- Arrest van 14 juni 2012

14/06/2012 - 78/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 153, eerste lid, 1°, van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 35 en 36, 14°, van de arbeidswet van 16 maart 1971, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- Artikel 141, eerste lid, 1°, van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 11 en 66 van de voormelde wet van 16 maart 1971, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de ondernemingen voor het verhuren van videocassettes of dvd's.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest van 14 september 2011 in zake het openbaar ministerie tegen N.M. en de bvba « EXTRA VIDEO », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 september 2011, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 153, 2°, van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 35 en 36 van de wet van 16 maart 1971, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de handelaar die een videozaak uitbaat, strafrechtelijk kan worden vervolgd terwijl de handelaar die een bioscoop uitbaat en dezelfde versnaperingen en dranken verkoopt en het bedrijf voor teledistributie dat video's verhuurt, bij artikel 36, eerste lid, 14°, van de wet van 16 maart 1971 zijn vrijgesteld van het verbod van nachtarbeid ? ».

b. Bij arrest van 14 september 2011 in zake het openbaar ministerie tegen W.L. en de bvba « D.W.D. VIDEO », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 september 2011, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 153, 2°, van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 35 en 36 van de wet van 16 maart 1971, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de handelaar die een videotheek uitbaat, strafrechtelijk kan worden vervolgd terwijl de handelaar die een bioscoop uitbaat en dezelfde versnaperingen en dranken verkoopt en het bedrijf voor teledistributie dat video's verhuurt, bij artikel 36, eerste lid, 14°, van de wet van 16 maart 1971 zijn vrijgesteld van het verbod van nachtarbeid ?

2. Schendt artikel 141 van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 11 en 66 van de wet van 16 maart 1971, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de handelaar die een videozaak uitbaat, strafrechtelijk kan worden vervolgd terwijl de handelaar die boeken of stoelen verhuurt, bij artikel 66, 22°, van de wet van 16 maart 1971 is vrijgesteld van het verbod van zondagsarbeid ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5208 en 5209 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over het verschil in behandeling tussen de werkgevers die actief zijn in de sector van het verhuren van videocassettes en dvd's, die zijn onderworpen aan het verbod om 's nachts en op zondag een werkzaamheid te doen verrichten, en, enerzijds, de uitbaters van bioscoopzalen en de bedrijven voor teledistributie, die volgens de verwijzende rechter een afwijking van het verbod van nachtarbeid genieten, alsook, anderzijds, de ondernemingen die actief zijn in de sector van het verhuren van boeken of van het verhuren van stoelen om een concert bij te wonen, die volgens de verwijzende rechter een afwijking van het verbod van zondagsarbeid genieten.

Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vragen beantwoordt.

B.2.1. Artikel 35 van de arbeidswet van 16 maart 1971, zoals vervangen bij de wet van 17 februari 1997 betreffende de nachtarbeid, bepaalt :

« § 1. De werknemers mogen geen nachtarbeid verrichten.

§ 2. Onder nachtarbeid wordt verstaan de arbeid verricht tussen 20 en 6 uur ».

B.2.2. Artikel 36 van dezelfde wet, zoals vervangen bij de wet van 17 februari 1997 betreffende de nachtarbeid, bepaalt :

« In afwijking van artikel 35 mag er nachtarbeid worden verricht voor zover de aard van de werken of de activiteit dit rechtvaardigt :

[...]

14° in fotografie- en filmbedrijven, alsook in de bedrijven voor radio- en televisiedistributie en voor radio- en televisie-uitzendingen;

[...] ».

B.2.3. Artikel 153 van het Sociaal Strafwetboek bepaalt :

« Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :

1° een werknemer of een jeugdige werknemer een werkzaamheid heeft doen of laten verrichten tussen 20 uur en 6 uur, behalve in de wettelijk toegestane gevallen;

[...] ».

Uit het verwijzingsarrest blijkt dat die bepaling het onderwerp van de prejudiciële vragen betreft.

B.2.4. Artikel 66 van de voormelde wet van 16 maart 1971 bepaalt :

« Zolang de Koning geen besluiten genomen heeft ter uitvoering van artikel 13, mogen de werknemers 's zondags tewerkgesteld worden in de volgende bedrijven en instellingen of voor het uitvoeren van de volgende werkzaamheden :

[...]

22° ondernemingen voor het verhuren van boeken, stoelen en vervoermiddelen;

[...] ».

B.2.5. Artikel 141 van het Sociaal Strafwetboek bepaalt :

« Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971 :

1° een werknemer of een jeugdige werknemer op zondag werk heeft doen of laten verrichten, behalve in de bij wet toegestane gevallen;

[...] ».

B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de in de prejudiciële vragen bedoelde categorieën voldoende vergelijkbaar. Het gaat telkens om werkgevers die actief zijn in de sector van de culturele diensten en de vrijetijdsbesteding en die de toegang van de consumenten tot hun diensten mogelijk willen maken op tijdstippen van de dag of van de week waarop die laatsten meer beschikbaar zijn.

B.4.1. Het verbod van nachtarbeid is « een van de oudste reglementeringen inzake arbeid », die klaarblijkelijk tot doel heeft de gezondheid van de werknemers te beschermen (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 643/3, p. 2).

De toekenning van een afwijking aan de bioscoopuitbaters en aan de bedrijven voor teledistributie is verantwoord omdat in die sectoren « nachtarbeid gewoonlijk voorkomt of in onze maatschappij noodzakelijk is en inherent is aan de activiteit of aan de betrokken werkzaamheden » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 643/1, p. 6).

B.4.2. De ondernemingen die actief zijn in de sector van de teledistributie, vervullen een taak van algemeen belang die is geregeld. Die activiteit kan vereisen dat een deel van hun werknemers arbeidsprestaties verrichten tussen 20 uur en 6 uur, zodat het voor hen wel degelijk gaat om een maatregel die noodzakelijk is om hun taak van algemeen belang tot een goed einde te brengen.

Dergelijke verplichtingen rusten niet op de personen die een videozaak beheren. Hoewel het juist is dat bepaalde audiovisuele diensten inmiddels op verzoek worden aangeboden door de bedrijven voor teledistributie, neemt dat niet weg dat het niet om de essentiële activiteit van die bedrijven gaat. Het verhuren van audiovisuele dragers, die op verzoek kunnen worden bekeken, vormt daarentegen de essentie van de handelsactiviteiten van een videozaak.

B.4.3. De uitbaters van bioscoopzalen bieden op vaste tijdstippen een dienst op het gebied van vrijetijdsbesteding aan, die de consumenten niet de mogelijkheid biedt om de voorgestelde film te bekijken wanneer hun dat het beste uitkomt, in tegenstelling tot de door een videozaak verhuurde audiovisuele drager.

De aard zelf van de activiteit van uitbater van bioscoopzalen verantwoordt bijgevolg dat de ondernemingen die actief zijn in die activiteitensector, hun diensten kunnen aanbieden op tijdstippen waarop een groot aantal consumenten toegang ertoe kan hebben.

B.4.4. De wetgever heeft er overigens zorg voor gedragen te preciseren dat een afwijking van het verbod van nachtarbeid in die sectoren enkel toelaatbaar was voor zover de aard van de activiteit dat verantwoordt. De afwijking van het verbod van nachtarbeid blijft dus strikt beperkt, zelfs ten aanzien van de ondernemingen die, zoals de uitbaters van bioscoopzalen of de bedrijven voor teledistributie, binnen het toepassingsgebied van artikel 36 van de in het geding zijnde wet vallen.

B.4.5. De onevenredige gevolgen die, in sommige andere sectoren, een ongenuanceerde toepassing van de wet zou kunnen hebben, kunnen worden gecorrigeerd door de afwijkingen die zij toestaat. De Koning kan krachtens artikel 37 van de in het geding zijnde wet immers de bedrijfstakken, de ondernemingen, de beroepen of de werken aanwijzen die ontsnappen aan het in artikel 35 bedoelde verbod.

Bovendien kan de Koning krachtens artikel 37 van de in het geding zijnde wet nachtarbeid in sommige ondernemingen toestaan.

In dat verband werd gepreciseerd dat de machtiging aan de Koning bestemd was om nu eens een afwijking van het verbod van nachtarbeid toe te staan in de gevallen waarin « de tewerkstelling van werknemers 's nachts niet zozeer wegens de aard van de werkzaamheden gerechtvaardigd is maar wel wegens economische imperatieven », en dan weer « nachtarbeid mogelijk [te maken] in ondernemingen en voor het uitvoeren van werken waar op dit ogenblik nachtarbeid nog niet noodzakelijk lijkt » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 643/1, pp. 7-8).

B.5. De prejudiciële vraag in de zaak nr. 5208 en de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 5209 dienen ontkennend te worden beantwoord.

B.6.1. Om diegenen te beschermen die werken onder het gezag van andere personen, heeft de wetgever ook een wekelijkse rustdag opgelegd, namelijk op zondag. In die context staat het aan het Hof na te gaan of de wetgever, door een categorie van werkgevers, te dezen die welke actief zijn in de sectoren van het verhuren van boeken of van het verhuren van stoelen, vrij te stellen, categorieën van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, discriminerend heeft behandeld.

De in artikel 66, 22°, van de in het geding zijnde wet bedoelde uitzondering strekt ertoe de toegang van de consumenten tot de culturele activiteiten te bevorderen. Het blijkt evenwel niet in welk opzicht het meer verantwoord zou zijn om, ongeacht of dat geschiedt om economische redenen of rekening houdend met de aard zelf van de in het geding zijnde activiteit, een werkgever toe te staan een persoon op zondag te laten werken in een onderneming voor het verhuren van boeken dan ten behoeve van een videozaak.

B.6.2. Artikel 66 van de in het geding zijnde wet liet het aan de Koning over om de lijst aan te passen met uitzonderingen die erin waren vervat, die enkel ertoe strekten voor een beperkte duur en in afwachting van het aannemen van een koninklijk besluit de van vroegere wetgevingen geërfde afwijkingen van het verbod van zondagsarbeid te behouden (Parl. St., Kamer, 1969-1970, nr. 556/7, p. 4; Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 272, p. 22).

De wetgever heeft dus ervan afgezien zelf, terwijl hij de gelegenheid daartoe had, de lijst met uitzonderingen op het verbod van zondagsarbeid te actualiseren, zodat de Ministerraad in elk geval geen gegronde redenen heeft om zich te beroepen op het vermeend in onbruik raken van de in artikel 66, 22°, van de in het geding zijnde wet bedoelde activiteiten om het bekritiseerde verschil in behandeling te verantwoorden.

Sedert de wet van 6 juli 1964 op de zondagsrust leek het de wetgever overigens noodzakelijk de lijst met activiteiten te wijzigen waarvoor een afwijking van het verbod van zondagsarbeid toelaatbaar was, rekening houdend met onder meer « de evolutie op sociaal, economisch en technisch gebied » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr. 285, p. 4) en met het feit dat « de verkorting van de arbeidsduur [...] het probleem van de vrijetijdsbesteding [had] doen ontstaan » (ibid., p. 5).

B.6.3. Het in het geding zijnde verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord.

B.7. De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 5209 dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 153, eerste lid, 1°, van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 35 en 36, 14°, van de arbeidswet van 16 maart 1971, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- Artikel 141, eerste lid, 1°, van het Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 11 en 66 van de voormelde wet van 16 maart 1971, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de ondernemingen voor het verhuren van videocassettes of dvd's.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 141 en 153, 2°, van het Sociaal Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Strafrecht

  • Sociaal strafrecht

  • Verbod om 's nachts en op zondag een werkzaamheid te doen verrichten

  • Werkgevers die actief zijn in de sector van het verhuren van videocassettes en dvd's.