- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - 83/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt de woorden « bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3° » in artikel 2, § 2, vierde lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de onderhandeling in de Franse Gemeenschap, zoals het is vervangen bij artikel 34 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap »;

- verwerpt het beroep voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 juli 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 juli 2011, heeft de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (SeGEC), met maatschappelijke zetel te 1200 Brussel, Mounierlaan 100, een beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 2, § 2, vierde lid (de woorden « op de voordracht van de Comités bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3° »), en § 3, i) (de woorden « met uitzondering van de regeling betreffende de terbeschikkingsstelling voorafgaand aan de inrustestelling »), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de onderhandeling in de Franse Gemeenschap, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 34 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 februari 2011, tweede editie).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de woorden « op de voordracht van de Comités bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3° » in paragraaf 2, vierde lid, van artikel 2, alsook van de woorden « met uitzondering van de regeling betreffende de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inrustestelling » in paragraaf 3, i), van artikel 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 « betreffende de onderhandeling in de Franse Gemeenschap », zoals het werd vervangen bij artikel 34 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap ».

Dat artikel bepaalt :

« Artikel 2. § 1. Om de twee jaar, met het oog op onderhandelingen over een sectorale sociale programmatie, roept de Regering het Comité van Sector XVII bijeen, bedoeld in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

Op het einde van de debatten gevoerd in het kader van deze paragraaf, en uiterlijk drie maanden na de eerste vergadering, sluit de Regering de in deze paragraaf bedoelde onderhandelingen af.

§ 2. Om de twee jaar, met het oog op onderhandelingen over een intersectorale sociale programmatie, roept de Regering de volgende comités bijeen :

1° het Comité voor de plaatselijke en provinciale overheidsdiensten - Afdeling II (Onderafdeling Franse Gemeenschap) bedoeld in artikel 17, § 2ter, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;

2° het Comité van Sector IX, bedoeld in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;

3° het onderhandelings- en overlegcomité voor de statuten van het personeel van het vrij gesubsidieerd onderwijs bedoeld in hoofdstuk II van dit decreet;

4° het onderhandelingscomité bedoeld in artikel 3 van het decreet van 20 juli 2006 betreffende het overleg van de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de Inrichtende Machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS-centra en de inrichtende machten van de Instellingen voor hoger onderwijs buiten de Universiteiten.

Geen vraag in verband met een sectorale sociale programmatie staat op de agenda van één van de comités bedoeld in het eerste lid gedurende een termijn van vier maanden vanaf de datum waarop de onderhandeling betreffende een intersectorale programmatie voor de eerste keer op de agenda van een gezamenlijke vergadering van de comités bedoeld in het eerste lid werd gezet.

Indien, voor een periode van in principe twee jaar, geen akkoord wordt gesloten over een intersectorale programmatie overeenkomstig het eerste lid, terwijl vervolgens sectorale programmaties worden gesloten binnen één of meer comité(s) bedoeld in het eerste lid, worden onderhandelingen gezamenlijk gevoerd over een andere intersectorale programmatie voor die periode.

In het kader van deze paragraaf, organiseert de Regering een eerste voltallige vergadering, om, op de voordracht van de Comités bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3°, thema's vast te stellen die zullen worden besproken in het kader van de intersectorale sociale programmatie.

Voor de bespreking van die thema's roept de Regering daarna de comités bijeen die respectievelijk in het eerste lid, punten 1° tot 3°, en in het eerste lid, punt 4°, bedoeld zijn. In voorkomend geval, met de toestemming van alle partijen, kan de Regering, over bepaalde thema's, deze laatste gezamenlijk bijeenroepen.

Op het einde van de debatten die in het kader van het vorige lid worden gevoerd, en uiterlijk drie maanden na de vergadering bedoeld in het vierde lid, roept de Regering gezamenlijk het geheel van de in het eerste lid bedoelde comités bijeen en sluit ze de in deze paragraaf bedoelde onderhandelingen af, waarbij een ontwerp van protocol wordt voorgesteld met vermelding van de verschillende maatregelen die worden gepland in het kader van de intersectorale sociale programmatie. De Regering neemt akte van de stelling van de verschillende partijen.

De Regering kan zich op een intersectoraal akkoord in het kader van deze paragraaf alleen onder de twee volgende voorwaarden beroepen :

1. de punten slaande op artikel 2 van de voormelde wet van 19 december 1974 moeten de instemming van de comités bedoeld in het eerste lid, punten 1° tot 3° krijgen;

2° de punten die een rechtstreekse weerslag hebben op de actie van de inrichtende machten van het onderwijs en de gesubsidieerde PMS-centra en/of de inrichtende machten van de instellingen voor hoger onderwijs moeten de toestemming van het comité bedoeld in het eerste lid, punt 4° krijgen.

Onder ' Comité of Subcomité ', dienen, in voorkomend geval, de inrichtende machten van de instellingen voor hoger onderwijs buiten de universiteiten te worden verstaan.

§ 3. Voor de toepassing van deze paragraaf, worden de volgende aangelegenheden beschouwd als een weerslag hebbend op de actie van de inrichtende machten :

a) de subsidiëring van de inrichtingen en de PMS-centra, alsook de nadere regels ervoor;

b) de regels voor het gebruik van de gesubsidieerde betrekkingen die aan de inrichtingen worden toegekend;

c) de regels voor de toekenning van de betrekkingen, ook in het geval van de gedifferentieerde omkadering;

d) de tegemoetkoming van de inrichtende machten in de betaling van bepaalde kosten gedaan door de gesubsidieerde personeelsleden;

e) de wijzigingen aan de statuten van het personeel (met inbegrip van de regeling inzake de bekwaamheidsbewijzen en ambten);

f) de wijzigingen aan de rollen en opdrachten van de instanties waarin vertegenwoordigers van de inrichtende machten zitting houden;

g) de invoering van nieuwe ambten;

h) de opleidingen die noodzakelijk zijn om tot sommige ambten toegang te krijgen;

i) de mogelijke splitsing van opdrachten of sommige verloven, met uitzondering van de regeling betreffende de terbschikkingsstelling voorafgaand aan de inrustestelling.

§ 4. Wanneer, in het kader van de toepassing van § 2, tweede lid, de onderhandelingen over een sectorale sociale programmatie betrekking hebben op aangelegenheden bepaald in § 3, past de Regering de procedure bedoeld in § 2 op overeenkomstige wijze toe.

§ 5. Wanneer de onderhandelingen over een programmatie betrekking hebben op aangelegenheden die uitsluitend één net betreffen, dan wordt alleen overleg gepleegd met het (de) vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan(anen) van de inrichtende machten van het onderwijs en de PMS-centra van het betrokken net en het(de) betrokken Comité(s) onder deze die bedoeld zijn in artikel 2, § 2, 1° tot 3° ».

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij

B.2. Als vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten van het katholiek onderwijs en lid van het comité voor overleg tussen de Franse Gemeenschapsregering en de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten en van de gesubsidieerde PMS-centra, doet de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » blijken van een belang om voor het Hof in rechte te treden tegen de bestreden bepalingen, die de sectoronderhandelingen betreffen waaraan zij kan deelnemen.

B.3. Het beroep is ontvankelijk.

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

B.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.

Volgens de verzoekende partij stelt de bestreden bepaling twee discriminaties in.

Ten aanzien van de vaststelling van de agenda van de intersectorale sociale programmatie

B.5. Volgens de verzoekende partij betreft de eerste discriminatie de vaststelling van de agenda van de tweejaarlijkse intersectorale sociale programmatie. De bestreden bepaling zou in paragraaf 2, vierde lid, ervan een dubbele discriminatie invoeren. Zij zou de vertegenwoordigers van het personeel toelaten punten voor te stellen en derhalve op de agenda van de sociale sectoronderhandeling te zetten en zou die mogelijkheid niet bieden aan de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS-centra. Zij zou bovendien de Franse Gemeenschapsregering, in de hoedanigheid van inrichtende macht van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, toelaten punten op de agenda van de tweejaarlijkse sociale sectoronderhandeling te zetten maar zou die mogelijkheid niet aanbieden aan de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS-centra.

B.6. Artikel 2, § 2, vierde lid, van het decreet van 19 mei 2004 betreffende de onderhandeling in de Franse Gemeenschap, zoals het werd vervangen bij artikel 34 van het bestreden programmadecreet, bepaalt dat « in het kader van deze paragraaf, [...] de Regering een eerste voltallige vergadering [organiseert], om, op de voordracht van de Comités bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3°, thema's vast te stellen die zullen worden besproken in het kader van de intersectorale sociale programmatie ».

De comités die de te bespreken thema's kunnen voorstellen zijn :

« 1° het Comité voor de plaatselijke en provinciale overheidsdiensten - Afdeling II (Onderafdeling Franse Gemeenschap) bedoeld in artikel 17, § 2ter, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;

2° het Comité van Sector IX, bedoeld in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;

3° het onderhandelings- en overlegcomité voor de statuten van het personeel van het vrij gesubsidieerd onderwijs bedoeld in hoofdstuk II van dit decreet ».

Het comité bedoeld in 4° van artikel 2, § 2, namelijk « het onderhandelingscomité bedoeld in artikel 3 van het decreet van 20 juli 2006 betreffende het overleg van de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de Inrichtende Machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde PMS-centra en de inrichtende machten van de Instellingen voor hoger onderwijs buiten de Universiteiten », kan dus geen thema's ter bespreking voorstellen, maar neemt deel aan de eerste voltallige vergadering, die ten doel heeft de thema's vast te stellen die zullen worden besproken in het kader van de intersectorale sociale programmatie.

B.7.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat de woorden « op de voordracht van de Comités bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3° » in het bestreden artikel 2, § 2, vierde lid, niet voorkwamen in het voorontwerp van decreet en dus niet werden onderworpen aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Die woorden werden toegevoegd bij de indiening van het ontwerpdecreet in het Parlement van de Franse Gemeenschap (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2010-2011, nr. 142/1, p. 40).

Tijdens dezelfde parlementaire voorbereiding werd de bestreden bepaling als volgt besproken :

« Rond de tafel is echter vaak gebleken dat de onderwijsthema's veelomvattend zijn en vaak de zuiver weddeschaalgebonden of statutaire kwesties te buiten gaan. Het dialoogforum moet dan ook worden uitgebreid om er alle partners bij te betrekken op wie de debatten betrekking hebben.

De tekst voorziet in een tripartiet dialoogforum voor de sectorprogrammaties ditmaal (eigen aan alle netten of, in voorkomend geval, aan één enkel ervan).

In de praktijk zal de onderhandeling met het oog op de toekomstige protocollen met betrekking tot de sociale programmatie van start gaan met een voltallige vergadering waarop de verschillende vakbondscomités en het onderhandelingscomité van de inrichtende machten bijeen worden gebracht. Tijdens die voltallige vergadering zullen dan, op de voordracht van de vakbondsorganisaties, de thema's worden vastgesteld die op de agenda van de onderhandelingen worden geplaatst. Als die thema's eenmaal bepaald zijn, zal de Regering onderhandelen, enerzijds, met de vakbondscomités en, anderzijds, met het comité van de inrichtende machten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2010-2011, nr. 142/3, p. 5).

De minister verklaart :

« Artikel 2, § 2, vierde lid, dat op kruissnelheid (wanneer de tekst van toepassing zal zijn) alleen de vakbondsorganisaties bij aanvang van de bespreking voorstellen van thema's indienen en dat het op die basis is, na vrije besprekingen tussen de Regering en alle comités bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, (met inbegrip van de inrichtende machten), dat de uiteindelijke lijst van de thema's die zullen worden besproken in het kader van de sociale programmatie gezamenlijk zal worden vastgesteld.

De tekst zegt niet dat het gaat om de exclusieve voorstellen van de comités 1 tot 3, want dat zou de Regering zelf beletten met (tegen)voorstellen te komen.

[...]

In zoverre de inrichtende machten, wanneer de tekst in werking zal zijn getreden, rond de tafel zullen zitten bij de opening van de onderhandeling met het oog op de totstandkoming van een protocol, en dus zullen deelnemen aan de vergadering die tot doel heeft de thema's vast te leggen, zegt mevrouw de minister dat het logisch is dat zij zich vrij kunnen uitdrukken en voorstellen of suggesties kunnen doen » (ibid., pp. 11 en 12).

B.7.2. Bovendien werd een amendement ingediend teneinde in artikel 2, § 2, vierde lid, de bewoordingen « 1° tot 3° » na de bewoordingen « bedoeld in artikel 2, § 2 » te schrappen. Het werd met name als volgt verantwoord :

« Dit amendement heeft ten doel alle partners bij de onderhandeling op voet van gelijkheid te plaatsen, wat met name dezelfde rechten inzake agendering impliceert [...] » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2010-2011, nr. 142/6, p. 3).

Dat amendement werd in Commissie verworpen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2010-2011, nr. 142/7, p. 5).

B.8. Hoewel het bestreden decreet een tripartiet onderhandelings- en overlegproces opstart, voorziet het in een verschillend niveau van betrokkenheid van de verschillende partijen. Meer in het bijzonder verleent het de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het onderwijs niet de mogelijkheid om, vóór de eerste voltallige vergadering van de verschillende comités, een lijst van te bespreken thema's voor te stellen en op de agenda te plaatsen.

Het bestreden decreet sluit op die wijze één van de twee actoren van de arbeidsrelatie, namelijk de inrichtende macht die de werkgever is, uit van het initiatiefrecht inzake sociale onderhandeling en sociaal overleg. De twee partijen kunnen bijgevolg niet op dezelfde wijze deelnemen aan het opstarten van het onderhandelings- en overlegproces.

Aangezien de onderhandeling of het overleg betrekking heeft op punten die een rechtstreekse weerslag hebben op de actie van de inrichtende machten of zij de rechtstreekse adressaten ervan zijn, zijn die machten even belangrijke actoren van het genoemde proces.

Het aldus bij de bestreden bepaling ingestelde onevenwicht tussen de partners bij de arbeidsrelatie en de sociale onderhandeling in het onderwijs is niet redelijk verantwoord.

Het eerste middel is in dat opzicht gegrond. In artikel 2, § 2, vierde lid, van het bestreden decreet dienen de woorden « bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3° » te worden vernietigd.

B.9. Het tweede door de verzoekende partij aangeklaagde verschil in behandeling berust op een verkeerde lezing van het decreet. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, heeft de decreetgever de mogelijkheid om onderhandelingsthema's voor te stellen voorbehouden aan de vakbondsorganisaties alleen.

Het eerste middel is, wat die grief betreft, niet gegrond.

Ten aanzien van de regeling betreffende de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inrustestelling

B.10. Wat de regeling betreffende de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inrustestelling betreft, voert de verzoekende partij aan dat artikel 2, § 3, i), van het decreet van 19 mei 2004, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, zonder redelijke verantwoording de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs uitsluit van de onderhandeling, terwijl die regeling wordt onderworpen aan het overleg met de vakbonden en wordt besproken met de Franse Gemeenschap in haar hoedanigheid van inrichtende macht van haar onderwijs.

B.11. Overeenkomstig het zevende lid van paragraaf 2 van artikel 2 van het decreet van 19 mei 2004 kan de Regering zich op een intersectoraal akkoord in het kader van deze paragraaf alleen onder de volgende voorwaard beroepen :

« [...]

2° de punten die een rechtstreekse weerslag hebben op de actie van de inrichtende machten van het onderwijs en de gesubsidieerde PMS-centra en/of de inrichtende machten van de instellingen voor hoger onderwijs moeten de toestemming van het comité bedoeld in het eerste lid, punt 4° krijgen ».

In paragraaf 3 van dat artikel 2 worden de aangelegenheden bepaald die worden beschouwd als een weerslag hebbend op de actie van de inrichtende machten. In littera i) wordt « de mogelijke splitsing van opdrachten of sommige verloven, met uitzondering van de regeling betreffende de terbeschikkingsstelling voorafgaand aan de inrustestelling » vermeld.

B.12. Volgens de Franse Gemeenschapsregering wordt het feit dat de instemming van de inrichtende machten niet is vereist in verband met de terbeschikkingstellingen voorafgaand aan de inrustestelling verantwoord door het gegeven dat het gaat om een vorm van vervroegd pensioen dat door de Franse Gemeenschap ten laste wordt genomen en dat de inrichtende machten geenszins bijdragen aan de financiering ervan. Die inrichtende machten worden dus slechts indirect geraakt door een maatregel die slechts een beperkte impact heeft op hun organisatie, namelijk het beheer van de vervanging van de leerkrachten die vertrekken volgens de regeling van de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inrustestelling.

B.13. Zoals uit de in B.7.1 vermelde parlementaire voorbereiding en de tekst van het decreet blijkt, kent het door de decreetgever gekozen driepartijenmodel een verschillende mate van betrokkenheid van de verschillende partijen naar gelang van de behandelde materies. Er wordt een genuanceerd model uitgebouwd, waarbij de decreetgever oog had voor het zwaartepunt van de geregelde materies. Rekening houdend met de beperkte impact van de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inrustestelling op de organisatie van de scholen, kan de bepaling die de regeling betreffende de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inruststelling uitsluit van de punten die een rechtstreekse weerslag hebben op de actie van de inrichtende machten van het onderwijs, redelijk worden verantwoord. Het is immers niet onredelijk om het voor de vertegenwoordigers van de inrichtende machten niet mogelijk te maken de hervorming te blokkeren van een regeling die te hunnen aanzien een beperkte impact heeft en belangrijke gevolgen voor de leerkrachten en voor de Franse Gemeenschap.

B.14. Het eerste middel is, wat die grief betreft, niet gegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.15. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het Verdrag C154 van 19 juni 1981 van de Internationale Arbeidsorganisatie, door België bekrachtigd op 29 maart 1988, en met het Verdrag C98 van de Internationale Arbeidsorganisatie met betrekking tot het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, door België bekrachtigd op 12 december 1953.

B.16. Wat de verwijzing naar de Verdragen C154 en C98 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreft, leidt de verzoekende partij daaruit geen enkel argument af dat verschilt van die welke zij haalt uit de andere bepalingen die zij aanvoert.

Om de redenen aangegeven in antwoord op het eerste middel, is het tweede middel niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt de woorden « bedoeld in artikel 2, § 2, 1° tot 3° » in artikel 2, § 2, vierde lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de onderhandeling in de Franse Gemeenschap, zoals het is vervangen bij artikel 34 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap »;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 34 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 15 december 2010 « houdende diverse maatregelen betreffende de sport in de Franse Gemeenschap, de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap, de Raad voor de overdracht van de herinnering, het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale promotie, de schoolgebouwen, de financiering van de universitaire instellingen en van de hogescholen, het wetenschaps- en universitair beleid, de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit en de hulpverlening aan de universitaire instellingen en de onderhandeling in de Franse Gemeenschap », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (SeGEC). Publiek recht

  • Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Sociale onderhandeling

  • 1. Vaststelling van de agenda van de intersectorale sociale programmatie

  • Initiatiefrecht van de vertegenwoordigers van de inrichtende machten

  • 2. Regeling betreffende de terbeschikkingstelling voorafgaand aan de inrustestelling

  • Uitsluiting van de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs. # Rechten en vrijheden

  • Gelijkheid inzake onderwijs.