- Arrest van 9 augustus 2012

09/08/2012 - 101/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 5 september 2011 in zake de Belgische Staat tegen H.A., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 september 2011, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, enerzijds, de personen met een handicap die een huishouden vormen met een bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad en, anderzijds, die welke een huishouden vormen met een derde, verschillend behandelt, zonder dat dat verschil in behandeling zijn doel bereikt in het geval waarin de bloed- of aanverwant met wie de persoon met een handicap samenleeft, geen bestaansmiddelen geniet die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt :

« § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijden.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder ' inkomen ' en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.

§ 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :

1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid;

2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

§ 3. Onder ' huishouden ' moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.

Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.

Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.

§ 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten ».

B.2.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of paragraaf 3 van die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre hij een verschil in behandeling teweegbrengt tussen, enerzijds, de personen met een handicap die een huishouden vormen met een bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad en, anderzijds, die welke een huishouden vormen met een derde, in het geval waarin de bloed- of aanverwant met wie de persoon met een handicap samenleeft, geen bestaansmiddelen geniet die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming.

B.2.2. Uit de uiteenzetting van de feiten en de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat bij de verwijzende rechter een geschil aanhangig is gemaakt dat betrekking heeft op een persoon met een handicap die wegens zijn handicap niet alleen kan leven en die een huishouden vormt met een bloedverwant in de tweede graad die het leefloon geniet.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat bijzondere geval.

B.3.1. Luidens de artikelen 1 en 2 van de voormelde wet van 27 februari 1987 kunnen personen met een handicap drie types van tegemoetkoming krijgen : de inkomensvervangende tegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is, wiens lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen in aanzienlijke mate heeft verminderd; de integratietegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die 21 tot 65 jaar oud is, bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.

Die tegemoetkomingen vormen een financiële hulp waarvan het bedrag prioritair de bestaanszekerheid van de minstbedeelden moet waarborgen. Het bedrag van die tegemoetkomingen is vastgelegd bij artikel 6 van de wet van 27 februari 1987. Volgens paragraaf 1 van dat artikel wordt het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend aan de personen die tot categorie A behoren. Dat bedrag wordt verhoogd met 50 pct. voor de personen die tot categorie B behoren en met 100 pct. voor de personen die tot categorie C behoren. De Koning bepaalt de personen die tot de categorieën A, B en C behoren (artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 27 februari 1987).

De uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van die wet, vallen ten laste van de Staat (artikel 22).

B.3.2. Op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet omschrijft artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming de categorieën A, B en C als volgt :

« Voor de toepassing van de wet moet worden verstaan onder :

1° categorie A : de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B, noch tot categorie C;

2° categorie B : de personen met een handicap die :

- ofwel alleen wonen;

- ofwel sedert ten minste drie maanden dag en nacht in een verzorgingsinstelling verblijven en voorheen niet tot categorie C behoorden.

3° categorie C : de personen met een handicap die :

- ofwel een huishouden vormen;

- ofwel één of meerdere kinderen ten laste hebben ».

B.4.1. Zoals gewijzigd bij artikel 157 van de programmawet van 9 juli 2004, bepaalt artikel 7, § 1, van de wet van 27 februari 1987 dat de tegemoetkomingen aan personen met een handicap enkel kunnen worden toegekend « indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijden ».

De wetgever verstaat onder « huishouden » « elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad » (artikel 7, § 3, eerste lid). « Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap » (artikel 7, § 3, tweede lid).

B.4.2. Artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt :

« Wat betreft de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt onder inkomen verstaan, de inkomsten van de persoon met een handicap en de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt.

De jaarlijkse inkomsten van een jaar zijn de gezamenlijk en afzonderlijk belastbare inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de aanslag inzake personenbelasting en aanvullende belastingen ».

B.4.3. Vermits het leefloon geen inkomen vormt dat in aanmerking wordt genomen voor de aanslag inzake personenbelasting, dient er geen rekening mee te worden gehouden bij het bepalen van de inkomensvervangende tegemoetkoming van een persoon met een handicap.

B.5.1. Artikel 6, §§ 1 en 2, van de wet van 27 februari 1987 bepaalde, vóór het werd vervangen bij artikel 120 van de programmawet (I) van 24 december 2002, dat « de Koning [...] bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de tegemoetkomingen [vaststelt] » en dat « het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming kan verschillen naargelang de gerechtigde personen ten laste heeft, alleenstaande is of samenwonende ». De Koning diende te bepalen wat bedoeld wordt met « gerechtigde met personen ten laste », « alleenstaande gerechtigde » en « samenwonende gerechtigde ».

B.5.2. De programmawet (I) van 24 december 2002 stapt af van de indeling « gerechtigde met personen ten laste », « alleenstaande gerechtigde » en « samenwonende gerechtigde » en kiest voor een abstracte indeling (A, B en C) « zodat elke verwarring tussen de betekenis van de juridische begrippen en de betekenis van dezelfde begrippen in het dagdagelijkse taalgebruik onmogelijk wordt » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, p. 87). Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet (I) van 24 december 2002 blijkt dat de wetgever aldus de criteria en modaliteiten voor toekenning van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap nauwer wilde doen aansluiten bij de huidige samenlevingsvormen (ibid.).

B.5.3. Daarmee samenhangend bepaalde artikel 7, § 1, van de wet van 27 februari 1987, vervangen bij artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002, dat tegemoetkomingen enkel kunnen worden toegekend indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de personen met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijden. In de parlementaire voorbereiding wordt dienaangaande verklaard :

« Een belangrijke wijziging in dit verband is de introductie van het begrip ' huishouden ' (artikel 134). Vermits de tegemoetkomingen aan personen met een handicap principieel een bijstandsstelsel zijn, is de koppeling aan het inkomen waarop de persoon met een handicap een beroep kan doen, essentieel. Dit zijn niet enkel zijn eigen inkomen, maar ook dat van de personen met wie hij een huishouden vormt. Het huishouden wordt in deze reglementering dan ook opgevat als een economisch geheel. In de meeste gevallen valt deze benadering samen met de bestaande benadering, maar in een aantal gevallen betekent dit een correctie, onder meer omdat er in de notie ' huishouden ' geen onderscheid wordt gemaakt naargelang het geslacht van de betrokkenen. Daarmee wordt een discriminatie weggewerkt » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, p. 88).

B.5.4. Artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987, vervangen bij artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002, bepaalde dat « onder ' huishouden ' moet worden verstaan elke samenwoning van personen die een economische entiteit vormen gewoon door het feit dat deze personen de dagelijkse kosten voor hun levensonderhoud hoofdzakelijk gemeenschappelijk dragen ».

B.5.5. Zich ervan bewust dat de administratie onmogelijk elke afzonderlijke feitelijke levenssituatie kon uitpluizen, heeft de wetgever geopteerd voor een systeem van vermoeden van het bestaan van een huishouden wanneer twee of meer personen op hetzelfde adres zijn gedomicilieerd, waarbij echter aan de betrokkene de mogelijkheid wordt gelaten om met alle mogelijke middelen aan te tonen dat de feitelijke toestand afwijkt van de juridische, zoals die blijkt uit het Rijksregister (ibid., p. 92).

B.6.1. Artikel 157 van de programmawet van 9 juli 2004 vervangt de in B.4.1 vermelde omschrijving van wat onder « huishouden » moet worden verstaan. Sinds de inwerkingtreding van die bepaling preciseert artikel 7, § 3, eerste lid, van de wet van 27 februari 1987 dat « onder ' huishouden ' moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad ».

B.6.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 9 juli 2004 blijkt dat de wetgever aldus de familiale zorg heeft willen aanmoedigen door de bloed- en aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad uit te sluiten van het begrip « huishouden » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/001 en 51-1139/001, p. 92). In de memorie van toelichting wordt dienaangaande vermeld :

« Paragraaf 3 wijzigt eerst en vooral de definitie van ' huishouden '. Een huishouden wordt voortaan gedefinieerd als een samenwoonst van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste tot en met derde graad. Dat betekent dat het uitgangspunt van de Wet 2002 blijft behouden in die zin dat de aard van de samenwoonst (met iemand van het andere geslacht, of niet) niet langer een bepalende factor is, hetgeen een aantal discriminaties wegwerkt. Anderzijds wordt de definitie van de Wet 2002 wel beperkt tot een samenwoonst van twee personen, terwijl het in de Wet 2002 kon gaan over een onbeperkt aantal samenwonende personen die allemaal samen als ' huishouden' werden aanzien.

Pro memorie. De gewijzigde wet definieerde een huishouden als elke samenwoonst waarbinnen mensen de kosten van het dagelijks onderhoud hoofdzakelijk gemeenschappelijk dragen, en dit ongeacht het aantal leden. Dat was een te verdedigen optie, omdat de wetgever zich niet hoefde in te laten met de aard van de samenlevingswijze van de betrokkenen : enkel het objectieve gegeven van hun samenwonen leek relevant, waarbij het verkiesbaar leek, gezien het om een bijstandsstelsel ging, dit samenwonen vooral te beschouwen als een kostendelende gemeenschap.

Bovendien stelden de uitvoeringsbesluiten dat de inkomsten van alle leden van het huishouden in aanmerking zouden worden genomen bij de berekening van de tegemoetkoming voor één van hen (zij het dat er zeer belangrijke uitzonderingen op deze regel werden behouden, inzonderheid wat de inkomsten van de inwonende bloed- of aanverwanten tot en met de 3e graad betreft). Ook dat was verdedigbaar, omdat zij, gezien de definitie van ' huishouden ' in de wet, samen bijdroegen tot de middelen van het huishouden en dus ook samen mee de draagkracht van dit huishouden bepaalden, hetgeen een belangrijk gegeven is in een bijstandsstelsel.

Het gevolg hiervan was echter dat het voor een aantal personen gewoonweg onmogelijk werd om nog een tegemoetkoming te genieten, terwijl het helemaal niet in de bedoeling lag om hen hiervan uit te sluiten. Neem het geval van een bejaarde persoon met een handicap. Op een gegeven moment wordt het onmogelijk om nog zelfstandig te leven en de dochter besluit de bejaarde ouder bij haar thuis op te nemen en te verzorgen. De dochter heeft echter een partner met wie ze niet gehuwd is. De inkomsten van die partner worden nu volledig aangerekend op de tegemoetkoming van de ouder, met als gevolg dat de tegemoetkoming wegvalt. De familiale zorg wordt zo maximaal ontmoedigd, want de betrokken persoon met een handicap lijkt aldus ' beloond ' te worden wanneer hij kiest voor een opname in een instelling, wat voor hem financieel voordeliger zou zijn, terwijl hij ten laste zou vallen van de overheid.

Dergelijke gevolgen waren duidelijk niet gewild door de Wet 2002. De nu voorliggende wijziging lost deze problemen op zonder opnieuw discriminaties in te voeren » (ibid., pp. 91-92).

B.7.1. De regeling in verband met de tegemoetkomingen aan personen met een handicap vormt een bijzonder stelsel van maatschappelijke dienstverlening. In tegenstelling tot het traditionele stelsel van de sociale zekerheid, dat de betaling van bijdragen inhoudt, wordt dit bijzonder stelsel volledig gefinancierd door de algemene inkomsten van de Staat en wil het een door de wet bepaald inkomen verschaffen aan diegenen die niet over voldoende andere bestaansmiddelen beschikken.

B.7.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 februari 1987 blijkt dat de wetgever de drie in die wet bedoelde tegemoetkomingen enkel heeft willen toekennen aan de personen met een handicap wier inkomen een bepaald plafond niet overschrijdt. Aangezien die tegemoetkomingen uitsluitend worden gefinancierd met overheidsgeld, bestond het door de wetgever nagestreefde doel erin ze toe te kennen aan de minstbedeelden (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/1, pp. 2 en 6).

B.7.3. Bij zijn arrest nr. 65/2000 van 30 mei 2000 heeft het Hof op grond daarvan geoordeeld dat de wetgever redelijkerwijze vermocht te oordelen dat hij, om budgettaire redenen, voor de berekening van het bedrag van de tegemoetkomingen die moeten worden toegekend aan een persoon met een handicap die gehuwd is of een huishouden vormt, rekening zou houden met het beroepsinkomen van diens echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt.

B.7.4. Bij zijn arrest nr. 170/2011 van 10 november 2011 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen personen met een handicap die samenleven met een persoon die inkomsten heeft, naargelang zij al dan niet een huishouden vormen in de zin van de voormelde bepaling.

B.8. Te dezen dient het Hof te onderzoeken of het voorgaande ook geldt wanneer het inkomen van de persoon met wie de persoon met een handicap samenwoont, het leefloon is, en dit gelet op het feit dat, om de reden vermeld in B.4.3, met het leefloon geen rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van de inkomensvervangende tegemoetkoming van een persoon met een handicap.

B.9.1. Door het de Koning mogelijk te maken de personen met een handicap verschillend te behandelen naargelang zij samenwonen met, enerzijds, een bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad of, anderzijds, een derde, heeft de wetgever een maatregel genomen die in beginsel redelijk verantwoord is, rekening houdend met het doel van solidariteit dat hij nastreeft in een bijzonder stelsel van maatschappelijke dienstverlening en rekening houdend met zijn bekommernis om de familiale zorg voor de persoon met een handicap aan te moedigen.

B.9.2. Het Hof moet nog nagaan of die maatregel geen onevenredige gevolgen heeft in het geval dat aan het Hof is voorgelegd, zoals het in B.2.2 is gepreciseerd.

B.9.3. Uit de in B.6.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever, door in artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 de bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad uit te sluiten van het begrip « huishouden », de familiale solidariteit heeft willen aanmoedigen en beoogt te vermijden dat personen met een handicap die samenwonen met een bloed- of een aanverwant in de eerste, tweede of derde graad geen enkele tegemoetkoming zouden genieten vanwege het feit dat het familielid over inkomsten zou beschikken. Vermits, ten gevolge van de in het geding zijnde bepaling, personen met een handicap die samenwonen met een bloed- of een aanverwant tot in de derde graad geen huishouden vormen, behoren zij tot de in artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 omschreven categorie A en ontvangen zij het in artikel 6 van de wet van 27 februari 1987 bepaalde basisbedrag, ongeacht het inkomen van de bloed- of aanverwant met wie ze samenwonen. Bovendien, aangezien de persoon met een handicap, in de zin van de wetgeving betreffende het leefloon, geen huishouden vormt met de bloed- of aanverwant tot in de derde graad, kunnen de tegemoetkomingen van de persoon met een handicap niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het leefloon van die bloed- of aanverwant, dat hierdoor niet kan worden verminderd. Uit de combinatie van beide wetgevingen blijkt dat de wetgever een maatregel heeft genomen die, rekening houdend met het nagestreefde doel, redelijk is verantwoord.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Tegemoetkomingen aan personen met een handicap

  • Bepalen van de categorie van gerechtigden

  • 1. Personen met een handicap die samenwonen met een bloed- of aanverwant tot in de derde graad

  • Bloedverwant in de tweede graad die het leefloon geniet

  • 2. Personen met een handicap die een huishouden vormen met een derde.