- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - 84/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven schendt artikel 23 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 214.927 van 5 september 2011 in zake het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA) en Roland Vermeulen tegen de Belgische Staat, tussenkomende partij : de NMBS-Holding, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 september 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij wet van 22 maart 2002 en gewijzigd bij wetten van 24 december 2002 en 9 juli 2004 en bij koninklijk besluit van 18 oktober 2004, artikel 23 van de Grondwet, doordat het de vertegenwoordiging van de vakorganisaties in het strategisch comité van de NMBS-Holding laat afhangen van het feit of zij al dan niet zitting hebben in de Nationale Paritaire Commissie bij dit overheidsbedrijf, terwijl de voorwaarden om zitting te hebben in de laatstgenoemde commissie niet door de wet, maar door reglementaire bepalingen uitgevaardigd door de organen van de NMBS-Holding zijn vastgesteld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1. Artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (hierna : wet van 21 maart 1991) bepaalt :

« Het strategisch comité bestaat uit :

1° de tien leden van de raad van bestuur;

2° vier leden van het directiecomité, bij wie de gedelegeerd bestuurder van de N.M.B.S. Holding niet is inbegrepen;

3° zes leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen zetelend in de Nationale Paritaire Commissie.

De zetels worden aan deze vakorganisaties toegewezen overeenkomstig hun respectieve vertegenwoordiging in de Nationale Paritaire Commissie opgericht bij de N.M.B.S. Holding.

Indien een vakorganisatie meer dan één vertegenwoordiger heeft, wordt elke taalrol vertegenwoordigd.

Deze leden worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de vakorganisaties worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar.

Zij worden afgezet door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het strategisch comité telt evenveel Franstaligen als Nederlandstaligen ».

Wat het strategisch comité betreft

B.2.1. Artikel 161ter, § 1, van de wet van 21 maart 1991, zoals ingevoegd bij de wet van 22 maart 2002, voorziet in de oprichting van verschillende comités door de raad van bestuur van de NMBS-Holding, waarvan het onder meer de samenstelling en de bevoegdheden bepaalt. Eén van die comités betreft het strategisch comité dat adviesbevoegdheid heeft over bepaalde aangelegenheden ten aanzien van de raad van bestuur.

De parlementaire voorbereiding van de wet van 22 maart 2002 vermeldt :

« Wat betreft het strategisch comité stelt de Regering zich tot doel de personeelsvertegenwoordigers van de onderneming te betrekken bij de uitwerking voor de N.M.B.S., de onderhandeling en de opvolging van de uitvoering van het meerjarige investeringsplan en bij de onderhandeling en de opvolging van de uitvoering van het beheerscontract. De oprichting van een strategisch comité, bestaande uit de leden van de raad van bestuur en zes leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen die zijn aangesloten bij een organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad, beantwoordt aan deze doelstelling.

Artikel 7, § 5 [lees : artikel 161ter, § 5] regelt de samenstelling van het strategisch comité.

De federale Regering is daarbij van oordeel dat zij de samenstelling van het strategisch comité binnen strikte grenzen moet houden en dat slechts een beperkt aantal vakorganisaties toegang mag hebben [...] » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1422/001, pp. 9-10).

B.2.2. Artikel 54 van de programmawet van 9 juli 2004 heeft de wijze waarop het strategisch comité van de NMBS-Holding wordt samengesteld, gewijzigd. De vertegenwoordiging van de vakorganisaties in het strategisch comité wordt gebaseerd op hun vertegenwoordiging in de Nationale Paritaire Commissie bij de NMBS-Holding en niet langer op hun aansluiting bij een interprofessionele organisatie die zitting heeft in de Nationale Arbeidsraad en hun respectieve vertegenwoordiging in de NMBS. Een overgangsregel bepaalt dat elk van de drie vakorganisaties die zijn aangesloten bij een interprofessionele organisatie die in de Nationale Arbeidsraad zitting heeft, tot de telling van 2008, recht heeft op minstens één vertegenwoordiger in het strategisch comité.

De parlementaire voorbereiding vermeldt :

« De voorgestelde wijziging sterkt ertoe de samenstelling van het strategisch comité te bepalen op basis van de samenstelling van de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 13 van voornoemde wet van 23 juli 1926 eerder dan op de samenstelling van de Nationale Arbeidsraad. Er wordt echter een overgangssysteem georganiseerd met behoud van de huidige samenstelling van het strategisch comité tot de telling in 2008. Er wordt een telsysteem uitgewerkt dat objectief is en voor alle vakbonden dezelfde criteria hanteert. De telling moet op een onbetwistbaar niet-discriminerende, transparante en correcte wijze verlopen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/001 en 51-1139/001, p. 37).

De in het geding zijnde bepaling laat aldus de vertegenwoordiging van de vakorganisaties in het strategisch comité afhangen van het feit of zij al dan niet in de Nationale Paritaire Commissie zitting hebben.

Wat de Nationale Paritaire Commissie betreft

B.3.1. Krachtens artikel 30, § 1, van de wet van 21 maart 1991 wordt in elk autonoom overheidsbedrijf een paritair comité opgericht. Dat artikel is niet van toepassing op de NMBS-Holding. De aan het in voormelde paragraaf 1 bedoelde paritair comité opgedragen bevoegdheden worden bij de NMBS-Holding uitgeoefend door de Nationale Paritaire Commissie, bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 « betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen » (artikel 30, § 6, van de wet van 21 maart 1991).

Bij artikel 1 van de wet van 21 april 1965 werd het vijfde lid van artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 als volgt vervangen :

« Het statuut van het personeel voorziet in het bestaan van een Nationale Paritaire Commissie, voorgezeten door de Minister tot wiens bevoegdheid de spoorwegen behoren of door zijn gemachtigde, en bestaande uit twintig leden. Tien leden worden benoemd door de raad van beheer. De overige tien leden worden, volgens de nadere regelen welke het statuut vaststelt, benoemd door de organisaties die onder de in het statuut vastgestelde voorwaarden geacht worden, de meest representatieve voor het gezamenlijke personeel te zijn, zowel op het interne vlak van de Maatschappij als op het nationale en interprofessionele vlak ».

De memorie van toelichting vermeldt :

« Het gezagslichaam dat bevoegd is om de statuten van het personeel op te maken, te weten de beheerraad handelend met de toestemming van de Nationale Paritaire Commissie, uitgedrukt, zoals voorgeschreven, bij meerderheid van twee derden der stemmen, is het best in staat om [...] de voorwaarden te bepalen waaraan de personeelsorganisaties moeten voldoen om als de meest representatieve te kunnen worden beschouwd met het oog op de aanwijzing van de vertegenwoordigers van het personeel in de Nationale Paritaire Commissie » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, 1028, nr. 1, p. 2).

Bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij worden, in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926, « de leden 1 tot 5 [...] opgeheven ».

B.3.2. Volgens het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt zou er ten gevolge van de opheffing van het vijfde lid van artikel 13 geen wettelijke regeling meer bestaan inzake de samenstelling van de Nationale Paritaire Commissie.

De NMBS-Holding daarentegen is van oordeel dat die opheffing op een vergissing zou berusten en dat het koninklijk besluit als onwettig zou moeten worden beschouwd, in zoverre het het vijfde lid van artikel 13 opheft, vermits de Koning daarmee de bevoegdheden die in artikel 2, § 1, van de wet van 21 maart 1991 werden bepaald, te buiten zou zijn gegaan, zodat het met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten.

De Ministerraad is van oordeel dat, ondanks zijn opheffing, het vijfde lid van artikel 13 zou moeten worden geacht nog steeds uitwerking te hebben, in zoverre het de samenstelling van de Nationale Paritaire Commissie regelt.

Ten aanzien van de prejudiciële vraag

B.4.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid met artikel 23 van de Grondwet van artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991, doordat de in het geding zijnde bepaling de vertegenwoordiging van de vakorganisaties in het strategisch comité van de NMBS-Holding laat afhangen van het feit of zij al dan niet zitting hebben in de Nationale Paritaire Commissie bij die Holding, terwijl de voorwaarden om zitting te hebben in die Commissie niet door de wet, maar door reglementaire bepalingen uitgevaardigd door de organen van de NMBS-Holding zouden zijn vastgesteld.

B.4.2. Het staat niet aan het Hof uitspraak te doen over de vraag of artikel 13, vijfde lid, van de wet van 23 juli 1926 al dan niet wettig door het voormelde koninklijk besluit van 30 september 1992 zou zijn opgeheven.

B.5.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;

[...] ».

B.5.2. Die grondwetsbepaling verbiedt de bevoegde wetgever niet aan de Regering machtigingen te verlenen, voor zover die machtigingen betrekking hebben op het aannemen van maatregelen waarvan het onderwerp door de bevoegde wetgever is aangegeven (arrest nr. 135/2010 van 9 december 2010, B.15, en arrest nr. 151/2010 van 22 december 2010, B.4).

B.6. In het eerste lid, 3°, van artikel 161ter, § 5, wordt bepaald dat het strategisch comité, van werknemerszijde, bestaat uit zes leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen die zitting hebben in de Nationale Paritaire Commissie. In het tweede lid wordt nader bepaald dat de zetels voor de vakorganisaties worden toegewezen overeenkomstig hun vertegenwoordiging in de Nationale Paritaire Commissie.

Weliswaar heeft de wetgever de concrete samenstelling van het strategisch comité niet rechtstreeks bepaald, toch heeft hij, door een verband te leggen met de samenstelling van een ander paritair orgaan en door erin te voorzien dat de vertegenwoordiging binnen de Nationale Paritaire Commissie bepalend is voor de samenstelling van het strategisch comité, zelf het onderwerp aangegeven wat de wettelijke basis inzake de samenstelling van het strategisch comité bij de NMBS-Holding betreft.

Artikel 23 van de Grondwet vereist niet dat de wetgever zelf de voorwaarden zou bepalen op grond waarvan vakorganisaties als de meest representatieve voor het personeel van de NMBS-Holding dienen te worden beschouwd.

Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met artikel 23 van de Grondwet.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven schendt artikel 23 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door de Raad van State. Arbeidsrecht

  • Collectieve arbeidsbetrekkingen

  • NMBS-Holding

  • 1. Strategisch comité

  • Samenstelling

  • Vakorganisaties die zitting hebben in de Nationale Paritaire Commissie

  • 2. Nationale Paritaire Commissie

  • Samenstelling

  • Machtiging aan de Regering. #Rechten en vrijheden

  • Recht op overleg en collectief onderhandelen

  • Wettigheidsbeginsel

  • Delegatie aan de uitvoerende macht.