- Arrest van 9 augustus 2012

09/08/2012 - 104/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 52, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op schulden ontstaan vóór 17 oktober 1995, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 4 oktober 2011 in zake Patrick Staelraeve en Emilienne Van Haecke tegen de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 oktober 2011, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 52, 11° WIB 92, zoals van toepassing op schulden ontstaan vóór 17 oktober 1995, en dat bepaalt dat ' inzonderheid als beroepskost worden aangemerkt (...) de door de bestuurders en werkende vennoten werkelijk betaalde interest van schulden aangegaan bij derden voor het inschrijven op, of het verkrijgen van aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen waarvan zij in het belastbare tijdperk periodiek bezoldigingen ontvangen (...) ', de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de bestuurders/werkende vennoten die wegens de faillietverklaring van de vennootschap hun periodieke bezoldigingen zien stopgezet, geen recht meer hebben op bedoelde interestaftrek ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 52, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992).

In de redactie zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt de in het geding zijnde bepaling :

« Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 53 tot 66 worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt :

[...]

11° de door bestuurders en werkende vennoten werkelijk betaalde interest van schulden aangegaan bij derden voor het inschrijven op, of het verkrijgen van aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen waarvan zij in het belastbare tijdperk periodiek bezoldigingen ontvangen; [...] ».

B.1.2. Volgens de verwijzende rechter voorziet artikel 52, 11°, in bijkomende voorwaarden, wat de aftrekbaarheid van de daarin bedoelde interesten betreft, ten opzichte van de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden, geformuleerd in artikel 49 van het WIB 1992, dat bepaalt :

« Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

B.2.1. Volgens de Ministerraad zou de prejudiciële vraag niet ontvankelijk zijn, omdat zij in werkelijkheid betrekking zou hebben op de opportuniteit van de in het geding zijnde maatregel.

B.2.2. De prejudiciële vraag heeft geen betrekking op de opportuniteit van de in het geding zijnde maatregel, maar op de bestaanbaarheid ervan met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.3. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, in zoverre de bestuurders en de werkende vennoten die wegens de faillietverklaring van de vennootschap geen periodieke bezoldigingen in het belastbare tijdperk meer ontvangen, de interesten van de schulden, aangegaan voor het inschrijven op, of het verkrijgen van aandelen in de vennootschap waarvan zij vóór het faillissement periodieke bezoldigingen ontvingen, niet meer als beroepskosten kunnen aftrekken.

B.4.1. De aftrekbaarheid, als beroepskosten, van interesten van bepaalde schulden werd oorspronkelijk geregeld door artikel 26 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de mogelijkheid om interesten van schulden op roerende inkomsten af te trekken, werd opgeheven om misbruiken van de belastingplichtigen te voorkomen. « Om de economische activiteit niet te hinderen » werd evenwel voorzien in de aftrekbaarheid, als beroepskosten, « van de interesten van schulden aangegaan om een Belgische vennootschap op te richten, om haar kapitaal te verhogen of om ze over te nemen bij wijze van het verwerven van de aandelen of deelbewijzen van die vennootschap », op voorwaarde dat « de betrokkenen een activiteit uitoefenen die met een bezoldiging vergoed wordt » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 440-1, p. 22).

B.4.2. Bij artikel 26 van de wet van 20 juli 1990 houdende economische en fiscale bepalingen werd aan de vroegere regeling de voorwaarde toegevoegd dat in het belastbare tijdperk door de betrokken belastingplichtige periodieke bezoldigingen werden ontvangen.

De doelstelling van de wetgever werd in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht :

« Het blijkt [...] dat de huidige tekst, benevens een aantal leemten die in een zekere mate de strijd tegen de misbruiken denkbeeldig maken, ook onnauwkeurigheden bevat die van aard zijn om, zowel voor de belastingplichtige als voor de Administratie, een klimaat van rechtsonzekerheid te scheppen » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1218/1, p. 14).

Wat de periodiciteit van de bezoldigingen betreft, vermeldt de memorie van toelichting :

« Overigens voert artikel 305 van de wet van 22 december 1989 een vereiste in van periodiciteit voor de betaling van de bezoldigingen die de belastingplichtige ontvangt van de vennootschap waarvan hij effecten bezit en waarin hij bestuurder of vennoot is.

De huidige wijzigingen geven de gelegenheid om te verduidelijken wat onder ' periodiciteit ' moet worden verstaan; dit beduidt minstens één maal per jaar, rekening houdend met het jaarlijks karakter van de belasting en met het artikel 44 [thans artikel 49] van het WIB.

Er wordt benadrukt dat de bezoldigingen die jaarlijks worden betaald in een normale verhouding moeten staan met de omvang van de geleende sommen » (ibid.).

B.5. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever te beslissen onder welke voorwaarden de interesten van bepaalde schulden al dan niet als beroepskosten aftrekbaar zijn.

B.6. Luidens artikel 49 van het WIB 1992 worden als beroepskosten aangemerkt « de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden ».

Die bepaling, waarin de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden worden geformuleerd, laat in beginsel niet toe kosten af te trekken die niet aan werkelijke prestaties beantwoorden.

Volgens het in het geding zijnde artikel 52, 11°, van hetzelfde Wetboek worden als beroepskosten aangemerkt « de door bestuurders en werkende vennoten werkelijk betaalde interest van schulden aangegaan bij derden voor het inschrijven op, of het verkrijgen van aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen waarvan zij in het belastbare tijdperk periodiek bezoldigingen ontvangen ».

B.7. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde maatregel werd aangenomen om misbruiken van de belastingplichtigen tegen te gaan. Om dat doel te bereiken, wordt in een periodiciteit van de bezoldigingen, in het belastbare tijdperk, voorzien. Aldus kan worden vermeden dat de interesten van de aangegane schulden als beroepskosten zouden kunnen worden afgetrokken voor meerdere belastbare tijdperken, zelfs in het geval bijvoorbeeld dat de vennootschap slechts eenmalig een beperkt bedrag aan bezoldiging aan de betrokken belastingplichtige zou hebben toegekend.

B.8. Het feit dat in het geval van omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige, zoals een faillissement van een vennootschap, niet langer bezoldigingen aan de betrokken belastingplichtige worden uitbetaald, zodat niet meer aan de voorwaarde van de periodiciteit is voldaan, ontkracht het verantwoorde karakter van de in het geding zijnde maatregel niet.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 52, 11°, van het WIB 1992 niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 52, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op schulden ontstaan vóór 17 oktober 1995, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 52, 11°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op schulden ontstaan vóór 17 oktober 1995, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Personenbelasting

  • Aftrek als beroepskosten

  • Door bestuurders en werkende vennoten werkelijk betaalde interest van schulden aangegaan bij derden voor het inschrijven op, of het verkrijgen van aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen waarvan zij in het belastbare tijdperk periodiek bezoldigingen ontvangen

  • Voorwaarde van periodiciteit van de bezoldigingen

  • Faillissement van de vennootschap.