- Arrest van 19 juli 2012

19/07/2012 - 96/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

In die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State, schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 12 juni 2011 in zake Jean-Paul Labruyère tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (DBDMH), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 juli 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing zou zijn op de rechtsplegingen voor de Raad van State en niet van rechtswege recht zou geven op ten minste de gemiddelde rechtsplegingsvergoeding waarin die bepaling voorziet (volgens het in het koninklijk besluit van 21 april 2007 vastgestelde barema), en in samenhang gelezen met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de tegenpartij die in het gelijk wordt gesteld in het raam van een rechtspleging voor de Raad van State niet kan worden vergoed voor de in het raam van die rechtspleging gemaakte kosten terwijl, indien het geschil bij de gewone rechtscolleges aanhangig was gemaakt, zij de forfaitaire terugbetaling zou hebben verkregen van de voor haar verdediging gemaakte kosten en betaalde erelonen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie »

B.1.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp betwisten de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie ». Zij zijn van mening dat die vzw, die geen partij is bij de rechtspleging voor het verwijzende rechtscollege, noch bij een vergelijkbare rechtspleging, niet kan doen blijken van het vereiste belang om tussen te komen.

B.1.2. Ofschoon het Hof moet vermijden dat voor het Hof personen in rechte treden die slechts een hypothetisch belang hebben bij de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen, dient het rekening te houden met het versterkte gezag van gewijsde dat voortvloeit uit artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en ervoor te zorgen dat prejudiciële vragen met betrekking tot identieke problemen niet worden vermenigvuldigd. Door toe te staan dat elke persoon die doet blijken van een belang de vernietiging kan vorderen van een bepaling waarvan het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft vastgesteld dat ze de Grondwet schendt, heeft artikel 4, tweede lid, dat in de bijzondere wet van 6 januari 1989 is ingevoerd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, het gevolg versterkt dat een op prejudiciële vraag gewezen arrest kan hebben voor de personen die geen partij waren bij dat arrest.

B.1.3. Er dient dus te worden aangenomen dat de personen die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zal geven, voor hun persoonlijke situatie kan hebben, doen blijken van een belang om voor het Hof tussen te komen.

B.1.4. Er dient eveneens te worden aangenomen dat doen blijken van een belang om tussen te komen voor het Hof, de rechtspersonen die een collectief belang verdedigen en in die zin zouden beschikken over een toereikend belang om een beroep tot vernietiging in te dienen volgend op een arrest gewezen op een prejudiciële vraag, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, of om in een dergelijke vernietigingsprocedure tussen te komen, en die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op de prejudiciële vraag zal geven, voor dat collectieve belang kan hebben.

B.1.5. De vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » heeft, op grond van haar statuten, met name tot doel « de rechten van de verdediging te bevorderen en te waarborgen » en « voor met name de meest noodlijdende burgers of slachtoffers van inbreuken op de mensenrechten de toegang tot het beste recht en een democratische, moderne en menselijke justitie te bevorderen en te waarborgen ». Een dergelijk maatschappelijk doel kan rechtstreeks worden geraakt door het antwoord dat het Hof zal geven op een prejudiciële vraag met betrekking tot de tenlasteneming van de erelonen van de advocaat van de administratieve overheid door de verzoekende partij voor de Raad van State.

B.1.6. De tussenkomst is ontvankelijk.

Ten gronde

B.2.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, dat, vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010, bepaalde :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.2.2. Artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties » wijzigt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek als volgt :

1° in het vierde lid, worden de woorden « De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt » vervangen door de woorden « Wat dit punt betreft, omkleedt de rechter zijn beslissing tot verlaging met bijzondere redenen »;

2° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :

« Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld »;

3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :

« Wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, of wanneer alle in het ongelijk gestelde partijen op de inleidende zitting zijn verschenen maar de rechtsvordering niet hebben betwist, of wanneer zij uitsluitend uitstel van betaling vragen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding.

Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2 ».

Krachtens artikel 6 van de wet van 21 februari 2010 zullen die wijzigingen in werking treden op een door de Koning vast te stellen datum.

B.3. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege interpreteert artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dat het niet van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State, zodat de partij die voor dat rechtscollege in het gelijk wordt gesteld er de rechtsplegingsvergoeding niet kan eisen waarin dat artikel voorziet, waardoor hij ertoe wordt verplicht een nieuwe procedure in te stellen voor de burgerlijke rechter teneinde, op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, de terugbetaling van zijn kosten en erelonen van de advocaat te verkrijgen.

B.4.1. Die interpretatie, die berust op een gecombineerde lezing van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 30, §§ 5 tot 9, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 66 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State », wordt bevestigd door de rechtspraak van de Raad van State (RvSt, 4 maart 2008, nr. 180.510; RvSt, 22 mei 2008, nr. 183.222; RvSt, 15 juli 2008, nr. 185.410; RvSt, 16 februari 2009, nr. 190.518).

B.4.2. Bij het arrest nr. 118/2009 van 16 juli 2009 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, aldus geïnterpreteerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, aangezien, door de gecombineerde toepassing, voor de justitiële rechter, van de artikelen 1382 van het Burgerlijk Wetboek en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, het verschil in behandeling tussen de verzoekende partij die in het gelijk wordt gesteld voor de Raad van State, en de partij die in het gelijk wordt gesteld voor een justitieel gerecht, gevolgen heeft die niet als onevenredig kunnen worden beschouwd. Immers, de verzoekende partij die de nietigverklaring, door de Raad van State, van de door haar bestreden handeling verkrijgt, kan vervolgens de zaak bij de justitiële rechter aanhangig maken op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij kan daarbij aanvoeren dat de onwettigheid die zij door de Raad van State heeft laten afkeuren, een fout inhoudt en dat haar nadeel onder meer erin bestaat dat zij een beroep heeft moeten doen op een advocaat. Dat is overigens wat de verwijzende rechter te dezen heeft aanvaard ten aanzien van de rechtsplegingen voor de Raad van State waarin de verzoekende partij in het gelijk is gesteld.

B.5. De vordering voor de justitiële rechter op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek maakt het de tegenpartij die voor de Raad van State in het gelijk is gesteld, evenwel niet mogelijk de terugbetaling te verkrijgen van de advocatenkosten die zij heeft opgelopen om de rechtspleging voor het administratieve rechtscollege te kunnen voeren. Er kan immers niet worden aangevoerd, buiten de hypothese van tergend en roekeloos geding, dat het feit een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State in te stellen, wanneer dat beroep is verworpen, voor de verzoekende partij een fout zou inhouden in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

B.6. De gecombineerde toepassing van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 1382 van het Burgerlijk Wetboek voert bijgevolg twee verschillen in behandeling in : enerzijds, wordt de tegenpartij voor de Raad van State, die geen vergoeding kan verkrijgen voor de kosten en erelonen van haar advocaat, zelfs wanneer zij in het gelijk is gesteld, anders behandeld dan de overheid, partij bij een geschil voor een justitieel gerecht, die in het gelijk wordt gesteld voor dat rechtscollege en die de toepassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek geniet; anderzijds, worden de verzoekende partij voor de Raad van State en de tegenpartij voor dat rechtscollege ook verschillend behandeld ten aanzien van de mogelijkheid om de forfaitaire terugbetaling te verkrijgen van de door hen opgelopen kosten en erelonen van de advocaat wanneer zij voor de Raad van State in het gelijk zijn gesteld, waarbij alleen de eerstgenoemde de mogelijkheid heeft op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de terugbetaling te verkrijgen van de door haar opgelopen kosten en erelonen.

B.7. Tijdens de parlementaire voorbereiding betreffende het in het geding zijnde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek werd herhaaldelijk het voornemen van de wetgever vermeld om een wetgeving aan te nemen met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van een advocaat voor de Raad van State (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/1, p. 3; ibid., nr. 3-1686/5, pp. 26 en 30). De afdeling wetgeving van de Raad van State had opgemerkt dat, in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zou moeten worden verantwoord waarom de verhaalbaarheid niet zou gelden voor met name de Raad van State (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/3, p. 2). Er werd geantwoord dat die uitbreiding enkel kon voortvloeien uit andere wetten waarvan de totstandkoming het lopende wetgevend proces niet mocht vertragen (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 26).

B.8. Het staat aan de wetgever te beoordelen of het opportuun is een stelsel voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat in te voeren dat van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State.

B.9. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in alle gevallen waarin de overheid in het gelijk wordt gesteld voor een justitieel gerecht, zodat zij niet stelselmatig de forfaitaire terugbetaling van haar advocatenkosten verkrijgt in alle geschillen die zij wint. Op grond van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de verwijzing in de kosten aldus steeds uitgesproken, voor bepaalde geschillen die in die bepaling worden beoogd, ten laste van de overheid of de openbare instelling, ongeacht de afloop van het geschil.

De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat er geschillen bestaan waarin het niet verantwoord zou zijn dat de persoon die een hem betreffende administratieve beslissing betwist en het niet haalt in die betwisting, ertoe zou zijn gehouden een deel van de kosten en erelonen van de advocaat terug te betalen die de administratie heeft opgelopen bij de verdediging van de wettigheid van de beslissing.

B.10. Het verschil in behandeling onder de procespartijen voor de Raad van State berust op een relevant criterium. De overheid, steller van de handeling, tegenpartij voor de Raad van State, beschikt immers in beginsel, vóór de geschilprocedure, over alle nuttige middelen en gegevens die haar in staat stellen de wettigheid van de handeling te verdedigen, waardoor zij zich bevindt in een specifieke situatie ten aanzien van de noodzaak om een beroep te doen op de bijstand van een advocaat. In de omgekeerde situatie kan de verzoekende partij die kan aantonen dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onwettige handeling, aanvoeren dat de kosten die zij heeft opgelopen, aangezien zij de nietigverklaring van de handeling die haar benadeelde, niet zou hebben kunnen verkrijgen zonder de bijstand van een advocaat, deel uitmaken van die schade. Dat verschil in situaties verantwoordt dat de overheid de terugbetaling van de kosten en erelonen van haar advocaat ten laste van de verzoekende partij wier beroep is verworpen, niet kan verkrijgen, terwijl de verzoekende partij die de nietigverklaring van de handeling verkrijgt, de forfaitaire terugbetaling van haar kosten en erelonen van de advocaat kan verkrijgen.

B.11. Ten slotte brengt de ontstentenis van de mogelijkheid, voor de overheid die in het gelijk wordt gesteld voor de Raad van State, om een deel van de kosten en erelonen van haar advocaat te recupereren bij de verzoekende partij, geen onevenredige gevolgen met zich mee. Hoewel het juist is dat alle overheden die ertoe worden gebracht tegenpartij te zijn in de rechtsplegingen voor de Raad van State, niet over dezelfde middelen beschikken, met name op het vlak van personeel dat in het administratief contentieux is gespecialiseerd, kan worden aangenomen dat, in het algemeen, de overheid die de handeling aanneemt waarvan de wettigheid in het geding is gebracht, beschikt over menselijke en financiële middelen waarover de verzoekende partij niet noodzakelijk beschikt, om de verdediging van de wettigheid van de bestreden handeling op bevredigende wijze te regelen.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

In die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State, schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 juli 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • 1. Rechtsplegingen voor de Raad van State

  • 2. Toepassingsgebied

  • a. Tegenpartij voor de Raad van State

  • Geen vergoeding voor de kosten en erelonen van haar advocaat zelfs wanneer zij in het gelijk is gesteld

  • b. Overheid partij bij een geschil voor een justitieel gerecht die in het gelijk wordt gesteld voor dat rechtscollege

  • Toepassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek

  • 3. Procespartijen voor de Raad van State

  • a. Verzoekende partij die voor de Raad van State in het gelijk is gesteld

  • Mogelijkheid op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de terugbetaling te verkrijgen van de door haar opgelopen kosten en erelonen van de advocaat

  • b. Tegenpartij voor de Raad van State die voor de Raad van State in het gelijk is gesteld

  • Geen mogelijkheid op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de terugbetaling te verkrijgen van de door haar opgelopen kosten en erelonen van de advocaat.