- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - 81/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 21 juni 2011 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 22 juni 2011, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van het bijzondere decreet van het Waalse Gewest van 9 december 2010 tot beperking van de cumulatie van mandaten in hoofde van de volksvertegenwoordigers van het Waalse Parlement (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2010, tweede editie), respectievelijk door John Joos, wonende te 7000 Bergen, rue Belneux 13/2, en door Fabien Palmans, wonende te 7190 Ecaussinnes-d'Enghien, rue des Marguerites 22, Florence Van Hout, wonende te 7080 Frameries, rue F.D. Roosevelt 98, Florine Pary-Mille, wonende te 7850 Lettelingen, Magrietendreef 73, en Jean-Paul Wahl, wonende te 1370 Geldenaken, rue des Gotteaux 52.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5160 en 5161 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het bestreden decreet

B.1.1. De twee beroepen zijn gericht tegen het bijzondere decreet van het Waalse Gewest van 9 december 2010 tot beperking van de cumulatie van mandaten in hoofde van de volksvertegenwoordigers van het Waalse Parlement, dat bepaalt :

« Artikel 1. Dit decreet regelt overeenkomstig de artikelen 39 en 118, § 2, van de Grondwet en artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, een materie bedoeld in artikel 24bis van deze bijzondere wet.

Art. 2. Artikel 24bis van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 wordt aangevuld met een § 6, luidend als volgt :

' § 6. Voor drie vierde van de leden van elke politieke fractie is het mandaat van lid van het Parlement onverenigbaar met een mandaat binnen een gemeentecollege.

In de zin van deze paragraaf dient onder politieke fractie te worden verstaan : het lid of de leden gekozen op eenzelfde lijst bij de regionale verkiezingen. Het Parlementslid dat tijdens de legislatuur uit zijn politieke fractie aftreedt of wordt geschrapt, wordt voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als steeds behorend tot de verlaten politieke fractie.

Voor de toepassing van het maximum bedoeld in het eerste lid wordt elk decimaal getal opgetrokken tot het hoger volgende geheel getal als de decimaal hoger is dan 5. Het decimaal getal wordt evenwel automatisch tot het hoger geheel getal opgetrokken voor de kleinste democratische politieke fractie in het Parlement.

Bij de vernieuwing van het Waals Parlement wordt de lijst van de Parlementsleden bepaald waarop de onverenigbaarheid bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is. Het betreft binnen elke fractie het kwart van de leden die in een gemeentecollege een mandaat uitoefenen en die bij de regionale verkiezingen het hoogste penetratiepercentage hebben behaald.

Het penetratiepercentage wordt berekend door het aantal naamstemmen behaald door de verkozene te delen door het aantal geldige stemmen uitgebracht in zijn kieskring.

Een verkozene die tijdens de legislatuur de eed moet afleggen, mag zijn mandaat van Parlementslid niet cumuleren met een mandaat van lid van een gemeentecollege.'

Art. 3. De bepalingen van dit decreet treden in werking bij de eerstvolgende integrale hernieuwing van het Waalse Parlement.

Overgangsbepaling

Art. 4. Tot het in functie treden van de gemeentecolleges voortvloeiend uit de integrale hernieuwing van de gemeenteraden in 2018 kunnen de Parlementsleden die overeenkomstig artikel 2 hun parlementair mandaat met hun mandaat van lid van een gemeentecollege niet mogen cumuleren, zich verhinderd verklaren in de uitoefening van het één of andere mandaat.

Het Parlementslid dat beslist om een mandaat uit te oefenen in een gemeentecollege verklaart zich verhinderd en houdt onmiddellijk op zitting te hebben in het Parlement nadat hij, in voorkomend geval, de eed heeft afgelegd overeenkomstig artikel 62 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Hij kan weer zijn ambt bekleden in het Parlement nadat hij opgehouden heeft zijn ambt in het gemeentecollege uit te oefenen.

Het Parlementslid dat overeenkomstig het vorig lid verhinderd is, wordt onmiddellijk vervangen door de eerste opvolger die in aanmerking komt op de lijst waarop hij verkozen werd. Deze opvolger heeft het statuut van Parlementslid.

Indien het verhinderd Parlementslid ophoudt zijn ambt in het gemeentecollege uit te oefenen, neemt het Parlementslid dat hem verving opnieuw zijn plaats op van eerste opvolger die in aanmerking komt op de lijst waarop hij verkozen werd ».

B.1.2. Het bestreden bijzondere decreet voert volgens de bewoordingen ervan een « onverenigbaarheid » in tussen het mandaat van lid van het Waals Parlement en een mandaat binnen een gemeentecollege. Die « onverenigbaarheid » geldt voor driekwart van de leden van elke politieke fractie in het Parlement, waarbij een kwart van de leden de twee in het geding zijnde mandaten kan cumuleren.

Met die maatregel wil de Waalse decreetgever twee doelstellingen met elkaar verzoenen : « enerzijds, het verwezenlijken van een rechtstreeks verband tussen de plaatselijke werkelijkheid - die het meest voeling heeft met de verwachtingen van onze medeburgers - en, anderzijds, de wil om aan de Waalse vergadering het niveau te geven dat noodzakelijk is om zich te kunnen uitspreken over de plaatselijke standpunten, waarbij de vernietigende klip van het subregionalisme wordt omzeild » (Parl. St., Waals Parlement, 2010-2011, nr. 247/1, p. 2). Met andere woorden, « het decreet beoogt een evenwichtige samenstelling van het Waals Parlement door de invoering van een onverenigbaarheid » (Parl. St., Waals Parlement, 2010-2011, nr. 247/2, p. 4).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen

B.2.1. Het bestreden bijzondere decreet beperkt voor de leden van het Waals Parlement de mogelijkheden om de mandaten te cumuleren. De verzoekende partijen in de twee zaken voeren hun hoedanigheid van kiezer bij de verkiezing van de leden van het Waals Parlement aan en, voor sommigen onder hen, hun hoedanigheid van lid van dat Parlement of van toekomstige kandidaat bij de verkiezingen van dat Parlement.

B.2.2. Het kiesrecht is het fundamentele politieke recht in de representatieve democratie. Elke kiezer of kandidaat doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die zijn stem of zijn kandidatuur ongunstig kunnen beïnvloeden.

B.2.3. De beroepen zijn ontvankelijk.

Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels

B.3.1. In elk van de samengevoegde zaken is het eerste middel afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten en meer bepaald van de artikelen 39, 118, § 2, en 119 van de Grondwet en de artikelen 24 en 24bis, § § 2ter en 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

De verzoekende partij in de zaak nr. 5160, in het eerste onderdeel van het eerste middel, en de verzoekende partijen in de zaak nr. 5161, in het eerste middel, voeren aan dat de Waalse decreetgever niet bevoegd was om het bestreden bijzondere decreet aan te nemen, aangezien dat laatste in werkelijkheid geen onverenigbaarheid voor de leden van het Waals Parlement invoert, maar veeleer de samenstelling van dat Parlement regelt. Hoewel de Waalse decreetgever, handelend krachtens artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de bevoegdheid heeft om onverenigbaarheden in te voeren naast die welke bij artikel 119 van de Grondwet en bij de artikelen 23 en 24bis van dezelfde bijzondere wet zijn vastgesteld, zou hij daarentegen niet bevoegd zijn om de samenstelling van het Parlement te regelen.

B.3.2. In het advies dat zij heeft gewezen over het voorontwerp van decreet dat tot het bestreden bijzondere decreet heeft geleid, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in dat verband opgemerkt :

« Het ontworpen decreet strekt niet ertoe het aantal parlementsleden te wijzigen, noch een norm van onverenigbaarheid vast te stellen. Immers, een onverenigbaarheid tussen twee of meerdere ambten veronderstelt dat die niet gelijktijdig kunnen worden uitgeoefend. Echter, indien het voorontwerp van decreet wordt aangenomen, zouden sommige Waalse parlementsleden dat ambt verder kunnen cumuleren met het ambt van lid van een gemeentecollege. Beide ambten zouden dus niet onverenigbaar zijn. Het voorontwerp strekt in werkelijkheid ertoe een regel vast te stellen inzake een evenwichtige samenstelling, in het Parlement, tussen de leden die een ambt binnen een gemeentecollege uitoefenen en diegenen die geen dergelijk ambt uitoefenen. Een dergelijke norm kan niet worden beschouwd als een norm die een bijkomende onverenigbaarheid invoert, zoals bepaald in artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet, maar wel als een regel inzake de samenstelling van het Parlement, die volkomen losstaat van die welke de wetgever, door middel van een bijzonder decreet, kan vaststellen krachtens de constitutieve autonomie die de bijzondere wet hem toekent.

De Waalse wetgever is dus niet bevoegd om het voorontwerp van decreet aan te nemen » (Parl. St., Waals Parlement, 2010-2011, nr. 247/1, p. 8).

B.3.3. De decreetgever heeft het decreet niettemin aangenomen, stellende dat « de afdeling wetgeving van de Raad van State het door de wetgever nagestreefde doel [verwarde met] het daartoe aangewende instrument » :

« Het doel bestaat erin een evenwichtige samenstelling van het Parlement tot stand te brengen en het daartoe aangewende instrument is een onverenigbaarheid die weliswaar niet absoluut is, maar op onbetwistbare wijze verkozenen treft die worden geïdentificeerd na de kennisname van de resultaten van de verkiezing » (ibid., p. 2).

B.4.1. Artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« Het Vlaams Parlement en het Waals Parlement kunnen, ieder voor zich, bij decreet bijkomende onverenigbaarheden instellen ».

Met toepassing van artikel 35, § 3, van dezelfde bijzondere wet dienen de in artikel 24bis, § 3, beoogde decreten te worden aangenomen met tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen.

B.4.2. Met toepassing van die bepaling kunnen de decreetgevers, met een bijzondere meerderheid, onverenigbaarheden invoeren die respectievelijk van toepassing zijn op het Waals Parlement en het Vlaams Parlement.

B.5. De parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, die artikel 24bis in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 heeft ingevoegd, preciseert niet wat, in de zin van die bepaling, onder de term « onverenigbaarheid » moet worden begrepen. Meer bepaald maakt niets het mogelijk aan te nemen dat de bijzondere wetgever, wanneer hij aan het Waals Parlement en aan het Vlaams Parlement een constitutieve autonomie heeft toegekend waardoor zij met name onverenigbaarheden kunnen toevoegen aan die welke reeds bestonden, die mogelijkheid heeft willen beperken tot het invoeren van onverenigbaarheden die op dezelfde wijze alle leden van de betrokken vergadering beogen.

B.6. Hoewel het juist is dat, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State opmerkt, de meeste van de bestaande onverenigbaarheden alle betrokken mandaathouders beogen, kan hieruit niet worden afgeleid dat de Waalse decreetgever, handelend in het kader van de constitutieve autonomie die artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 hem heeft toegekend, geen onverenigbaarheid mag invoeren die enkel een deel van de leden van het Waals Parlement beoogt.

De omstandigheid dat die onverenigbaarheid de algemene samenstelling van het Waals Parlement beïnvloedt, ontneemt haar niet de kwalificatie van onverenigbaarheid in de zin van artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Hieruit vloeit voort dat, krachtens die bepaling, de Waalse decreetgever, handelend met een bijzondere meerderheid, bevoegd was om het bestreden bijzondere decreet aan te nemen.

B.7.1. In het tweede onderdeel van haar eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 5160 aan dat het bijzondere decreet van 9 december 2010 artikel 24bis, § 2ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt.

B.7.2. Het voormelde artikel 24bis, § 2ter, bepaalt :

« Het mandaat van lid van het Vlaams Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Waals Parlement kan worden gecumuleerd met ten hoogste één bezoldigd uitvoerend mandaat.

Als bezoldigde uitvoerende mandaten in de zin van het vorige lid worden beschouwd :

1° het ambt van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn ongeacht het daaraan verbonden inkomen;

[...] ».

B.8.1. Die bepaling, ingevoegd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bij de bijzondere wet van 4 mei 1999 « tot beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad met andere ambten », maakt deel uit van een reeks van wetten die de federale wetgever heeft aangenomen teneinde concreet gestalte te geven aan de « algemene filosofie » van een project dat voortvloeit uit het algemene denkwerk dat is gevoerd binnen de « Staten-generaal van de Democratie », algemene filosofie die als volgt is verwoord : « men [kan] slechts twee mandaten uitoefenen » (Parl. St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-984/4, pp. 5-6).

Zij strekt dus in wezen ertoe het aantal mandaten te beperken die tegelijkertijd kunnen worden uitgeoefend. De draagwijdte ervan waarborgt de parlementsleden van de gewesten en de gemeenschappen evenwel niet dat zij hun mandaat altijd zullen kunnen cumuleren met een ambt van burgemeester, schepen of voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn.

B.8.2. Bovendien kan artikel 24bis, § 2ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet in die zin worden geïnterpreteerd dat het de draagwijdte beperkt van artikel 24bis, § 3, van dezelfde bijzondere wet, dat geen enkele beperking inhoudt ten aanzien van de bevoegdheid die het aan de decreetgevers toekent om nieuwe onverenigbaarheden in te voeren.

B.9. Hieruit vloeit voort dat de Waalse decreetgever, met het aannemen van het bestreden bijzondere decreet, artikel 24bis, § 2ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet heeft geschonden.

B.10. Het eerste middel in de zaak nr. 5160 en het eerste middel in de zaak nr. 5161 zijn niet gegrond.

Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

B.11.1. Het tweede middel in elk van de samengevoegde zaken is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Het derde middel in de zaak nr. 5160 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.11.2. In die middelen wordt de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie aangevoerd, in zoverre het bestreden bijzondere decreet, enerzijds, afbreuk zou doen aan het recht van de kiezer op de voorzienbaarheid van het nuttige effect van zijn stem en, anderzijds, onverantwoorde verschillen in behandeling zou teweegbrengen onder kiezers en onder kandidaten bij de verkiezing van het Waals Parlement, alsook onder verkozenen voor datzelfde Parlement.

De Vlaamse Regering voert eveneens aan dat het bestreden decreet verschillende schendingen inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Wat het nuttige effect van de stem betreft

B.12. In het tweede middel, eerste onderdeel, in de zaak nr. 5160 en in het tweede middel, eerste onderdeel, in de zaak nr. 5161 klagen de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bepaalt :

« De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden welke de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen ».

B.13. Die bepaling waarborgt subjectieve rechten, waaronder het stemrecht en het recht om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen. Die rechten zijn van cruciaal belang voor het vestigen en het handhaven van de grondslagen van de democratie. Niettemin zijn die rechten niet absoluut. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt, « is er plaats voor ' impliciete beperkingen ' en de verdragsluitende Staten moeten kunnen beschikken over een beoordelingsvrijheid ter zake », beoordelingsvrijheid die « ruim » is (EHRM, 15 juni 2006, Lykourezos t. Griekenland, § 51).

B.14.1. De in het middel beoogde bepalingen beletten niet dat de wetgever het beginsel van de vrijheid van de stem, waaruit voortvloeit dat de kiezer het nuttige effect van zijn stem kan inschatten, op redelijke wijze beperkt teneinde de goede werking van de democratische instellingen te verzekeren. Dat geldt met name voor de onverenigbaarheden die een kandidaat, na zijn verkiezing, verplichten te kiezen tussen twee onverenigbare ambten of mandaten. Te dezen vermocht de Waalse decreetgever te oordelen dat het noodzakelijk was een evenwichtige samenstelling van het Waals Parlement tot stand te brengen, opdat dat laatste een rechtstreekse band met de plaatselijke werkelijkheid kan behouden en tegelijk de klip van het subregionalisme kan omzeilen (Parl. St., Waals Parlement, 2010-2011, nr. 247/1, p. 2).

B.14.2. Bij het arrest nr. 73/2003 van 26 mei 2003 heeft het Hof artikel 6 van de wet van 13 december 2002 houdende verschillende wijzigingen van de kieswetgeving vernietigd omdat die bepaling « van die aard [was] dat de kiezer kan worden misleid vermits hij het nuttig effect van zijn stem niet kan inschatten » (B.16.3). Te dezen ging het om een bepaling die het een persoon mogelijk maakte zich tegelijkertijd kandidaat te stellen bij de verkiezing van zowel de Kamer van volksvertegenwoordigers als de Senaat in het kader van verkiezingen die gelijktijdig worden gehouden. Dat is te dezen niet het geval, aangezien de betrokken verkiezingen niet gelijktijdig plaatshebben.

B.15. Ermee rekening houdend dat de kiezer die zijn stem wenst uit te brengen voor een kandidaat die reeds houder is van een mandaat binnen een gemeentecollege, op voorhand weet dat het risico bestaat dat die kandidaat, indien hij wordt verkozen, niet voldoet aan de voorwaarden om beide mandaten te kunnen cumuleren, waarbij de kiezer dus met kennis van zaken stemt, heeft de Waalse decreetgever niet op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan de rechten die zijn gewaarborgd bij artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.16. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5160 en het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5161 zijn niet gegrond.

Wat betreft de verschillen in behandeling onder kiezers en onder verkozenen

B.17. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5160 en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5161 hebben beide betrekking op de verhouding van driekwart van de leden van elke politieke fractie dat de mandaten niet zal kunnen cumuleren en van één kwart van de leden van elke politieke fractie dat dat wel zal mogen doen. De verzoekende partijen zijn van mening dat die verhouding geenszins verantwoord is ten aanzien van het door de decreetgever nagestreefde doel, zodat de bestreden bepalingen onverantwoorde verschillen in behandeling zouden teweegbrengen onder kiezers en onder verkozenen naargelang die laatstgenoemden de mandaten al dan niet zouden mogen cumuleren.

B.18. Door voor een deel van de leden van het Waals Parlement te voorzien in de onmogelijkheid om mandaten te cumuleren, wil de Waalse decreetgever « een middenweg volgen teneinde het beste uit [...] twee dimensies te halen », namelijk het Parlement in staat stellen zowel een rechtstreekse band met de plaatselijke werkelijkheid te behouden als de klip van het subregionalisme te omzeilen (Parl. St., Waals Parlement, 2010-2011, nr. 247/1, p. 2).

B.19. Om dat doel te bereiken, moet de Waalse decreetgever het aandeel vaststellen van leden van het Parlement die het gewestelijk mandaat en het plaatselijk mandaat mogen cumuleren. In de keuze van dat aandeel geniet de Waalse decreetgever, zoals in B.13 eraan is herinnerd, een ruime beoordelingsbevoegdheid die hem met name toelaat een evenwichtig compromis na te streven tussen de verschillende bestaande standpunten.

Het blijkt niet dat de verhouding driekwart/één kwart waarvoor hij heeft gekozen, kennelijk onverantwoord zou zijn.

B.20. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5160 en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5161 zijn niet gegrond.

B.21. Het derde middel in de zaak nr. 5160 en het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5161 betreffen het door de Waalse decreetgever gekozen criterium om een keuze te maken tussen de leden van het Waals Parlement die hun mandaat zullen mogen cumuleren met een mandaat binnen een gemeentecollege en diegenen die die mandaten niet zullen mogen cumuleren.

De verzoekende partijen zijn van mening dat dat criterium niet relevant is ten aanzien van het nagestreefde doel, dat het discriminerend is aangezien het de mandaathouders bevoordeelt die in kleine kieskringen zijn verkozen ten opzichte van diegenen die in de grote kieskringen zijn verkozen en dat het een indirecte discriminatie inhoudt ten aanzien van de in het Waals Parlement verkozen vrouwen.

B.22. Krachtens artikel 24bis, § 6, vierde en vijfde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij artikel 2 van het bestreden bijzondere decreet, valt, binnen elke fractie, het kwart van de leden dat een mandaat binnen een gemeentecollege uitoefent en bij de gewestverkiezingen het hoogste « penetratiepercentage » heeft behaald, niet onder de toepassing van de onverenigbaarheid die is ingevoerd tussen het mandaat van lid van het Waals Parlement en een mandaat binnen een gemeentecollege. Het « penetratiepercentage » wordt berekend door het aantal door de verkozene behaalde naamstemmen te delen door het aantal geldige stemmen uitgebracht in zijn kieskring.

B.23. Hoewel wellicht andere criteria hadden kunnen worden gekozen om een keuze te maken uit de leden van het Parlement die hun mandaat mogen cumuleren met een mandaat binnen een gemeentecollege, is het criterium van het penetratiepercentage niet irrelevant, aangezien het rekening houdt met de wil van de kiezers om aan die verkozenen een bijzonder groot vertrouwen te geven.

B.24. De verzoeker in de zaak nr. 5160 voert aan dat het decreet afbreuk doet aan de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Er kan niet worden aangevoerd dat het criterium van het penetratiepercentage afbreuk zou doen aan die gelijkheid, aangezien het op identieke wijze van toepassing is op alle verkozenen. Een verschil tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke verkozenen die mogen cumuleren, zou alleen kunnen voortvloeien uit de keuze van de kiezer.

B.25.1. Volgens de verzoekende partijen leidt de toepassing van het criterium van het penetratiepercentage ertoe verschillen in behandeling in te voeren onder verkozenen en onder kiezers naargelang zij hun kiesrechten uitoefenen in een kleine dan wel een grote kieskring. Zij voeren in dat verband aan dat het in de kleine kieskringen gemakkelijker zou zijn om een hoog penetratiepercentage te behalen dan in de grote, omdat het aantal mogelijke kandidaten op eenzelfde lijst minder groot is in de kleine kieskringen.

B.25.2. Het penetratiepercentage wordt uitgedrukt door een verhouding tussen het aantal voorkeurstemmen dat een verkozene heeft behaald en het aantal in zijn kieskring uitgebrachte geldige stemmen. Die berekeningswijze van het door de decreetgever gekozen criterium teneinde een onderscheid te maken tussen de verkozenen die zullen mogen cumuleren en die welke dat niet zullen mogen, zou prima facie de verkozenen bevoordelen die zich kandidaat hebben gesteld in de kleinste kieskringen.

B.25.3. Uit de simulatie van de toepassing van het bestreden decreet op de resultaten van de verkiezingen voor het Waals Parlement van 7 juni 2009, die door de Waalse Regering op vraag van het Hof werden meegedeeld, blijkt evenwel dat de toepassing van dat criterium in de praktijk niet leidt tot resultaten die, ten aanzien van de kandidaten die zouden mogen hebben cumuleren, aanzienlijk verschillen naar gelang van de grootte van de kieskring waarin zij zijn verkozen.

Hieruit kan worden afgeleid dat het gedrag van de kiezers en de strategieën van de politieke partijen, met name de concentratie van de voorkeurstemmen op een beperkt aantal kandidaten in alle kieskringen, de mogelijkheden voor alle verkozen kandidaten om te voldoen aan de voorwaarden van de cumulatie, voldoende kunnen beïnvloeden, zelfs wanneer zij zich kandidaat stellen in de grotere kieskringen.

B.25.4. De bestreden bepaling heeft bijgevolg geen onevenredige gevolgen voor de kandidaten die in de grote kieskringen zijn verkozen, zodat zij niet in strijd is met de in het middel beoogde bepalingen.

B.26. Het derde middel in de zaak nr. 5160 en het derde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5161 zijn niet gegrond.

Om die redenen

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van het bijzondere decreet van het Waalse Gewest van 9 december 2010 tot beperking van de cumulatie van mandaten in hoofde van de volksvertegenwoordigers van het Waalse Parlement, ingesteld door John Joos en door Fabien Palmans en anderen. Grondwettelijk recht

  • Bevoegdheden van de gewesten

  • Constitutieve autonomie

  • Waals Gewest

  • Leden van het Parlement

  • Onverenigbaarheid met een mandaat binnen een gemeentecollege

  • 1. Nuttig effect van de stem

  • 2. Aandeel van leden die mogen cumuleren

  • 3. Criterium van het penetratiepercentage. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op vrije verkiezingen

  • 2. Gelijkheid in verkiezingsaangelegenheden