- Arrest van 9 augustus 2012

09/08/2012 - 106/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 mei 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 mei 2012, heeft Aku Ekpe, wonende te 4020 Luik, rue Fisen 18, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 6 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2012, tweede editie).

Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepaling.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1.1. De vordering tot schorsing heeft betrekking op artikel 6 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers, dat bepaalt :

« In artikel 6, § 1, van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 30 december 2009 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in het eerste lid worden de woorden ', tweede lid, ' vervangen door de woorden ' en artikel 35/2 ';

b) in hetzelfde lid worden alle woorden volgend op de woorden ' de hele asielprocedure ' opgeheven;

c) het tweede lid wordt opgeheven;

d) het derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt :

' In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is. ' ».

B.1.2. Vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling luidde artikel 6, § 1, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen :

« Onverminderd de toepassing van artikel 4, tweede lid, van de huidige wet, geldt het voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure, met inbegrip van de beroepsprocedure, ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het recht op materiële hulp is eveneens van kracht tijdens de procedure van het administratieve cassatieberoep bij de Raad van State op grond van artikel 20, § 2, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Het recht op materiële hulp blijft behouden gedurende de termijnen voor het instellen van de in voorgaande lid bedoelde beroepsprocedures.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp :

1° na een termijn van vijf dagen die volgt op de datum waarop een beslissing van een van de organen, bedoeld in het eerste lid, definitief wordt en niet vatbaar voor beroep, als op dat moment de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is;

2° de dag volgend op de dag waarop de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstrijkt als op de datum waarop een beslissing van de organen bedoeld in het eerste lid definitief wordt en niet vatbaar voor beroep, de uitvoeringstermijn om het grondgebied te verlaten nog niet verstreken is maar ten vroegste na een termijn van vijf dagen te rekenen vanaf de bovengenoemde beslissing.

Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

B.1.3. Als gevolg van de wijziging ervan bij de bestreden bepaling en vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 april 2012, luidde artikel 6, § 1, van de wet van 12 januari 2007 als volgt :

« Onverminderd de toepassing van artikel 4 en artikel 35/2 van de huidige wet, geldt het voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is.

Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

Ten aanzien van de vordering tot schorsing

B.2. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.

Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel

B.3. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen.

B.4. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doet de verzoekende partij gelden dat de norm waarvan zij de schorsing vordert, tot gevolg heeft dat haar de middelen worden ontzegd om een menswaardig leven te leiden, aangezien haar het bestaansminimum wordt ontnomen. Zij voert aan dat de schorsing van de bestreden bepaling haar zal toelaten dat bestaansminimum opnieuw te genieten en haar lopende rechtspleging bij de Raad van State op doeltreffende wijze voort te zetten. Zij voegt eraan toe dat het verzoek aan de arbeidsrechtbank waar de zaak aanhangig is gemaakt, om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, niet binnen een redelijke en nuttige termijn een einde zou kunnen maken aan het nadeel dat zij lijdt. Zij preciseert dat, « indien de norm niet wordt geschorst vóór de terechtzitting tot heropening van de debatten van 5 september 2012, of kort erna, de rechtbank ertoe gehouden zal zijn de wet toe te passen en het beroep te verwerpen dat zij bij die rechtbank aanhangig heeft gemaakt ».

B.5. Als asielzoekster heeft de verzoekende partij eerst materiële hulp in het opvangcentrum (FEDASIL) genoten; uit het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Luik van 2 mei 2012, gevoegd als bijlage bij het verzoekschrift, blijkt dat, op 19 augustus 2011, de « code 207 » die de verzoekende partij ertoe verplicht te verblijven in een centrum van FEDASIL, is geschrapt. Sindsdien heeft zij maatschappelijke dienstverlening aangevraagd bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op basis van artikel 8 van de wet van 12 januari 2007 en artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Die dienstverlening is haar aanvankelijk toegekend, maar is op 10 januari 2012 stopgezet door het OCMW.

B.6. Uit het voormelde vonnis blijkt eveneens dat de verzoekende partij voor de Arbeidsrechtbank te Luik de « beslissing van het OCMW van Luik van 10 januari 2012 die haar met ingang van 1 december 2011 elke hulp ontneemt omdat haar een bevel tot het verlaten van het grondgebied werd betekend » betwist.

B.7. De bepaling waarvan de schorsing wordt gevorderd, is in werking getreden op 31 maart 2012 en heeft geen terugwerkende kracht. Zij kan geen gevolgen hebben voor de beoordeling door de Arbeidsrechtbank van Luik van de wettigheid van een beslissing die dateert van vóór die datum.

B.8. Hieruit vloeit voort dat een schorsing van de bestreden bepaling niet zou kunnen voorkomen dat de onmiddellijke toepassing ervan de verzoekende partij het aangevoerde nadeel berokkent.

B.9. Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde inzake het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van artikel 6 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers, ingesteld door Aku Ekpe. Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Asielzoekers

  • Recht op materiële hulp. # Schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel