- Arrest van 19 juli 2012

19/07/2012 - 99/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, uitspraak doende met eenparigheid van stemmen,

stelt vast dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 1 juni 2012 in zake de nv « Nutons » en de publiekrechtelijke nv « Belgacom », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2012, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 114, § 1, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven artikel 10 van de Grondwet en/of de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten in zoverre het de niet-naleving van richtlijnen die met het oog op de beveiliging van de infrastructuur zijn voorgeschreven door de betrokken leverancier van een openbaar telecommunicatienet, strafbaar stelt ? ».

Op 14 juni 2012 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en E. Derycke, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk is.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof van Beroep te Bergen stelt het Hof de volgende prejudiciële vraag :

« Schendt artikel 114, § 1, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven artikel 10 van de Grondwet en/of de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten in zoverre het de niet-naleving van richtlijnen die met het oog op de beveiliging van de infrastructuur zijn voorgeschreven door de betrokken leverancier van een openbaar telecommunicatienet, strafbaar stelt ? ».

B.2. De in het geding zijnde bepaling luidt :

« Met geldboete van 26 tot 500 frank wordt gestraft :

1° de persoon die, behalve in geval van overmacht, zonder de betrokken operator van een openbaar telecommunicatienet ten minste acht dagen vooraf bij ter post aangetekende brief in te lichten, eender welk werk uitvoert of laat uitvoeren waardoor de infrastructuur kan worden beschadigd of waardoor de werking ervan in gevaar kan komen;

2° de persoon, die zich bij het uitvoeren of laten uitvoeren van een in 1° bedoeld werk niet gedraagt naar de richtlijnen, die met het oog op de beveiliging van de infrastructuur, door de betrokken leverancier van een openbaar telecommunicatienet zijn voorgeschreven ».

B.3. Noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motieven van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid op welke wijze de in het geding zijnde bepaling, door de niet-naleving van de « richtlijnen, die [...] door de [...] leverancier van een openbaar [net] zijn voorgeschreven », strafbaar te stellen, artikel 10 van de Grondwet of de bevoegdheidverdelende regels zou schenden. Bovendien wordt in de verwijzingsbeslissing niet aangegeven welke bevoegdheidverdelende regels waarvan het Hof de inachtneming kan toetsen, zouden zijn geschonden.

De prejudiciële vraag bevat bijgevolg niet de elementen op grond waarvan het Hof uitspraak zou kunnen doen.

B.4.1. Hoewel in de prejudiciële vraag niet met name wordt aangegeven welke bevoegdheidsregels in voorkomend geval zouden zijn geschonden, noch in welk opzicht zulks het geval zou zijn, verwijst de nv « Nutons » in haar memorie met verantwoording naar de artikelen 36, 38, 39 en 41 van de Grondwet die volgens haar zouden vereisen dat enkel de wetgevende macht van de federale overheid, van de gemeenschappen, van de gewesten en van de provincies ertoe zou zijn gemachtigd wetskrachtige regels aan te nemen. Met betrekking tot de interpretatie van artikel 114, § 1, 2°, van de in het geding zijnde voormelde wet in het vonnis dat zij voor het verwijzende rechtscollege betwist, leidt de nv « Nutons » uit die interpretatie af dat zij een schending van artikel 10 van de Grondwet uitmaakt om reden dat zij, ten aanzien van het beginsel van gelijkheid voor de wet, anders zou worden behandeld dan de publiekrechtelijke nv « Belgacom » die, nog steeds in die interpretatie die aan het in hoger beroep betwiste vonnis wordt toegeschreven, wetskrachtige richtlijnen zou kunnen aannemen, en zulks met schending van de artikelen 36, 38, 39 en 41 van de Grondwet.

B.4.2. De partijen vermogen niet de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen.

De bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof biedt een partij evenmin de mogelijkheid de grondwetsbepalingen te preciseren waarover de verwijzende rechter een vraag had moeten stellen. Het staat immers niet aan een partij voor het verwijzende rechtscollege om het onderwerp en de omvang van de prejudiciële vraag te bepalen. Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vragen hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen.

B.4.3. Bovendien zou het toelaten van een prejudiciële vraag waarvan noch de bewoordingen, noch de motieven van de beslissing preciseren in welk opzicht het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden of welke bevoegdheidverdelende regels zouden zijn geschonden, en in welk opzicht zulks het geval zou zijn, ertoe leiden dat het tegensprekelijk karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang wordt gebracht, nu de partijen die in voorkomend geval in de zaak voor het Hof wensen tussen te komen, niet in de gelegenheid worden gesteld zulks op een doeltreffende wijze te doen. Dat geldt inzonderheid voor de partij die zou opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde bepaling en die geen dienstig verweer zou kunnen voeren.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

uitspraak doende met eenparigheid van stemmen,

stelt vast dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 juli 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 114, § 1, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Voorafgaande rechtspleging

  • Prejudiciële vraag

  • Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid