- Arrest van 9 augustus 2012

09/08/2012 - 102/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 34, laatste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals aangevuld bij de wet van 13 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 7 september 2011 in zake Carla Forner tegen het Fonds voor de beroepsziekten, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 september 2011, heeft de Arbeidsrechtbank te Hasselt de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 34, laatste lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van de beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre het de slachtoffers van een beroepsziekte uit de privé-sector, wier vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ingevolge beroepsziekte nooit langer kan terugwerken dan driehonderd vijfenzestig dagen voor de datum van indienen van de aanvraag, en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking slechts geldt voor zover zij ingevolge hun statuut of arbeidsovereenkomst geen beroep kunnen doen op enige andere gunstigere bepaling of maatregel, verschillend behandelt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De Arbeidsrechtbank te Hasselt vraagt naar de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 34, laatste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970.

De in het geding zijnde bepaling, zoals ingevoegd bij artikel 25 van de wet van 13 juli 2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling, luidt :

« De vergoeding, toegekend omwille van volledige of gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid kan ten vroegste 365 dagen voor de datum van de aanvraag ingaan ».

B.2. De vraag is of het discriminerend is dat krachtens de in het geding zijnde bepaling de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens een beroepsziekte tot 365 dagen wordt beperkt ten aanzien van slachtoffers die in de privésector werkzaam zijn, terwijl die beperking niet als zodanig bestaat voor slachtoffers die in de overheidssector werkzaam zijn.

B.3. De wetgever verantwoordde de beperking van de terugwerkende kracht van de schadeloosstelling door de bekommernis om de preventieve actie, zoals die in de wet van 24 december 1963 werd vastgelegd, te versterken, aangezien vastgesteld werd dat heel wat slachtoffers van beroepsziekten wachtten tot zij zwaar waren aangetast vooraleer zij een aanvraag bij het Fonds voor de beroepsziekten (hierna : FBZ) indienden. Dat Fonds ondervond dan ook moeilijkheden om bepaalde maatregelen van preventieve aard aan te wenden. Het financieel beleid van het Fonds werd bovendien ten zeerste bemoeilijkt door de onmogelijkheid om een ernstige begroting op te maken omdat men niet de omvang en de aard van de bestaande schade kon ramen (Parl. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 83/1, p. 3).

Die verantwoording had inzonderheid betrekking op de beperking in de tijd van de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid tot 120 dagen vóór de datum van de aanvraag overeenkomstig artikel 35, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970.

Van die bepaling heeft het Hof bij zijn arrest nr. 25/2007 van 30 januari 2007 geoordeeld dat zij in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorschrijft dat de vergoeding niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag.

B.4. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 13 juli 2006 is wat de thans in het geding zijnde bepaling gesteld :

« Heden is reeds voorzien in bepaalde regels m.b.t. de terugwerkende kracht van de vergoeding :

- voor blijvende ongeschiktheid : maximum 120 dagen voor de datum van de aanvraag (artikel 35, 2e lid);

- voor tijdelijke verwijdering : maximum 365 dagen voor de datum van de aanvraag (artikel 37, § 2).

Het voorstel bestaat erin om de bestaande regel voor tijdelijke verwijdering te veralgemenen tot alle gevallen van tijdelijke ongeschiktheid, waarbij in artikel 37, § 2, kan worden volstaan met een verwijzing naar de algemene bepalingen van tijdelijke ongeschiktheid » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1334/001, p. 18).

Hieruit blijkt dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling beoogde de terugwerking in de tijd van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekten uit te breiden tot een termijn van 365 dagen vóór de aanvraag.

De Ministerraad benadrukt dat de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten zowel de preventie van beroepsziekten als de vergoeding ervan beogen, dat de nood aan preventie ook is ingegeven door internationaalrechtelijke akkoorden, inzonderheid het Verdrag nr. 121 van de Internationale Arbeidsorganisatie, en dat een evenwicht is nagestreefd tussen, enerzijds, de preventie, waarbij het slachtoffer wordt aangezet om zijn gezondheid op te volgen en een mogelijke beroepsziekte te laten detecteren, en, anderzijds, de schadeloosstelling, dankzij een relatief lange terugwerkende kracht bij het verlenen van de prestaties.

B.5.1. Krachtens artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, genieten de leden van het overheidspersoneel op wie die wet van toepassing is « het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld », dus naar het voorbeeld van de privésector, evenwel « onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling ».

Krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector behoudt « het personeelslid op wie dit besluit toepasselijk is, [...] tijdens de periode van tijdelijke ongeschiktheid de bezoldiging verschuldigd op grond van zijn arbeidsovereenkomst of zijn wettelijk of reglementair statuut ».

Artikel 9 van dat koninklijk besluit bepaalt :

« De aangifte van de ziekte wordt gedaan door de getroffene, zijn rechtverkrijgenden, zijn chef of enig ander belanghebbende. Deze schriftelijke aangifte wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan de in artikel 8 bedoelde dienst samen met een met redenen omkleed geneeskundig rapport. Een exemplaar daarvan wordt door voormelde dienst binnen 48 uren naar de geneeskundige dienst doorgezonden.

[...] ».

Voor een groot deel van het overheidspersoneel worden de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekten verleend met terugwerkende kracht, zonder beperking in de tijd.

B.5.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet van 3 juli 1967 werd aangenomen om personeelsleden in overheidsdienst « te verzekeren tegen de gevolgen van de ongevallen op de weg of de plaats van het werk en de beroepsziekten ». « Het nagestreefde doel bestaat erin hun een stelsel te bezorgen dat kan vergeleken worden met het stelsel dat reeds toegepast wordt in de privé-sector ». Nochtans « oordeelde [de Regering] het noch mogelijk noch wenselijk de personeelsleden van de overheidsdiensten te onderwerpen aan dezelfde bepalingen als de arbeiders en de bedienden uit de privé-sector. Het statuut der ambtenaren bevat particulariteiten waarmee rekening dient te worden gehouden en die in zekere gevallen, het aanvaarden van eigen regelen rechtvaardigen » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3 en 4; in dezelfde zin : Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, pp. 2-3). Ook al is er « van een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector [...] dus geenszins sprake » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 2), toch moet worden opgemerkt dat wat betreft de definiëring van de begrippen arbeidsongeval, ongeval op de weg naar en van het werk en beroepsziekte, het « parallellisme met de privé-sector [...] daarbij volledig [wordt] doorgetrokken » (ibid., p. 5).

B.6.1. Aangezien het door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoord is dat zij aan verschillende systemen zijn onderworpen, kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt.

B.6.2. De eigen logica van de twee systemen verantwoordt dat er verschillen bestaan, meer bepaald wat de procedureregels, het niveau en de wijze van vergoeding betreft. Het behoort, mits het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht wordt genomen, tot de bevoegdheid van de wetgever te oordelen of een grotere gelijkschakeling al dan niet wenselijk is en in voorkomend geval te bepalen op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere uniformiteit tussen beide regelgevingen.

B.7. Vanwege de ontwikkeling die de sector van de beroepsziekten heeft gekend, vermocht de wetgever maatregelen te nemen die de uitgaven ten laste van het Fonds voor de Beroepsziekten beperken, die dat Fonds in staat stellen prognoses te maken en die preventieve maatregelen bevorderen door de zieke ertoe aan te zetten zijn ziekte aan te geven zodra de eerste symptomen opduiken.

Naarmate de tijd verstrijkt, wordt het moeilijker uit te maken vanaf welk tijdstip de arbeidsongeschiktheid is gerelateerd aan een beroepsziekte. Bovendien zijn er bij beroepsziekten meer mogelijkheden om preventieve maatregelen te nemen en inzonderheid te beletten dat de schade voortduurt of verergert.

Die elementen kunnen verantwoorden dat de wetgever de terugwerking in de tijd van de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid beperkt tot een redelijke termijn. Dat geldt des te meer voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid die aan een blijvende arbeidsongeschiktheid kan voorafgaan en waarvoor het des te belangrijker is dat de aanvraag tijdig geschiedt om zo mogelijk nog preventieve maatregelen te kunnen nemen en de schade te beperken.

B.8. Het is niet kennelijk onredelijk dat een gunstigere regeling van toepassing is op een groot deel van het overheidspersoneel in zoverre het, in tegenstelling tot de privésector, de overheid zelf is die de financiële gevolgen moet dragen van een afwezigheid wegens ziekte van een personeelslid, ongeacht of diens arbeidsongeschiktheid door een beroepsziekte is gewettigd. Het gaat er anders aan toe in de privésector, waar de arbeidsongeschiktheid financieel ten laste wordt genomen door nu eens de werkgever, dan weer de verzekeringsinstelling, of nog het Fonds voor de beroepsziekten, naar gelang van de duur en de kwalificatie van de arbeidsongeschiktheid.

Rekening houdend met de gevolgen ervan voor het bepalen van de identiteit van de schuldenaar van de aan de werknemer verschuldigde bedragen, is het vaststellen van het aanvangspunt van de arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekte, in de privésector, dus van fundamenteler belang dan in de openbare sector. Bijgevolg kan worden verantwoord, gelet op de in B.7 uiteengezette doelstellingen, dat de wetgever de terugwerkende kracht van de aanvraag tot tegemoetkoming van het Fonds voor de beroepsziekten tot één jaar beperkt in de privésector.

B.9. Rekening houdend zowel met de wenselijkheid om op basis van de voormelde elementen een grens te trekken voor de terugwerking van de vergoedingen als met de keuze van de wetgever om, wat de tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekten betreft, de termijn voor terugwerking voor de vergoedingen te brengen van 120 naar 365 dagen vóór de aanvraag, kan die maatregel niet als onevenredig worden beschouwd, ook al bestaat geen dergelijke beperking voor de meeste personeelsleden in de overheidssector, waar elke afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid meteen ter kennis komt van de overheid als werkgever en de wedde doorgaans wordt doorbetaald, behoudens indisponibiliteitstelling.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 34, laatste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals aangevuld bij de wet van 13 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 34, laatste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Beroepsziekten

  • Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

  • 1. Privé-sector

  • Beperking van de terugwerkende kracht van de schadeloosstelling

  • 2. Openbare sector

  • Ontstentenis van beperking.