- Arrest van 14 juni 2012

14/06/2012 - 75/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

vernietigt artikel 3, 1°, c), en 4°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 juni 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 juni 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, 1°, c), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2010, tweede editie), door de nv « Cordeel Zetel Temse », met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Eurolaan 7.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juli 2011, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, 1°, c), en 4°, van hetzelfde decreet door de bvba « Algemene Bouwonderneming J. Bogman », met maatschappelijke zetel te 3630 Maasmechelen, Ringlaan 18, de vennootschap naar Nederlands recht « Bostacon bv », met maatschappelijke zetel te NL-6161 AG Geelen (Nederland), Vouersweg 107, en Johannes Bogman, wonende te 3630 Maasmechelen, Jozef Smeetslaan 199.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5168 en 5173 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen en daarmee verband houdende bepalingen

B.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5168 vordert de vernietiging van artikel 3, 1°, c), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling (hierna : decreet van 10 december 2010). De verzoekende partijen in de zaak nr. 5173 vorderen de vernietiging van zowel de voormelde bepaling als van artikel 3, 4°, van datzelfde decreet.

B.1.2. Het decreet van 10 december 2010 vormt de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (artikel 2 van het decreet van 10 december 2010) en heft het decreet op van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaamse Gewest (artikel 37 van het decreet van 10 december 2010).

Het decreet van 10 december 2010 geeft - zoals het decreet van 13 april 1999 - mede uitvoering aan het op 19 juni 1997 te Genève door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie aangenomen Verdrag nr. 181 betreffende de particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling (hierna : IAO-Verdrag nr. 181), dat de toelating tot de private arbeidsbemiddeling mogelijk maakt mits een bescherming van de werknemers tegen misbruiken.

Artikel 1, lid 1, van het IAO-Verdrag nr. 181 bepaalt :

« Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder ' particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling ' verstaan, iedere fysieke of rechtspersoon die, onafhankelijk van de overheid, één of meer van de volgende met de arbeidsmarkt in verband staande diensten verleent;

a) diensten die tot doel hebben het aanbod en de vraag op de arbeidsmarkt nader tot elkaar te brengen zonder dat het particuliere bureau partij wordt in de arbeidsrelatie die daar kan uit voortvloeien;

b) diensten die bestaan in het tewerkstellen van werknemers met als doel die ter beschikking te stellen van een derde fysieke of rechtspersoon (voorts ' gebruiker-onderneming ' genoemd) welke hen taken oplegt en welke op de uitvoering van die taken toeziet;

c) andere diensten die verband houden met het zoeken naar een baan, omschreven door de bevoegde autoriteit na raadpleging van de meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, zoals het verstrekken van informatie, zonder dat het de bedoeling is een specifieke vraag en een specifiek aanbod nader tot elkaar brengen ».

Artikel 3, lid 2, van dat Verdrag bepaalt :

« Ieder Lid bepaalt, via een regeling voor het verlenen van licenties of erkenningen, de voorwaarden waarbinnen de particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling mogen optreden, behalve wanneer die voorwaarden op een andere wijze in de nationale wetgeving of praktijk zijn geregeld ».

Het decreet van 13 april 1999 regelde zowel de erkenning van de uitzendbureaus als die van de private bureaus voor arbeidsbemiddeling.

Artikel 2, 1°, van dat decreet omschreef de private arbeidsbemiddeling als :

« a) de activiteiten uitgeoefend door een tussenpersoon, die erop gericht zijn werknemers bij te staan bij het zoeken van een nieuwe tewerkstelling of werkgevers bij het zoeken van werknemers;

b) het in dienst nemen van werknemers, om hen ter beschikking te stellen met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens de wet toegelaten tijdelijke arbeid ».

Artikel 8, § 1, van hetzelfde decreet stelde naast de algemene voorwaarden die gelden voor elke vorm van private arbeidsbemiddeling enkele bijkomende voorwaarden voor « het in dienst nemen van werknemers, om hen ter beschikking te stellen met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens hoofdstuk II van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, toegelaten tijdelijke arbeid ».

De in de voormelde wet van 24 juli 1987 bedoelde uitzendbureaus moesten zijn opgericht in de vorm van een handelsvennootschap en beschikken over een volledig volgestort kapitaal van ten minste 1 250 000 frank; zij mochten geen achterstallige bijdragen verschuldigd zijn en niet in ernstige overtreding zijn van de wettelijke of reglementaire bepalingen in verband met uitzendarbeid. Bovendien was het verboden om bij exclusiviteit personen ter beschikking te stellen van één gebruikende onderneming.

Artikel 7, § 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers (hierna : de wet van 24 juli 1987) definieert het uitzendbureau als « de onderneming waarvan de activiteit erin bestaat uitzendkrachten in dienst te nemen om hen ter beschikking van gebruikers te stellen met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens hoofdstuk I van deze wet toegelaten tijdelijke arbeid ».

Enerzijds, heeft de decreetgever, rekening houdende met de voormelde Dienstenrichtlijn 2006/123/EG, ervoor geopteerd niet langer een erkenningsregeling te behouden voor de bureaus voor private arbeidsbemiddeling, maar de naleving van de voorwaarden voor dienstverlening van private arbeidsbemiddeling (artikelen 4 tot 8 van het decreet van 10 december 2010) afdwingbaar te maken door middel van strafsancties en administratieve geldboeten (artikelen 23 tot 28).

Anderzijds, nu die richtlijn niet van toepassing is op uitzendbureaus, handhaaft het decreet van 10 december 2010 de erkenningsregels voor uitzendkantoren (artikelen 9 tot 19), mits een aantal wijzigingen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 641/1, pp. 4 en 58).

B.1.3. Artikel 9, § 1, van het decreet van 10 december 2010 bepaalt dat voor het verrichten van uitzendactiviteiten een erkenning als uitzendbureau is vereist. Krachtens artikel 9, § 2, dient een uitzendbureau, naast de voorwaarden bepaald in artikel 5, te voldoen aan de bijkomende voorwaarden bepaalt in de punten 1 tot 9 van die paragraaf.

Artikel 3, 5°, van het decreet van 10 december 2010 definieert het « uitzendbureau » als « het bureau dat uitzendactiviteiten verricht ».

Artikel 3, 4°, van het decreet van 10 december 2010 - dat in de zaak nr. 5173 mede is bestreden - definieert de « uitzendactiviteiten » als « het geheel van diensten als vermeld in punt 1, c) ».

Het voormelde « punt 1, c) », dat voorwerp is van de beide beroepen, maakt deel uit van artikel 3, 1°, van het decreet van 10 december 2010, dat bepaalt :

« In dit decreet wordt verstaan onder :

1° private arbeidsbemiddeling : het geheel van diensten uitgeoefend door een tussenpersoon die gericht zijn op :

a) het bijstaan van werknemers bij het zoeken van een nieuwe tewerkstelling;

b) het bijstaan van werkgevers bij het zoeken naar geschikte werknemers;

c) het in dienst nemen van werknemers om hen ter beschikking te stellen met het oog op de uitvoering van tijdelijke arbeid onder het gezag van een gebruiker ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering aanvoert, doen de verzoekende partijen blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, op basis waarvan hun door de sociaalrechtelijke inspectiedienst van het Vlaamse Departement Werk en Sociale Economie inbreuken op het decreet van 10 december 2010 ten laste worden gelegd.

B.3. De vzw « Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf » doet blijken van het rechtens vereiste belang bij haar tussenkomst, tot ondersteuning van het beroep in de zaak nr. 5168 en ter behartiging van de belangen van haar leden die bouwaannemers zijn.

Anders dan wat de Vlaamse Regering aanvoert, kan niet worden aangenomen dat de grieven van de tussenkomende partij enkel zijn gericht tegen een interpretatie en kwalificatie door de Vlaamse inspectiediensten, nu die interpretatie en kwalificatie rechtstreeks verband houden met de bestreden decreetsbepalingen zelf, op basis waarvan ook andere bouwondernemingen dan de verzoekende partijen zouden kunnen worden geviseerd.

Ten gronde

B.4. De verzoekende partijen voeren zowel de schending aan van de regels tot verdeling van de bevoegdheid tussen de federale Staat en de gewesten als van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het onderzoek van de overeenstemming van de bestreden bepalingen met de bevoegdheidverdelende regels moet in beginsel het onderzoek van de bestaanbaarheid ervan met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorafgaan.

B.5. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij voeren aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de artikelen 39 en 134 van de Grondwet en met artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, en IX, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Samen met de Ministerraad zijn zij van oordeel dat het Vlaamse Gewest zich niet kan beroepen op zijn bevoegdheid inzake de erkenning van uitzendbureaus, die een onderdeel is van de aan het Gewest bij artikel 6, § 1, IX, 1°, van de bijzondere wet toegewezen bevoegdheid wat de arbeidsbemiddeling betreft. Volgens hen maken de bestreden bepalingen daarentegen inbreuk op de bij artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet aan de federale overheid voorbehouden aangelegenheid van het arbeidsrecht.

De decreetgever zou met de bestreden bepalingen een eigen invulling hebben gegeven aan de begrippen terbeschikkingstelling en uitzendarbeid en inzonderheid zijn afgeweken van artikel 31, § 1, tweede lid, van de wet van 24 juli 1987, dat een afwijking inhoudt op het principiële verbod van terbeschikkingstelling van werknemers aan derden die niet geschiedt overeenkomstig de regelgeving inzake de tijdelijke arbeid en uitzendarbeid.

B.6. Uit de wet van 24 juli 1987, inzonderheid artikel 31, en uit de parlementaire voorbereiding daarvan blijkt dat de wetgever is blijven uitgaan van een principieel verbod op het ter beschikking stellen van werknemers aan derden, verbod dat reeds in de artikelen 32 en 33 van de wet van 28 juni 1976 houdende voorlopige regeling van de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers was opgenomen. Bij wege van uitzondering is de terbeschikkingstelling van werknemers wel mogelijk binnen het kader dat de wet van 24 juli 1987 bepaalt, met name in haar hoofdstukken I (met betrekking tot de tijdelijke arbeid) en II (met betrekking tot de uitzendarbeid).

Artikel 31, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987, zoals gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, bepaalt :

« Verboden is de activiteit die buiten de in de hoofdstukken I en II voorgeschreven regels, door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt ».

Bij artikel 181 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen is daaraan toegevoegd :

« Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van dit artikel, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk ».

Die toevoeging is in de memorie van toelichting als volgt verantwoord :

« Hieruit [uit artikel 31, § 1, eerste lid] volgt dat niet verboden is het ter beschikking stellen van een werknemer ten behoeve van een gebruiker wanneer geen enkel element van gezag dat normaal aan de werkgever van de ter beschikking gestelde werknemer toekomt, overgedragen wordt op de gebruiker.

In een dergelijk geval wordt men inderdaad geconfronteerd met een vorm van onderaanneming die buiten het kader van de wet van 24 juli 1987 valt, tot het handelsrecht behoort en een overeenkomst veronderstelt betreffende de uit te voeren taken tussen de dienstverlenende onderneming en de onderneming waarvoor de dienst moet verleend worden.

De wijze waarop de overeenkomst effectief zal uitgevoerd worden zal bepalend zijn om te weten of men valt onder een vorm van terbeschikkingstelling die verboden is omdat deze samengaat met een delegatie van gezag over de werknemer die de aan zijn werkgever gevraagde prestatie levert, ten voordele van de onderneming die van deze diensten gebruikmaakt, of men integendeel te maken heeft met een toegelaten terbeschikkingstelling omdat deze geen enkele overdracht van gezag met zich meebrengt.

Om de praktische problemen die op het terrein voorkomen op te lossen en teneinde rekening te houden met de evolutie in de werkingsmodaliteiten van de ondernemingen, wensten de sociale partners het kader van het verbod bepaald in artikel 31, § 1, beter te preciseren, een verbod dat in zijn beginsel geldig blijft, maar dat correct moet begrepen worden, zodanig dat de toepassing ervan correct zou zijn en zou kunnen gecontroleerd en indien nodig gesanctioneerd worden door de werknemers zelf, hun vertegenwoordigers of de organen belast met de controle van de sociale wetten in de ruime zin.

De ondernemingen hebben zich inderdaad zo georganiseerd dat ze voor bepaalde complexe werken een beroep moeten kunnen doen op werknemers die over een know-how beschikken die volledig of gedeeltelijk ontbreekt in de onderneming.

Ze wijzen erop dat het niet altijd gemakkelijk is om de grens te trekken tussen de terbeschikkingstelling en de onderaanneming in situaties waarbij het beroep op externe werknemers gerechtvaardigd is door de technologische evolutie en het fenomeen outsourcing.

Daartoe hebben de sociale partners een wijziging ingevoerd van artikel 31, § 1, van de wet van 24 juli 1987 met als bedoeling te bevestigen :

- dat de onderaanneming een aanvaardbaar procedé blijft om tegemoet te komen aan problemen van beschikbaarheid van bijzondere bekwaamheden in de ondernemingen waar deze ontbreken;

- dat de terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve gebruikers in beginsel verboden blijft wanneer de terbeschikkingstelling samengaat met een overdracht van gezag komende van de oorspronkelijke werkgever en gaande naar de gebruikende onderneming;

- dat het geen teken is van een overdracht van gezag dat de terbeschikkingstelling verbiedt, maar wel een aanwijzing die integendeel toelaat om in de sfeer van de onderaanneming te blijven, het feit voor de gebruikende onderneming :

- van het naleven en laten naleven van de verplichtingen die aan deze toekomen inzake het welzijn op het werk, inzonderheid de artikelen 8 en volgende van de wet van 4 augustus 1996 die specifieke bepalingen bevat betreffende de werkzaamheden van externe bedrijven - aspect bescherming van de werknemers - zowel van al dezen van de dienstverlenende onderneming als van dezen van de onderneming die geniet van de geleverde dienst en het naleven van de normen inzake veiligheid;

- van het geven in het kader van een overeenkomst - van handelsrechtelijke aard - die deze verbindt aan de werkgever van de werknemer die hier bedoeld wordt, van instructies inzake arbeids- en rusttijden;

- en van het geven van instructies inzake de uitvoering van het overeengekomen werk - met name krachtens de overeenkomst die de twee ondernemers verbindt in de context opgenomen in het vorige punt.

Het spreekt vanzelf dat de sociale partners wensen zich te blijven kanten en te strijden tegen het zwartwerk en de praktijken van koppelbazen » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0756/001, pp. 88-89).

B.7. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 10 december 2010 is met betrekking tot de bestreden bepalingen gesteld :

« Voor uitzendactiviteiten wordt evenwel afgestapt van de definitie van artikel 2, 1°, b), van het huidige decreet om misbruiken bij terbeschikkingstelling (of detachering) van werknemers effectiever te kunnen aanpakken.

Het huidige artikel 2, 1°, b), definieert uitzendactiviteiten als ' het in dienst nemen van werknemers, om hen ter beschikking te stellen met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens de wet toegelaten arbeid '. Hierdoor verwijst dit artikel de facto naar de (federale) wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, en vertrekt het van de premisse dat uitzendactiviteiten op zich in overeenstemming zijn met de federale spelregels inzake uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers.

De verschillende misbruiken inzake terbeschikkingstelling - vaak via buitenlandse ondernemingen - die sinds 2003 in de pers zijn verschenen, hebben aangetoond dat deze hypothese lang achterhaald is.

Omdat de huidige definitie de afdeling Inspectie van het Departement Werk en Sociale Economie machteloos maakt ten aanzien van malafide ondernemingen en de Vlaamse overheid in de huidige institutionele constellatie niet bevoegd is voor de controle van de wet van 24 juli 1987, wordt de band met deze wet verbroken.

Een onderneming die in het Vlaamse Gewest activiteiten verricht die als uitzendactiviteiten kunnen worden gekwalificeerd, dient hiervoor inderdaad over een erkenning te beschikken en deze activiteiten uit te voeren in overeenstemming met de regelgeving van het Vlaamse Gewest. De afdeling Inspectie van het Departement Werk en Sociale Economie zal de toepassing van deze regelgeving controleren. Het spreekt voor zich dat deze onderneming en de gebruiker ook het arbeidsrecht, en derhalve de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, zullen moeten naleven. Doch dit valt buiten de bevoegdheid van de Vlaamse overheid.

In de definitie van het nieuwe artikel 3, 1°, c), worden uitzendactiviteiten daarom gedefinieerd als ' het in dienst nemen van werknemers, om hen ter beschikking te stellen van gebruikers met het oog op de uitvoering van tijdelijke arbeid onder het gezag van een gebruiker '.

Met deze definitie wordt niet alleen teruggekeerd naar de basisfilosofie van het IAO-verdrag nr. 181, ze is bovendien in overeenstemming met de richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid.

[...]

Onder bureau wordt zowel verstaan arbeidsbemiddeling ' sensu stricto ' (headhunting, werving en selectie, outplacement, bemiddeling van schouwspelartiesten en sportbeoefenaars enzovoort) als uitzendactiviteiten.

Het is de bedoeling om in dit nieuwe kaderdecreet het reeds ruime toepassingsgebied - dat reeds met het vorige kaderdecreet werd voorzien - verder uit te breiden, teneinde mogelijke ontwijkingen te voorkomen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 641/1, pp. 11-12).

B.8. Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, « is alleen de federale overheid bevoegd voor [...] het arbeidsrecht ».

In dat kader heeft de wetgever onder meer de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers aangenomen.

B.9. De bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kent aan de gewesten evenwel reeds vanaf het begin de bevoegdheid inzake arbeidsbemiddeling toe.

B.10. Volgens het voormelde IAO-Verdrag nr. 181 omvat de (private) arbeidsbemiddeling zowel « de diensten die bestaan in het tewerkstellen van werknemers met als doel die ter beschikking te stellen van een derde fysieke of rechtspersoon (voorts ' gebruiker-onderneming ' genoemd) welke hen taken oplegt en welke op de uitvoering van die taken toeziet » als « diensten die tot doel hebben het aanbod en de vraag op de arbeidsmarkt nader tot elkaar te brengen » en « andere diensten die verband houden met het zoeken naar een baan ».

Aldus beschouwd, is de arbeidsbemiddeling zowel bedoeld in haar ruime betekenis - met inbegrip van het « ter beschikking stellen » of « plaatsen » - als in haar meer beperkte betekenis van het begeleiden van werkgevers in hun zoektocht naar arbeidskrachten en het begeleiden van werknemers, zelfstandigen en werkzoekenden naar een (nieuwe) arbeidsplaats.

De omschrijving van het IAO-Verdrag kan evenwel niet zonder meer worden gehanteerd wanneer de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de gewesten aan de orde is, bevoegdheidsverdeling die wordt bepaald door de Grondwet en de bevoegdheidverdelende regels, zoals te dezen artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, en IX, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.11. Toen de bijzondere wetgever de « arbeidsbemiddeling » in 1980 aan de gewesten toewees, had hij niet de volledige regeling van de terbeschikkingstelling en van de tijdelijke arbeid en uitzendarbeid voor ogen.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat hij daarvan slechts bepaalde aspecten beoogde, en niet alle.

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen is gesteld dat de arbeidsbemiddeling

« onder meer de hierna opgesomde aangelegenheden [omvat] :

1° De organisatie en het beleid van de arbeidsmarkt, met inbegrip van :

[...]

c) In het kader der kosteloze bijzondere arbeidsbemiddeling : de erkenning van de bureaus voor kosteloze arbeidsbemiddeling, de intrekking van de erkenning en de vaststelling van het bedrag en de wijze van toekenning der toelage;

d) De aangelegenheden behandeld in het koninklijk besluit van 28 november 1975 betreffende de exploitatie van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling;

e) De openbare arbeidsbemiddeling in het algemeen, zoals geregeld in de artikelen 31 tot 83 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 [...];

2° De overheidstussenkomsten die de professionele of geografische mobiliteit van de werknemers trachten te begunstigen;

3° De vaststelling der toekenningsmodaliteiten van de wachtgelden verleend aan het personeel van de ondernemingen van de steenkolen- en de staalsector, van de herplaatsingspremies aan werknemers die worden ontslagen bij sluiting van steenkoolmijnen en van de sluitings- en wachtgelden aan werknemers die in andere bedrijfstakken werkzaam zijn;

4° De organisatie en de werking van de subregionale comités voor tewerkstel1ing;

5° De erkenning van de uitzendbureaus, alsmede de organisatie van plaatsingsbureaus voor tijdelijke werknemers door de overheidsinstellingen » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, pp. 33-34).

In de commissie voor de herziening van de Grondwet en voor de institutionele hervormingen bevestigde de Eerste Minister dat « inzake uitzendbureaus [...] de Gewesten bevoegd zijn voor de erkenning van de privé-uitzendbureaus, voor de tijdelijke en interimaire werknemers, alsmede voor de erkenning en de organisatie van de uitzendbureaus door overheidsinstellingen » (Parl. St., Kamer, 1979-1980, nr. 627/10, p. 104).

Hieruit blijkt dat de bijzondere wetgever met « arbeidsbemiddeling » in artikel 6, § 1, IX, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, naast bepaalde financiële tegemoetkomingen, de arbeidsbemiddeling in enge zin bedoelde, inzonderheid de regeling van de activiteiten van de bureaus voor arbeidsbemiddeling en, wat de arbeidsbemiddeling in de ruimere zin betreft, enkel de erkenning van de uitzendbureaus zoals die destijds was geregeld in de artikelen 21 en 22 van de wet van 28 juni 1976 houdende voorlopige regeling van de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.

Er blijkt derhalve niet dat de bijzondere wetgever voor het overige de regeling van de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers aan de gewesten heeft willen toevertrouwen, terwijl die aangelegenheid is aan te merken als een regeling van arbeidsbescherming die aan de federale overheid is voorbehouden als een onderdeel van het arbeidsrecht in de zin van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.12. De federale wetgever heeft in het kader van zijn bevoegdheid beslist het ter beschikking stellen van werknemers aan een derde in beginsel te verbieden en het enkel toe te laten binnen de regeling van de tijdelijke arbeid of de uitzendarbeid. Hij heeft daarbij ook bepaald welke aspecten van gezagsuitoefening door een derde-gebruiker niet kunnen worden beschouwd als een overdracht van gezag, gezag dat normaliter enkel aan de werkgever toekomt. De rechtsfiguur van de terbeschikkingstelling verschilt hierin van die van de aanneming, waarbij de hoofdaannemer geen gezag uitoefent over de werknemers van de onderaannemer.

De wetgever heeft in het hiervoor (B.6) geciteerde artikel 31, § 1, tweede lid, van de wet van 24 juli 1987, zoals toegevoegd bij artikel 181 van de wet van 12 augustus 2000, bepaald dat het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven ter uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk, niet wordt beschouwd als de uitoefening van een gezag in de zin van dat artikel.

Dat de wetgever op die manier in feite het verbod op terbeschikkingstelling in grote mate heeft uitgehold, is een keuze waarover het Hof niet te oordelen heeft. Het is een maatregel die behoort tot de sfeer van het arbeidsrecht, waarvoor de federale wetgever bevoegd was en blijft.

Uit de hiervoor (B.7) geciteerde parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen blijkt dat de decreetgever beoogde op te komen tegen « misbruiken inzake terbeschikkingstelling » en een erkenning te vereisen, voor « uitzendactiviteiten » « onder het gezag van een gebruiker », derhalve ook met betrekking tot uitzendactiviteiten die in het kader van de arbeidswetgeving niet worden beschouwd als een verboden vorm van terbeschikkingstelling. Zodoende is de decreetgever het hem toegewezen kader van de arbeidsbemiddeling, en inzonderheid de erkenning van uitzendbureaus, te buiten gegaan.

B.13.1. De Vlaamse Regering betoogt in ondergeschikte orde dat de bestreden bepalingen hun rechtsgrond kunnen vinden in artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat bepaalt :

« De decreten kunnen rechtsbepalingen bevatten in aangelegenheden waarvoor de Parlementen niet bevoegd zijn, voor zover die bepalingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun bevoegdheid ».

Opdat artikel 10 toepassing kan vinden, is het vereist dat de aangenomen regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van de betrokken bepalingen op die aangelegenheid slechts marginaal is.

B.13.2. Wanneer de nood wordt aangevoeld om bepaalde misbruiken in de bouwsector te voorkomen, staat het aan de federale overheid om inbreuken op de regelgeving inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid op te sporen en tegen te gaan. Er kan niet worden aangenomen dat de maatregel die met de bestreden bepalingen wordt ingevoerd, noodzakelijk is om de gewestbevoegdheid inzake de erkenning van uitzendbureaus uit te oefenen. Voorts heeft de maatregel een weerslag die niet louter marginaal is doordat activiteiten van terbeschikkingstelling door uitzendbureaus die door de federale overheid niet worden beschouwd als verboden en waarvoor geen erkenning is vereist, alsnog zouden worden onderworpen aan een erkenning door de gewestelijke overheid.

B.14. De middelen waarin de schending van de bevoegdheidverdelende regels zijn aangevoerd, zijn gegrond.

De bestreden bepalingen moeten worden vernietigd. Bijgevolg is er geen aanleiding om de middelen waarin de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is aangevoerd, te onderzoeken.

Om die redenen,

het Hof

vernietigt artikel 3, 1°, c), en 4°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van artikel 3, 1°, c), en (enkel in het tweede beroep) van artikel 3, 4°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling, ingesteld door de nv « Cordeel Zetel Temse » en door de bvba « Algemene Bouwonderneming J. Bogman » en anderen. Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de gewesten

  • Vlaams Gewest

  • Tewerkstellingsbeleid

  • Arbeidsbemiddeling

  • Erkenning van uitzendbureaus

  • 2. Federale bevoegdheden

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsbescherming

  • Verbod op terbeschikkingstelling van werknemers aan derden

  • Uitzonderingen

  • a. Tijdelijke arbeid

  • b. Uitzendarbeid.