- Arrest van 14 juni 2012

14/06/2012 - 76/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt de artikelen 18 tot 30 en 37, en de woorden « 18 tot 30 en 37 » in artikel 38, van het decreet van het Waalse Gewest van 6 oktober 2010 « tot wijziging van het decreet van 10 november 2004 tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een ‘ Fonds wallon Kyoto ' (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto »;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 31 december 2011.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 juli 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 juli 2011, heeft de Ministerraad, ingevolge het arrest van het Hof nr. 33/2011 van 2 maart 2011, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 6 oktober 2010 « tot wijziging van het decreet van 10 november 2004 tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een ' Fonds wallon Kyoto ' (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 november 2010).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de context van het bestreden decreet

B.1.1. De richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 « tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad » strekt ertoe de antropogene emissies van broeikasgassen te beperken in het kader van het Kyoto-protocol door een regeling in te voeren voor de toewijzing van en de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie.

De richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap » beoogt onder meer de luchtvaartsector te onderwerpen aan de Europese regeling voor de toewijzing van en de handel in broeikasgasemissierechten die bij de voormelde richtlijn 2003/87/EG tot stand is gekomen.

Bijlage I van de richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij bijlage I van de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt de categorieën van luchtvaartactiviteiten waarop de richtlijn van toepassing is. Punt 2, tweede alinea, van bijlage I van de richtlijn 2003/87/EG bepaalt in dat verband :

« Vanaf 1 januari 2012 vallen alle vluchten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, onder de luchtvaartactiviteit ».

B.1.2. Artikel 3 van de voormelde richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt :

« In deze richtlijn wordt verstaan onder :

a) ' emissierecht ' : overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van deze richtlijn te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten;

b) ' emissie ' : emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen, of de emissie door een vliegtuig dat een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent, van de met betrekking tot die activiteit gespecificeerde gassen;

[...]

o) ' vliegtuigexploitant ' : persoon die een luchtvaartuig exploiteert op het moment dat dit een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent of, wanneer die persoon niet bekend is of niet is geïdentificeerd door de eigenaar van het vliegtuig, de eigenaar van het vliegtuig;

[...]

q) ' administrerende lidstaat ' : lidstaat die verantwoordelijk is voor de administratie van de Gemeenschapsregeling met betrekking tot een vliegtuigexploitant, overeenkomstig artikel 18bis;

r) ' aan de luchtvaart toegewezen emissies ' : emissies van alle vluchten die onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten vallen, die vertrekken vanuit een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchtvaartterrein of aldaar vanuit een derde land aankomen;

[...] ».

B.1.3. De toewijzing, door elke lidstaat, van emissierechten aan de vliegtuigexploitanten gebeurt op twee manieren. Een groot deel ervan wordt kosteloos toegewezen, terwijl de resterende rechten worden geveild door de administrerende lidstaat.

Artikel 3quater van dezelfde richtlijn, zoals ingevoegd bij de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt in dat verband :

« 1. Voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 is de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten gelijk aan 97 % van de historische luchtvaartemissies.

2. Voor de in artikel 11, lid 2, bedoelde periode die ingaat op 1 januari 2013, en, indien er na de in artikel 30, lid 4, bedoelde evaluatie geen wijzigingen zijn aangebracht, voor iedere volgende periode, is de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten gelijk aan 95 % van de historische luchtvaartemissies vermenigvuldigd met het aantal jaren in de periode.

Dit percentage kan in het kader van de algemene evaluatie van deze richtlijn worden herzien.

3. De Commissie evalueert de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten overeenkomstig artikel 30, lid 4.

4. Uiterlijk op 2 augustus 2009 stelt de Commissie op grond van de beste beschikbare gegevens de historische luchtvaartemissies vast, inclusief de op actuele verkeersinformatie gebaseerde ramingen. Die vaststelling wordt door het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité bestudeerd ».

Artikel 3quinquies van dezelfde richtlijn, zoals ingevoegd bij de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt eveneens :

« 1. Voor de in artikel 3quater, lid 1, bedoelde periode wordt 15 % van de rechten geveild.

2. Vanaf 1 januari 2013 wordt 15 % van de rechten geveild. Dit percentage kan worden verhoogd, als onderdeel van de algehele evaluatie van deze richtlijn.

3. Er wordt een verordening vastgesteld met gedetailleerde voorschriften voor de veiling door lidstaten van emissierechten die niet kosteloos behoeven te worden verleend in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel of artikel 3septies, lid 8. Voor alle lidstaten geldt dat het aantal in elke periode te veilen emissierechten evenredig is met het aandeel van de betreffende lidstaat in de totale hoeveelheid aan de luchtvaart toegewezen emissies voor de referentiejaren, als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd ingevolge artikel 15. Voor de in artikel 3quater, lid 1, bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor elke volgende in artikel 3quater bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt.

Die verordening, die is bedoeld om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, als bedoeld in artikel 23, lid 3.

4. De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. De opbrengsten zouden moeten worden gebruikt om de klimaatverandering in de Europese Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Europese Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden te bevorderen, om onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, inclusief met name in de luchtvaart en het luchtvervoer, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de Gemeenschapsregeling te dekken. De veilingopbrengsten moeten ook worden gebruikt voor de financiering van bijdragen aan het wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie, alsmede van maatregelen ter voorkoming van ontbossing.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van acties die overeenkomstig dit lid worden ondernomen.

5. De verstrekking van informatie aan de Commissie op basis van deze richtlijn ontslaat de lidstaten niet van de verplichting tot kennisgeving uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag ».

B.1.4. Uit artikel 12, lid 2bis, van de richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij artikel 10, onder b), van de richtlijn 2008/101/EG, vloeit overigens voort dat elke vliegtuigexploitant uiterlijk 30 april van elk jaar een hoeveelheid emissierechten dient in te leveren die gelijk is aan de totale emissies, gedurende het voorgaande kalenderjaar, van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor die de vliegtuigexploitant is. De lidstaten waken erover dat de ingeleverde rechten vervolgens worden geannuleerd.

B.1.5. Om de administratieve lasten voor vliegtuigexploitanten te beperken, bepaalt de richtlijn 2008/101/EG dat voor elke vliegtuigexploitant slechts één enkele lidstaat verantwoordelijk kan zijn. Artikel 18bis van richtlijn 2003/87/EG, zoals ingevoegd bij richtlijn 2008/101/EG, bepaalt dienaangaande :

« 1. De administrerende lidstaat voor een vliegtuigexploitant is :

a) voor een vliegtuigexploitant met een geldige, door een lidstaat overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen verleende exploitatievergunning, de lidstaat die de exploitatievergunning met betrekking tot die vliegtuigexploitant heeft verleend, en

b) in alle andere gevallen, de lidstaat waaraan het grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van door die vliegtuigexploitant in het referentiejaar uitgevoerde vluchten kan worden toegeschreven.

[...] ».

B.1.6. De bijlage van de verordening (EG) nr. 748/2009 van de Commissie van 5 augustus 2009 « betreffende de lijst van vliegtuigexploitanten die op of na 1 januari 2006 een in bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG genoemde luchtvaartactiviteit hebben uitgeoefend, met specificatie van de administrerende lidstaat van elke vliegtuigexploitant » stelt de lijst vast van vliegtuigexploitanten voor wie België de administrerende lidstaat is. Het betreft een 50-tal vliegtuigexploitanten, waaronder een 10-tal die België als thuisstaat hebben en een 30-tal met een thuisstaat van buiten de Europese Unie.

B.1.7. Bij zijn arrest van 21 december 2011, in antwoord op een prejudiciële vraag op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gesteld door het High Court of Justice (Verenigd Koninkrijk), heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht gezegd dat bij het onderzoek van de richtlijn 2008/101/EG niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid van die richtlijn kunnen aantasten (HvJ, 21 december 2011, C-366/10, Air Transport Association of America e.a.).

Ten aanzien van het bestreden decreet

B.2.1. Overeenkomstig artikel 1 ervan zet het decreet van het Waalse Gewest van 6 oktober 2010 « tot wijziging van het decreet van 10 november 2004 tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een ' Fonds wallon Kyoto ' (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto » met name de richtlijn 2008/101/EG om.

B.2.2. Artikel 12/4 van het decreet van 10 november 2004, ingevoegd bij artikel 22 van het bestreden decreet, bepaalt :

« Het administrerende Gewest van een luchtvaartuigexploitant waarvoor België de administrerende lidstaat is, is het Gewest aan wie de hoogste emissies die door deze luchtvaartuigexploitant gedurende het referentiejaar uitgestoten worden, toegewezen worden.

Voor elke luchtvaartuigexploitant worden aan het Waalse Gewest toegewezen, de luchtvaartuigemissies van alle vluchten :

1° die vertrekken vanuit een Waals gewestelijk vliegveld;

2° die in een Waals gewestelijk vliegveld vanuit een land dat geen lid is van de Europese Unie, aankomen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ' referentiejaar ' verstaan : met betrekking tot een luchtvaartuigexploitant die na 1 januari 2006 zijn exploitatie in de Gemeenschap is begonnen, het eerste kalenderjaar van die exploitatie; in alle andere gevallen, het kalenderjaar dat is ingegaan op 1 januari 2006 ».

B.2.3. De artikelen 12/5 tot 12/11 van het decreet van 10 november 2004, ingevoegd bij de artikelen 23 tot 29 van het bestreden decreet, leggen verplichtingen op aan de vliegtuigexploitanten waarvoor het Waalse Gewest verantwoordelijk is met toepassing van artikel 12/4.

Artikel 12/12 van het decreet van 10 november 2004, ingevoegd bij artikel 30 van het bestreden decreet, bepaalt :

« § 1. Artikel 11/1 is van toepassing op elke luchtvaartuigexploitant die de jaarlijkse emissierapportage overeenkomstig en binnen de termijn bepaald in artikel 12/10, § 2, tweede lid, niet stuurt.

§ 2. De naam van de luchtvaartuigexploitant die zich niet houdt aan de eis inzake het inleveren van voldoende emissierechten, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

§ 3. Er wordt een boete wegens overmatige emissie opgelegd aan elke luchtvaartuigexploitant die uiterlijk 30 april van elk jaar niet voldoende emissierechten heeft ingeleverd ter dekking van zijn emissies in het voorgaande jaar. De boete wegens overmatige emissie bedraagt 100 EUR voor elke ton uitgestoten kooldioxide-equivalent waarvoor de luchtvaartuigexploitant geen emissierechten heeft ingeleverd.

De betaling van de boete wegens overmatige emissie ontslaat de luchtvaartuigexploitant niet van de verplichting bij de inlevering van emissierechten in verband met het volgende kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan die emissieoverschrijding.

De boeten worden gestort in het fonds bedoeld in artikel 13.

§ 4. De Regering kan de Europese Commissie verzoeken een exploitatieverbod op te leggen aan een luchtvaartuigexploitant die niet aan de eisen van dit decreet voldoet, indien zulks niet met andere dwangmaatregelen kon worden gewaarborgd.

Elk overeenkomstig het eerste lid geformuleerde verzoek bevat :

1° het bewijs dat de luchtvaartuigexploitant zijn verplichtingen krachtens dit decreet niet heeft nagekomen;

2° gegevens over dwangmaatregelen die genomen zijn om de naleving van het decreet te waarborgen;

3° de motivering voor het opleggen van een exploitatieverbod op communautair niveau; en

4° een aanbeveling voor de reikwijdte van een exploitatieverbod op communautair niveau en de eventueel toe te passen voorwaarden.

Wanneer de Europese Commissie van mening is een beslissing volgend op een krachtens het eerste lid ingediend verzoek te nemen, deelt ze de essentiële feiten en overwegingen aan de luchtvaartuigexploitant mee die aan dat besluit ten grondslag liggen. De luchtvaartuigexploitant krijgt de gelegenheid om binnen 10 werkdagen na de mededeling schriftelijke opmerkingen aan de Europese Commissie voor te leggen ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.3.1. Het beroep tot vernietiging is ingesteld door de Ministerraad met toepassing van artikel 4, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

Dat artikel bepaalt dat een nieuwe termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep tot vernietiging wanneer « het Hof een norm vernietigd heeft die, geheel of gedeeltelijk, hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in op de datum van de kennisgeving van het door het Hof gewezen arrest aan, al naar het geval, de Eerste Minister en aan de voorzitters van de Regeringen ».

B.3.2. Bij het arrest nr. 33/2011 van 2 maart 2011 heeft het Hof het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft » vernietigd.

B.3.3. Artikel 20bis van het decreet van 2 april 2004 « tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in het Vlaamse Gewest door het bevorderen van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van flexibiliteitsmechanismen uit het Protocol van Kyoto », zoals ingevoegd bij artikel 4 van het vernietigde decreet, bepaalde :

« Voor het jaar 2012 en de periode van 2013-2020 wordt de administratieve controle van de vliegtuigexploitant die onder de administratieve bevoegdheid van België valt, verzorgd door het gewest dat de meeste CO2-emissies, uitgestoten door de vliegtuigexploitant in het referentiejaar, krijgt toegekend.

Het Vlaamse Gewest krijgt voor elke vliegtuigexploitant de CO2-emissies toegekend van alle vluchten die betrekking hebben op een luchtvaartactiviteit die nader door de Vlaamse Regering zal worden bepaald, en die :

a) vertrekken vanuit luchtvaartterreinen, gelegen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;

b) landen op luchtvaartterreinen, gelegen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, op voorwaarde dat die vluchten niet vertrekken vanuit een lidstaat van de Europese Unie ».

B.3.4. De twee normen zijn door onderscheiden wetgevers genomen en regelen beide de toekenning van de administratieve controle over de verschillende vliegtuigexploitanten waarvoor België de administrerende lidstaat is op grond van het voormelde artikel 18bis van de richtlijn 2003/87/EG.

B.3.5. Het beroep tot vernietiging, dat is ingediend binnen de termijn bepaald in artikel 4, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, is derhalve ontvankelijk.

Ten gronde

B.4. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 5, 39, 134 en 143 van de Grondwet en van de artikelen 2, 6 en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met het beginsel van evenredigheid en het beginsel van federale loyauteit.

B.5.1. Artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt :

« Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft :

1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder;

[...] ».

B.5.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden.

Op grond van het voormelde artikel 6, § 1, II, zijn de gewesten bevoegd voor de voorkoming en bestrijding van de verschillende vormen van milieuverontreiniging; de gewestwetgever vindt in het 1° van die bepaling de algemene bevoegdheid die hem in staat stelt hetgeen betrekking heeft op de bescherming van het leefmilieu, onder meer van de lucht, tegen verontreiniging en aantasting, te regelen.

B.5.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vloeit voort dat de aan de gewesten toegewezen bevoegdheid inzake de bescherming van de lucht onder meer betrekking heeft op de aangelegenheden welke werden geregeld bij de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 13).

Luidens artikel 2 van de voormelde wet van 28 december 1964 wordt onder « luchtverontreiniging » verstaan « het in de lucht lozen, ongeacht de oorsprong van gassen, vloeistoffen of vaste stoffen, die de gezondheid van de mens kunnen aantasten, nadelig kunnen zijn voor dieren en planten of schade kunnen toebrengen aan goederen en aan stads- en natuurschoon ».

B.5.4. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de bevoegdheid van de gewesten inzake de bescherming van de lucht de bevoegdheid omvat om maatregelen te nemen teneinde de uitstoot van broeikasgassen in de lucht te verminderen. Die bevoegdheid is niet beperkt tot vaste installaties, maar betreft elke uitstoot van broeikasgassen, ongeacht de oorsprong. Gelet op de weerslag van broeikasgassen op het leefmilieu, en inzonderheid op het klimaat, vermogen de gewesten bijgevolg maatregelen te nemen teneinde de uitstoot van broeikasgassen door vliegtuigen te verminderen, voor zover zij evenwel hun territoriale bevoegdheid niet overschrijden.

B.6. De artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en met de artikelen 2, § 1, en 7 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, hebben een exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tot stand gebracht. Een zodanig stelsel veronderstelt dat het onderwerp van iedere regeling die een gewestwetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding of situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld.

B.7.1. Uit het voormelde artikel 18bis van de richtlijn 2003/87/EG vloeit voort dat België de administrerende lidstaat is voor, enerzijds, de vliegtuigexploitanten aan wie de bevoegde Belgische overheid overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 « betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen » een geldige exploitatievergunning heeft verleend en, anderzijds, de andere vliegtuigexploitanten waarvan het grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van de door hen in het referentiejaar uitgevoerde vluchten aan die lidstaat kan worden toegeschreven.

B.7.2. De bevoegdheid van een administrerende lidstaat strekt zich uit tot alle vluchten van de betrokken vliegtuigexploitanten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie.

B.8. Artikel 12/4 van het decreet van 10 november 2004, zoals ingevoegd bij artikel 22 van het bestreden decreet, bepaalt :

« Het administrerende Gewest van een luchtvaartuigexploitant waarvoor België de administrerende lidstaat is, is het Gewest aan wie de hoogste emissies die door deze luchtvaartuigexploitant gedurende het referentiejaar uitgestoten worden, toegewezen worden.

Voor elke luchtvaartuigexploitant worden aan het Waalse Gewest toegewezen, de luchtvaartuigemissies van alle vluchten :

1° die vertrekken vanuit een Waals gewestelijk vliegveld;

2° die in een Waals gewestelijk vliegveld vanuit een land dat geen lid is van de Europese Unie, aankomen.

[...] ».

B.9.1. Hoewel het in artikel 12/4 van het decreet van 10 november 2004 vervatte criterium om de emissies van broeikasgassen afkomstig van de luchtvaart in het Waalse Gewest te lokaliseren, sterk is geïnspireerd op het criterium dat in artikel 18bis van de richtlijn 2003/87/EG wordt gebruikt om de bevoegdheid over vliegtuigexploitanten die niet over een geldige exploitatievergunning van een lidstaat van de Europese Unie beschikken voor de toepassing van die richtlijn toe te wijzen aan een welbepaalde lidstaat van de Europese Unie, dient te worden nagegaan of dat criterium de exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tussen de gewesten en de federale Staat in acht neemt.

Het in artikel 12/4 van decreet van 10 november 2004 gehanteerde criterium heeft tot gevolg dat het Waalse Gewest een bevoegdheid uitoefent over emissies die zich slechts zeer ten dele voordoen in het luchtruim van dat Gewest. Wat de vluchten betreft die landen op of opstijgen van op een in het Waalse Gewest gelegen luchtvaartterrein, zullen, mede vanwege de beperkte oppervlakte van dat Gewest en een weinig ontwikkelde binnengewestelijke luchtvaart, die emissies hoofdzakelijk plaatsvinden in het luchtruim buiten dat Gewest. Een gedeelte van die emissies zal plaatsvinden in het luchtruim van de andere gewesten of in het luchtruim boven de Belgische mariene gebieden, welke tot de territoriale bevoegdheid van de federale overheid behoren. Een nog groter deel van de bedoelde emissies zal plaatsvinden in het luchtruim van andere lidstaten van de Europese Unie of daarbuiten. Maar ook emissies van vluchten welke geheel niet het luchtruim van het Waalse Gewest aandoen, zijn beoogd, aangezien het principe dat er slechts één administrerend gewest mag zijn per vliegtuigexploitant, tot gevolg heeft dat emissies van bepaalde vluchten welke uitsluitend andere gewesten of andere lidstaten van de Europese Unie aandoen, onder het toepassingsgebied van de bestreden regeling vallen, zodra die vluchten worden uitgevoerd door een vliegtuigexploitant die met toepassing van het bedoelde criterium onder de verantwoordelijkheid van het Waalse Gewest zou vallen.

Omgekeerd worden niet alle emissies die in het luchtruim van het Waalse Gewest plaatsvinden, beoogd. Meer zelfs, de overgrote meerderheid van bedoelde emissies valt buiten het toepassingsgebied van de bestreden regeling, nu, hoewel zij afkomstig zijn van vluchten van of naar in het Waalse Gewest gelegen luchtvaartterreinen, die vluchten worden uitgevoerd door vliegtuigexploitanten voor wie andere lidstaten of gewesten als administrerende overheid optreden, of omdat zij afkomstig zijn van vluchten uitgevoerd door dergelijke vliegtuigexploitanten zonder landing in het Waalse Gewest.

B.9.2. Hoewel het bestreden criterium sterk gelijkt op het subsidiaire criterium dat om redenen van beperking van administratieve lasten voor vliegtuigexploitanten door de richtlijn 2003/87/EG wordt gebruikt om de controle over de emissies van niet-EU-vliegtuigexploitanten toe te wijzen aan één of andere lidstaat, is het niet geschikt om de emissies van broeikasgassen afkomstig van de luchtvaart, waarvoor België krachtens voormelde richtlijn bevoegd is, te lokaliseren binnen de territoriale bevoegdheid van het Waalse Gewest.

B.10. Het enige middel is in die mate gegrond. De artikelen 18 tot 30 en 37 van het bestreden decreet, alsmede artikel 38 ervan, in zoverre het verwijst naar die artikelen, dienen te worden vernietigd.

De andere onderdelen van het enige middel dienen niet te worden onderzocht daar zij niet zouden kunnen leiden tot een ruimere vernietiging.

B.11.1. Op grond van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kunnen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten samenwerkingsakkoorden sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijke beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven. Daarnaast beschikken ze over andere instrumenten om hun samenwerking gestalte te geven.

B.11.2. In de regel houdt de afwezigheid van samenwerking in een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever daartoe niet in een verplichting voorziet, geen schending in van de bevoegdheidverdelende regels.

Te dezen zijn evenwel de bevoegdheden van de federale Staat en de gewesten door, enerzijds, de Europeesrechtelijke noodzaak dat er slechts één administrerende overheid mag zijn per vliegtuigexploitant en, anderzijds, de hoofdzakelijk gewestgrensoverschrijdende aard van de door in een gewest landende of opstijgende vliegtuigen veroorzaakte emissies tijdens hun volledige vlucht, dermate verweven dat ze niet dan in onderlinge samenwerking kunnen worden uitgeoefend. Een samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten zal het overigens mogelijk maken om, naar het voorbeeld van de richtlijn 2003/87/EG (artikel 18ter), zo nodig de bevoegde federale luchtvaartautoriteiten bij de toepassing van het stelsel te betrekken.

B.12. Het arrest nr. 33/2011 van 2 maart 2011, dat het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft » heeft vernietigd, heeft de gevolgen van de vernietigde bepalingen gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een bij samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten vastgestelde regeling ter uitvoering van richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap » en uiterlijk tot 31 december 2011.

Het Hof stelt, enerzijds, vast dat een dergelijk samenwerkingsakkoord nog niet tot stand is gekomen. De Waalse Regering heeft, anderzijds, bij besluit van 17 november 2011 de broeikasgasemissierechten vastgelegd die kosteloos worden toegewezen aan vliegtuigexploitanten voor de periode 2012 en de periode 2013-2020 (Belgisch Staatsblad, 7 december 2011). Teneinde inzonderheid dat besluit zijn rechtsgrond niet te ontnemen en te vermijden dat de richtlijn 2008/101/EG in afwachting van de sluiting van een samenwerkingsakkoord niet verder ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zoals in het beschikkend gedeelte wordt aangegeven.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt de artikelen 18 tot 30 en 37, en de woorden « 18 tot 30 en 37 » in artikel 38, van het decreet van het Waalse Gewest van 6 oktober 2010 « tot wijziging van het decreet van 10 november 2004 tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een ' Fonds wallon Kyoto ' (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto »;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 31 december 2011.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 6 oktober 2010 « tot wijziging van het decreet van 10 november 2004 tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een ‘ Fonds wallon Kyoto ' (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto », ingesteld door de Ministerraad. Grondwettelijk recht

  • Bevoegdheden van de gewesten

  • Waals Gewest

  • Leefmilieu

  • 1. Voorkoming en bestrijding van milieuverontreiniging

  • Bescherming van de lucht

  • Emissies van broeikasgassen afkomstig van de luchtvaart

  • Lokalisatiecriterium

  • 2. Territoriale bevoegdheid

  • Exclusiviteitsbeginsel

  • Extraterritoriale gevolgen

  • Ontstentenis van samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten. # Europees recht

  • Leefmilieu

  • Toewijzing van en handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie

  • Luchtvaartactiviteiten

  • Eén administrerende lidstaat per vliegtuigexploitant.