- Arrest van 14 juni 2012

14/06/2012 - 77/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het de begunstigde van het geschorste besluit niet toestaat de nietigheid van rechtswege ervan voor de Raad van State te betwisten indien de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit niet tijdig heeft gehandhaafd, of zijn handhavingsbesluit niet tijdig heeft verstuurd, schendt artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat zij de begunstigde van het geschorste besluit toestaat de nietigheid van rechtswege ervan voor de Raad van State te betwisten indien de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit niet tijdig heeft gehandhaafd, of zijn handhavingsbesluit niet tijdig heeft verstuurd, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 214.697 van 19 juli 2011 in zake Guido Robeyns tegen het Vlaamse Gewest, met als tussenkomende partij Jo Vermaelen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 juli 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat de toegang tot de rechter waarborgt, doordat deze bepaling bij het laattijdig versturen van het handhavingsbesluit door de kerkraad voorziet in een nietigheid die van rechtswege tot stand komt, meer bepaald zonder vernietigingsbesluit waarvan de begunstigde van de oorspronkelijke, geschorste beslissing in rechte de vernietiging kan vragen, terwijl deze belanghebbende wel over een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State beschikt in het geval dat het handhavingsbesluit tijdig wordt verstuurd en de oorspronkelijke, geschorste beslissing bij een gemotiveerd besluit van de Vlaamse regering wordt vernietigd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Krachtens artikel 58, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten kan de provinciegouverneur, bij een gemotiveerd besluit, de uitvoering schorsen van een besluit waarbij de kerkraad of het centraal kerkbestuur de wet schendt of het algemeen belang schaadt.

Het schorsingsbesluit moet aan de kerkfabriek en het centraal kerkbestuur worden verstuurd binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag nadat de notulen bij de provinciegouverneur zijn ingekomen. Van de schorsing wordt in de notulen melding gemaakt in de rand van het desbetreffende besluit. De kerkraad of het centraal kerkbestuur kan het regelmatig geschorste besluit intrekken of handhaven.

Artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van 7 mei 2004 regelt de handhaving van het geschorste besluit; het bepaalt :

« De kerkraad of het centraal kerkbestuur, naar gelang van het geval, kan het geschorste besluit gemotiveerd handhaven binnen een termijn van honderd dagen die ingaat op de dag na het versturen van het schorsingsbesluit. In dit geval wordt het handhavingsbesluit, op straffe van nietigheid van het geschorste besluit, uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de Vlaamse Regering gestuurd met een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen, de provinciegouverneur en het erkend representatief orgaan ».

B.2.1. Wanneer de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit niet tijdig handhaaft, of zijn handhavingsbesluit niet tijdig meedeelt, is het geschorste besluit derhalve van rechtswege nietig.

Volgens de interpretatie van de verwijzende rechter, zoals zij uit de prejudiciële vraag voortvloeit, kan de begunstigde van het geschorste besluit van de kerkraad of het centraal kerkbestuur de nietigheid van rechtswege ervan niet voor de Raad van State betwisten.

B.2.2. Artikel 59 van het decreet van 7 mei 2004 bepaalt :

« De Vlaamse Regering kan, bij een gemotiveerd besluit, het besluit vernietigen van de kerkraad of het centraal kerkbestuur op de gronden, bepaald in artikel 58.

Het vernietigingsbesluit moet aan de kerkfabriek en het centraal kerkbestuur worden verstuurd binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag nadat de notulen bij de provinciegouverneur zijn ingekomen of, in voorkomend geval, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag nadat het handhavingsbesluit bij de Vlaamse Regering is ingekomen.

Van de vernietiging wordt in de notulen melding gemaakt in de rand van het desbetreffende besluit.

Van het vernietigingsbesluit wordt door de Vlaamse Regering dadelijk kennisgegeven aan de provinciegouverneur, de gemeenteoverheid en het erkend representatief orgaan.

Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, is de schorsing ambtshalve opgeheven ».

Wanneer de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit handhaaft en zijn handhavingsbesluit tijdig verstuurt, kan de Vlaamse Regering het gehandhaafde besluit op grond van die bepaling, bij een gemotiveerd besluit, vernietigen omdat het de wet schendt of het algemeen belang schaadt. De begunstigde van het geschorste doch gehandhaafde besluit van de kerkraad of het centraal kerkbestuur kan in dat geval het vernietigingsbesluit van de Vlaamse Regering voor de Raad van State betwisten.

B.2.3. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of het verschil in toegang tot de rechter, dat uit artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van 7 mei 2004 voortvloeit, zoals het door de verwijzende rechter wordt geïnterpreteerd, strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

In de regel onderzoekt het Hof de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft. Indien blijkt dat de bepaling, in die interpretatie, de Grondwet schendt, dan vermag het Hof na te gaan of ze in een andere interpretatie bestaanbaar is met de Grondwet.

B.3.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces vormt, is fundamenteel in een rechtsstaat. Een verschil in behandeling inzake toegang tot de rechter dient derhalve redelijk te worden verantwoord.

Personen die zich in dezelfde toestand bevinden, hebben in beginsel het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht.

B.3.2. Indien de in het geding zijnde bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat zij de begunstigde van het geschorste besluit niet toestaat de nietigheid van rechtswege ervan voor de Raad van State te betwisten wanneer de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit niet tijdig heeft gehandhaafd, of zijn handhavingsbesluit niet tijdig heeft verstuurd, doet zij op discriminerende wijze afbreuk aan het fundamentele recht op toegang tot de rechter.

In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling kan ook anders worden geïnterpreteerd.

De nietigheid van rechtswege van het geschorste besluit is een uitgesteld gevolg van de beslissing van de provinciegouverneur om, bij gemotiveerd besluit, de uitvoering te schorsen van een besluit waarbij de kerkraad of het centraal kerkbestuur de wet schendt of het algemeen belang schaadt.

Die nietigheid kan door de kerkraad of het centraal kerkbestuur worden afgewend indien zij het geschorste besluit binnen een termijn van honderd dagen handhaven en hun handhavingsbesluit uiterlijk de laatste dag van die termijn versturen. De begunstigde van het besluit dat is geschorst, kan de nietigheid van rechtswege ervan zelf niet verhinderen.

B.4.2. De begunstigde kan de nietigheid van rechtswege van het geschorste besluit evenwel voor de Raad van State betwisten, vanaf het verstrijken van de termijn van honderd dagen waarbinnen het geschorste besluit kon worden gehandhaafd.

Wanneer het geschorste besluit werd gehandhaafd bij een niet tijdig verstuurd besluit en de begunstigde van het geschorste besluit, zoals in het geding voor de verwijzende rechter het geval is, reeds verzoeker voor de Raad van State is tegen het vernietigingsbesluit van de Vlaamse Regering dat wegens de nietigheid van rechtswege van het geschorste besluit zonder voorwerp blijkt te zijn, kan de begunstigde van dat besluit kennisnemen van die nietigheid van rechtswege door het administratieve dossier en de procedurestukken te raadplegen.

Aangezien de nietigheid, die van rechtswege intreedt, niets anders is dan het uitgestelde gevolg van de voormelde beslissing van de provinciegouverneur, kan die beslissing binnen zestig dagen na die kennisname voor de Raad van State worden betwist, hetzij in een afzonderlijk beroep, hetzij door het onderwerp van het oorspronkelijk beroep uit te breiden.

Het verschil in behandeling is in dat geval onbestaande.

B.5. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.6. Het staat aan de Raad van State om te oordelen of de in B.4.2 vermelde beroepsmogelijkheid in het voorliggende geval voldoende voorzienbaar was om het fundamentele recht op toegang tot de rechter voor de begunstigde van het geschorste besluit te waarborgen.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het de begunstigde van het geschorste besluit niet toestaat de nietigheid van rechtswege ervan voor de Raad van State te betwisten indien de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit niet tijdig heeft gehandhaafd, of zijn handhavingsbesluit niet tijdig heeft verstuurd, schendt artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat zij de begunstigde van het geschorste besluit toestaat de nietigheid van rechtswege ervan voor de Raad van State te betwisten indien de kerkraad of het centraal kerkbestuur het geschorste besluit niet tijdig heeft gehandhaafd, of zijn handhavingsbesluit niet tijdig heeft verstuurd, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, gesteld door de Raad van State. Erkende erediensten

  • Rooms-katholieke eredienst

  • Besluit van de kerkraad

  • Schorsing van het besluit door de provinciegouverneur

  • Handhaving van het besluit door de kerkraad

  • 1. Nietigheid van rechtswege bij gebrek aan handhaving van de beslissing

  • Beroep bij de Raad van State

  • 2. Vernietiging door de Vlaamse Regering

  • Beroep bij de Raad van State. # Rechten en vrijheden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Recht op toegang tot de rechter.