- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - 80/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat, in geval van ontslag van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid, bij de vaststelling van het bedrag van de opzeggingsvergoeding moet worden uitgegaan van het lopende loon dat overeenstemt met de verminderde activiteiten.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 3 mei 2011 in zake Tania Ruttens tegen de vzw « Thuisverpleging De VoorZorg provincie Antwerpen », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 mei 2011, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover de opzeggingsvergoeding van zowel de werknemer die wordt ontslagen tijdens de periode waarin hij zijn arbeidsprestaties gedeeltelijk heeft geschorst omwille van de bijstand aan een zwaar ziek familielid of gezinslid (K.B. van 10 augustus 1998) als van de werknemer die zijn arbeidsprestaties gedeeltelijk heeft geschorst omwille van een andere vorm van loopbaanonderbreking of tijdskrediet berekend wordt op het actuele deeltijdse loon, terwijl de eerste werknemer gedwongen werd zijn arbeidsprestaties te verminderen en de tweede werknemer daartoe de vrije keuze had ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De verwijzende rechter vraagt of artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna : de Arbeidsovereenkomstenwet) bestaanbaar is met het beginsel van de gelijkheid en niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.2. Artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt :

« § 1. Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. De vergoeding is nochtans steeds gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, wanneer de opzegging uitgaat van de werkgever en met miskenning van het bepaalde in artikel 38, § 3, van deze wet of in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

De opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopende loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, betaalt de werkgever die, tijdens een van de in artikel 29, 1°, 6° en 7°, en in artikel 38, § 3, eerste lid, 3° en 4°, bedoelde periodes, het bepaalde in artikel 38, § 3, niet in acht neemt, een vergoeding gelijk aan het normaal loon verschuldigd voor de in artikel 38, § 3, eerste lid, 3° en 4°, bedoelde periodes of gedeelten ervan gedurende welke de werknemer niet tewerkgesteld is geweest.

Die vergoeding mag echter niet hoger liggen dan een bedrag dat met drie maand van dat loon overeenstemt voor werklieden en dienstboden of met zes maand voor bedienden en handelsvertegenwoordigers.

§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 1, betaalt de werkgever die het bepaalde in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971 niet in acht neemt, de in het derde lid van voormeld artikel 40 voorziene vergoeding ».

B.3. Krachtens de artikelen 37 en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet kunnen arbeidsovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn gesloten, eenzijdig worden beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, of, bij ontstentenis daarvan, door middel van een opzeggingsvergoeding, het ontslag om dringende reden buiten beschouwing gelaten.

Met artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet beoogt de wetgever de gevolgen van een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst enigszins af te zwakken, door de opzegging in beginsel afhankelijk te stellen van een zekere opzeggingstermijn of, bij ontstentenis daarvan, van de betaling van een opzeggingsvergoeding.

De duur van de opzeggingstermijn wordt geregeld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115 van de Arbeidsovereenkomstenwet, al naargelang het gaat om werklieden, bedienden of dienstboden. Krachtens artikel 39, § 1, van die wet moet de opzeggingsvergoeding worden bepaald aan de hand van het « lopende loon », dat in beginsel overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Artikel 39, § 1, tweede lid, preciseert dat de opzeggingsvergoeding niet alleen het lopende loon behelst maar ook alle voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

B.4.1. De prejudiciële vraag houdt verband met het al dan niet bestaan van een keuzerecht voor de werknemer die met toepassing van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen (hierna : de wet van 22 januari 1985) verminderde arbeid presteert.

B.4.2. De verwijzende rechter vraagt of artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet discriminerend is indien het zo wordt geïnterpreteerd dat bij het bepalen van de opzeggingsvergoeding in geval van ontslag, door de werkgever, van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd op grond van het « zorgverlof » met toepassing van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid, alsook bij een vermindering van de arbeidsprestaties op grond van een andere vorm van loopbaanonderbreking of tijdskrediet, wordt uitgegaan van het actuele deeltijdse loon, of nog, « het lopende loon » voor de verminderde arbeidsprestaties, aangezien de eerste categorie van werknemers wordt gedwongen haar arbeidsprestaties te verminderen, terwijl de tweede categorie daartoe de vrije keuze heeft.

B.4.3. Nopens het principe van het « zorgverlof » bepaalt artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 :

« De werknemers bedoeld in artikel 1 hebben het recht hun arbeidsovereenkomst volledig te schorsen op basis van artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of hun voltijdse arbeidsprestaties te verminderen met 1/5 of de helft op basis van artikel 102 van dezelfde wet voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een gezinslid of een familielid tot de tweede graad dat lijdt aan een zware ziekte ».

B.5. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de te vergelijken categorieën van werknemers voldoende duidelijk afgebakend, aangezien de verwijzende rechter een vergelijking maakt tussen, enerzijds, de categorie van de werknemers die worden ontslagen terwijl zij hun arbeidsprestaties « gedwongen » hebben verminderd op grond van het « zorgverlof » en, anderzijds, de categorie van de werknemers die worden ontslagen terwijl zij hun arbeidsprestaties hebben verminderd op grond van andere vormen van loopbaanonderbreking of tijdskrediet, waartoe zij de vrije keuze hadden.

De omstandigheid dat door de prejudiciële vraag zelf geen verdere uitleg wordt verleend aangaande het begrip « andere vorm van loopbaanonderbreking of tijdskrediet » is niet van die aard dat kan worden besloten tot een onduidelijke prejudiciële vraag. In het verwijzingsvonnis wordt de categorie van werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen op grond van het « zorgverlof », met verwijzing naar de arresten nrs. 51/2008, 77/2008 en 89/2009, vergeleken met de andere categorieën van werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen met toepassing van de wet van 22 januari 1985.

Bovendien wordt het contradictoire karakter van de rechtspleging voor het Hof niet in het gedrang gebracht nu de Ministerraad op een doeltreffende wijze zijn standpunt heeft uiteengezet.

B.6. Het Hof kan een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

B.7.1. Krachtens artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet hebben alle werknemers die worden ontslagen zonder inachtneming van de opzeggingstermijn, recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. In de door de rechter aangenomen interpretatie stemt het « lopende loon » in geval van verminderde arbeidsprestaties overeen met het loon dat reëel wordt verworven en niet met het voordien verworven voltijdse loon, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet vrijwillige karakter van de vermindering van de arbeidsprestaties.

B.7.2. Om de loopbaanonderbreking voldoende attractief te maken, de werkzekerheid van de betrokken werknemers te waarborgen en om mogelijk onevenredige gevolgen van een ontslag tijdens of vanwege de loopbaanonderbreking te matigen, heeft de wetgever voorzien in een forfaitaire beschermingsvergoeding gelijk aan zes maanden loon in geval van een ontslag zonder dringende of voldoende reden (artikel 101, zesde lid, van de wet van 22 januari 1985) en heeft hij bovendien in artikel 103 van de wet van 22 januari 1985 bepaald dat, voor de berekening van de opzeggingstermijn of het aantal maanden dat in aanmerking moet worden genomen voor het vaststellen van het bedrag van de opzeggingsvergoeding bedoeld in artikel 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, moet worden uitgegaan van het basisjaarloon alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Te dezen kan de wetgever niet in redelijkheid worden verweten dat hij niet zover is gegaan om ook voor het bedrag van de opzeggingsvergoeding te bepalen dat moet worden uitgegaan van het basisjaarloon alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd, of dat hij geen onderscheid heeft ingevoerd naar gelang van de vorm van tijdskrediet of loopbaanvermindering.

Het Hof zou die keuze enkel kunnen afkeuren in geval van een kennelijk onredelijke beoordeling.

B.8.1. In het kader van het « zorgverlof » worden de verminderde arbeidsprestaties uitgeoefend overeenkomstig een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid, net zoals bij de andere vormen van loopbaanvermindering of tijdskrediet (artikel 105, § 1, van de wet van 22 januari 1985).

Daarnaast vermindert een werknemer zijn arbeidsprestaties in het kader van het « zorgverlof » of in het kader van een ander stelsel van loopbaanvermindering of tijdskrediet steeds op vrijwillige basis, dit in tegenstelling tot een werknemer die vanwege zijn eigen gezondheidstoestand wordt geconfronteerd met een situatie van deeltijdse arbeidsongeschiktheid. Immers, de werknemer die van het desbetreffende recht gebruik wenst te maken, dient hiervan schriftelijk kennis te geven aan de werkgever (voor het « zorgverlof », zie de artikelen 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid, en voor de andere vormen van loopbaanvermindering en tijdskrediet, zie de artikelen 12 en 13, § 3, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis). Derhalve dient te worden vastgesteld dat zowel het « zorgverlof » als het tijdskrediet en elke andere vorm van loopbaanvermindering worden gekenmerkt door de vrije keuze van de werknemer, terwijl de deeltijdse schorsing van een arbeidsovereenkomst ingevolge een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid van de werknemer om zijn arbeid te verrichten (artikel 31, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet).

B.8.2. Ten aanzien van de berekening van de opzeggingsvergoeding bestaat er tussen de werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen in het kader van het « zorgverlof », en de werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen in het kader van een andere vorm van loopbaanvermindering of tijdskrediet niet een zodanig verschil dat hieruit voor de wetgever de verplichting zou voortspruiten om voor de eerstgenoemde categorie in een specifieke afwijkende regeling te voorzien.

Bovendien dient ermee rekening te worden gehouden dat zowel voor de werknemers die hun arbeidsprestaties hebben verminderd op grond van het « zorgverlof » met toepassing van het voormelde koninklijk besluit van 10 augustus 1998, en meer bepaald op grond van artikel 3, eerste lid, in navolging van artikel 101 van de wet van 22 januari 1985, als voor de andere categorieën van werknemers die hun arbeidsprestaties hebben verminderd op grond van andere vormen van loopbaanvermindering of tijdskrediet, is bepaald dat de werkgever die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties, naast de opzeggingsvergoeding een forfaitaire beschermingsvergoeding dient te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat, in geval van ontslag van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid, bij de vaststelling van het bedrag van de opzeggingsvergoeding moet worden uitgegaan van het lopende loon dat overeenstemt met de verminderde activiteiten.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Verminderde arbeidsprestaties

  • 1. Vrije keuze van de werknemer

  • 2. Ontslag

  • Opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties

  • a. Zorgverlof

  • b. Loopbaanonderbreking of tijdskrediet

  • c. Forfaitaire beschermingsvergoeding.