voort uit de bestreden bepalingen, maar uit het gebruik dat de minister in voorkomend geval van zijn hiervoor vermelde beslissingsbevoegdheid maakt.

B.6.1. De verzoekende partij voert tevens aan dat, vermits zij de schending aanvoert van de richtlijn 2009/12/EG van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden, het Unierecht zich ertegen zou verzetten dat haar vordering niet ontvankelijk wordt verklaard.

B.6.2. Bij ontstentenis van een desbetreffende Unieregeling is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (HvJ, 14 december 1995, C-430/93 en C-431/93, Van Schijndel en Van Veen, punt 17; HvJ, 9 december 2003, C-129/00, Commissie/Italië, punt 25; HvJ, 7 juni 2007, C-222/05 tot C-225/05, van der Weerd e.a., punt 28).

B.6.3. Het vereiste over een belang te beschikken geldt zonder onderscheid voor elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt en is niet van die aard dat het de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Dat is des te meer het geval daar de luchthavengelden waarvan de heffing wordt geregeld door de richtlijn 2009/12/EG, moeten worden betaald door de luchthavengebruikers, zijnde « iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die naar of vanaf de desbetreffende luchthaven door de lucht passagiers, post en/of vracht vervoert » (artikel 2, punt 3), van die richtlijn). De door de richtlijn geregelde luchthavengelden moeten derhalve niet rechtstreeks worden betaald door de passagiers.

B.7. Het beroep tot vernietiging is niet ontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit en van de wet van 29 april 2011 tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen inzake Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van de bevoegdheid toegekend aan de Koning betreft, ingesteld door Joannes Wienen. Economisch recht

  • Uitbating van luchthavens

  • Luchthaven Brussel-Nationaal

  • Licentie

  • Wijziging van de exploitatievoorwaarden

  • Machtiging aan de Koning. # Rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging

  • Niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang.