- Arrest van 18 oktober 2012

18/10/2012 - 119/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

het Hof,

alvorens ten gronde uitspraak te doen, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag : Dient het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in artikel 6, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 15 en 16 van het voormelde Handvest en met de artikelen 34 tot 36, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een regeling zoals neergelegd in de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening, doordat de daarin opgenomen verplichting tot het voeren van een wekelijkse sluitingsdag :

(i) niet van toepassing is op handelaren die gevestigd zijn in treinstations of in vestigingseenheden van maatschappijen voor openbaar vervoer, evenmin voor verkopen in luchthavens en havenzones die openstaan voor het internationaal reizigersverkeer en ook niet voor verkopen in tankstations of vestigingseenheden gelegen op het domein van autosnelwegen, doch wel op handelaren die op andere locaties zijn gevestigd,

(ii) niet van toepassing is op handelaren die actief zijn in de verkoop van producten zoals kranten, tijdschriften, tabak en rookwaren, telefoonkaarten en producten van de Nationale Loterij, de verkoop van dragers van audiovisuele werken en videospelen, de verkoop van consumptie-ijs, doch wel op de handelaren die andere producten aanbieden,

(iii) enkel van toepassing is op de kleinhandel, te weten de ondernemingen die zich richten op verkopen aan de consument, terwijl ze niet van toepassing is op andere handelaren,

(iv) minstens een aanzienlijk grotere beperking met zich meebrengt voor de handelaren die hun activiteit voeren door middel van een fysiek verkooppunt, met rechtstreeks contact met de consument, dan voor de handelaren die hun activiteit voeren via een internetwinkel of mogelijk via andere manieren van verkoop op afstand ?


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 27 oktober 2011 in zake de nv « Pelckmans Turnhout » tegen de nv « Walter Van Gastel Balen » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 november 2011, heeft de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, zitting houdende zoals in kort geding, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening de grondwettelijke gelijkheids- en non-discriminatiebeginselen vervat in artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, zoals die werd ingesteld bij artikel 7 van het zogenaamde Decreet D'Allarde van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van de gilden, doordat de daarin opgenomen verplichting tot het voeren van een wekelijkse sluitingsdag

(i) niet van toepassing is op handelaren die gevestigd zijn in treinstations of in vestigingseenheden van maatschappijen voor openbaar vervoer, evenmin voor verkopen in luchthavens en havenzones die openstaan voor het internationaal reizigersverkeer en ook niet voor verkopen in tankstations of vestigingseenheden gelegen op het domein van autosnelwegen, doch wel op handelaren die op andere locaties gevestigd zijn en daardoor voor de laatste categorie van handelaren een objectief niet verantwoorde beperking inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid,

(ii) niet van toepassing is op handelaren die actief zijn in de verkoop van producten zoals kranten, tijdschriften, tabak en rookwaren, telefoonkaarten en producten van de Nationale Loterij, de verkoop van dragers van audiovisuele werken en videospelen, de verkoop van consumptie-ijs, doch wel op de handelaren die andere producten aanbieden en daardoor voor de laatste categorie van handelaren een objectief niet verantwoorde beperking inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid,

(iii) enkel van toepassing is op de kleinhandel, te weten de ondernemingen die zich richten op verkopen aan de consument, terwijl deze niet van toepassing is op andere handelaren, en daarmee voor de eerste categorie van handelaren een objectief niet verantwoorde beperking inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid,

(iv) minstens een aanzienlijk grotere beperking met zich brengt voor de handelaren die hun activiteit voeren door middel van een fysiek verkooppunt, met rechtstreeks contact met de consument dan voor de handelaren die hun activiteit voeren via een internetwinkel of mogelijk via andere manieren van verkoop op afstand, en derhalve voor de eerste categorie van handelaren een objectief niet verantwoorde beperking inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De door de verwijzende rechter aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening.

Artikel 8 bepaalt :

« De toegang van de consument tot de vestigingseenheid, de rechtstreekse verkoop van producten of diensten aan de consument en de thuisleveringen worden gedurende een ononderbroken periode van vierentwintig uur, beginnend op zondag om 5 uur of om 13 uur en eindigend op de volgende dag op hetzelfde uur, verboden ».

Artikel 9 bepaalt :

« Elke handelaar of dienstverstrekker mag een andere wekelijkse rustdag kiezen dan diegene die in artikel 8 bedoeld is, beginnend op de gekozen dag om 5 uur of om 13 uur en eindigend op de volgende dag op hetzelfde uur ».

Artikel 16 bepaalt :

« § 1. Het verbod dat bedoeld is in artikel 6 en in artikel 8 is niet van toepassing op :

a) de verkopen ten huize van een andere consument dan de koper, op voorwaarde dat de verkoop plaats heeft in het bewoonde gedeelte van een woning dat uitsluitend voor privé-doeleinden gebruikt wordt;

b) de verkopen aan huis op uitnodiging van de consument waarvoor deze het bezoek van de verkoper voorafgaandelijk en uitdrukkelijk gevraagd heeft, met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat product of die dienst;

c) de verkopen en de dienstverstrekkingen in de vestigingseenheden van maatschappijen voor openbaar vervoer en in de rechtstreeks of onrechtstreeks door de NMBS-Holding of haar filialen geëxploiteerde stations, evenals in het geheel van de onroerende goederen waar die stations gelegen zijn;

d) de verkopen en dienstverstrekkingen in de luchthavens en havenzones die openstaan voor het internationale reizigersverkeer;

e) de dienstverstrekkingen die uitgevoerd dienen te worden bij dringende noodzakelijkheid;

f) de verkopen in tankstations of vestigingseenheden gelegen op het domein van autosnelwegen, van een assortiment algemene voedingswaren en huishoudelijke artikelen, uitgezonderd gedistilleerde alcoholhoudende dranken en gisthoudende dranken, met een alcoholvolume van meer dan 6 %, op voorwaarde dat de netto verkoopoppervlakte niet groter is dan 250 m2.

Het door de consument gegeven akkoord met een door de verkoper telefonisch voorgesteld bezoekaanbod vormt geen uitnodiging zoals bedoeld in punt b).

§ 2. Het verbod is evenmin van toepassing op de vestigingseenheden waarvan de hoofdactiviteit de verkoop van één van de volgende productgroepen uitmaakt :

a) kranten, tijdschriften, tabak en rookwaren, telefoonkaarten en producten van de Nationale Loterij;

b) dragers van audiovisuele werken en videospelen, alsook de verhuur ervan;

c) brandstof en olie voor autovoertuigen;

d) consumptie-ijs in individuele porties;

e) voedingswaren die in de vestigingseenheid worden bereid en er niet worden verbruikt.

Er is sprake van een hoofdactiviteit indien de verkoop van de productgroep die de hoofdactiviteit uitmaakt, minstens 50 % van het jaarlijkse zakencijfer vertegenwoordigt.

§ 3. Op voorstel van de minister, kan de Koning de lijst met de sectoren van de handel en de ambacht in § 1 en de lijst met hoofdactiviteiten in § 2 aanvullen ».

Artikel 17 bepaalt :

« Het verbod bedoeld in artikel 6 a) en b) en in artikel 8 is niet van toepassing in de badplaatsen en gemeenten of delen van de gemeenten die als toeristische centra worden erkend.

De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder toeristische centra, waarvan hij de criteria en de procedure tot erkenning bepaalt ».

B.2. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid (artikel 7 van het decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791), schenden, doordat de verplichting tot het in acht nemen van een wekelijkse sluitingsdag niet van toepassing is voor bepaalde categorieën van handelaren (eerste en tweede onderdeel van de prejudiciële vraag), enkel van toepassing is op de kleinhandel (derde onderdeel) en een grotere beperking meebrengt voor handelaren die via een fysiek verkooppunt, met rechtstreeks contact met de consument, handel drijven (vierde onderdeel).

Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag betreft

B.3. De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag als onontvankelijk dient te worden afgewezen, omdat, wat het eerste en het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag betreft, de schending door de volledige artikelen 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 wordt opgeworpen, terwijl geen enkel grondwettigheidsbezwaar wordt aangevoerd ten aanzien van artikel 16, § 1, eerste lid, a), b) en e), en tweede lid, van artikel 16, § 2, eerste lid, c) en e), en tweede lid, van artikel 16, § 3, en van artikel 17, en voor wat het derde en het vierde onderdeel van de prejudiciële vraag betreft, het grondwettigheidsbezwaar betrekking heeft op het toepassingsgebied van de in het geding zijnde wet, te weten artikel 3, terwijl de vraag handelt over de artikelen 8 en 9.

B.4.1. Zoals de verwerende partijen voor de verwijzende rechter opwerpen, dient niet alleen te worden onderzocht of één bepaalde uitzondering op zichzelf al dan niet gerechtvaardigd is, maar tevens of het geheel van de uitzonderingen, die verantwoordelijk kunnen worden geacht voor de uitholling van de verplichting tot het nemen van een wekelijkse rustdag, geen onrechtvaardige behandeling teweegbrengt ten aanzien van die handelaren die zich in geen uitzonderingsgeval bevinden.

Derhalve dient het grondwettigheidsonderzoek te worden uitgebreid tot alle uitzonderingen op de verplichte wekelijkse sluitingsdag en is de prejudiciële vraag, wat het eerste en het tweede onderdeel betreft, ontvankelijk.

B.4.2. De onderdelen die betrekking hebben op de vraag naar de grondwettigheid van het opleggen van een wekelijkse sluitingsdag aan de kleinhandel, impliceren dat onderzocht wordt wat onder « kleinhandel » dient te worden begrepen. Hoewel artikel 3 van de wet van 10 november 2006 bepaalt dat de wet van toepassing is op de kleinhandel, waarbij in artikel 2, 1°, wordt gedefinieerd wat onder « kleinhandel » dient te worden verstaan, heeft de prejudiciële vraag enkel betrekking op de problematiek van de verplichte wekelijke rustdag en niet op die van de verplichte sluitingsuren, zodat het onderzoek in die mate kan worden beperkt en derhalve betrekking heeft op de in het geding zijnde artikelen.

De prejudiciële vraag is, wat het derde en het vierde onderdeel betreft, ontvankelijk.

Ten gronde

B.5.1. Zoals is vermeld in B.2, wordt het Hof ondervraagd over de mogelijke schending door de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid.

In hetzelfde vonnis heeft de verwijzende rechter, naast de vraag aan het Grondwettelijk Hof, twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie aangaande het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (eerste prejudiciële vraag) en aangaande de mogelijkheid voor de nationale wetgever om, in het licht van de Europese regelgeving, de handelaar te verplichten een wekelijkse sluitingsdag in acht te nemen (tweede prejudiciële vraag).

B.5.2. De vrijheid van handel en nijverheid is nauw verwant met de vrijheid van beroep, het recht om te werken en de vrijheid van ondernemerschap, die door de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden gewaarborgd, en met een aantal fundamentele vrijheden die verankerd zijn in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : VWEU), zoals het vrije verkeer van goederen, het vrije verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging. Het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie is tevens een basisbeginsel van de Europese Unie.

B.5.3. Voor zover de in het geding zijnde bepalingen onder de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie vallen - vraagstuk waarover het Hof van Justitie van de Europese Unie zich ook zal dienen te buigen in het kader van de prejudiciële vragen die de verwijzende rechter aan het Hof van Justitie heeft gesteld (zaak C-559/11) - heeft de door de verwijzende rechter aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag eveneens betrekking op de interpretatie van bepalingen van het recht van de Europese Unie.

B.5.4. Artikel 267 van het VWEU verleent het Hof van Justitie de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen van de Europese Unie. Volgens de derde alinea ervan is een nationale rechterlijke instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien haar beslissingen - zoals die van het Grondwettelijk Hof - volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Wanneer er, zoals te dezen, twijfel is over de interpretatie van de voor de oplossing van een voor dergelijk rechtscollege hangend geschil van belang zijnde bepalingen van het recht van de Europese Unie, dient een dergelijke rechterlijke instantie, zelfs zonder dat één van de partijen daarom gevraagd heeft, ambtshalve aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen.

B.6. Bijgevolg dient, vooraleer de in het geding zijnde bepalingen worden onderzocht, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het beschikkend gedeelte geformuleerde prejudiciële vraag te worden gesteld.

Om die redenen,

het Hof,

alvorens ten gronde uitspraak te doen, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag :

Dient het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in artikel 6, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 15 en 16 van het voormelde Handvest en met de artikelen 34 tot 36, 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een regeling zoals neergelegd in de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening, doordat de daarin opgenomen verplichting tot het voeren van een wekelijkse sluitingsdag :

(i) niet van toepassing is op handelaren die gevestigd zijn in treinstations of in vestigingseenheden van maatschappijen voor openbaar vervoer, evenmin voor verkopen in luchthavens en havenzones die openstaan voor het internationaal reizigersverkeer en ook niet voor verkopen in tankstations of vestigingseenheden gelegen op het domein van autosnelwegen, doch wel op handelaren die op andere locaties zijn gevestigd,

(ii) niet van toepassing is op handelaren die actief zijn in de verkoop van producten zoals kranten, tijdschriften, tabak en rookwaren, telefoonkaarten en producten van de Nationale Loterij, de verkoop van dragers van audiovisuele werken en videospelen, de verkoop van consumptie-ijs, doch wel op de handelaren die andere producten aanbieden,

(iii) enkel van toepassing is op de kleinhandel, te weten de ondernemingen die zich richten op verkopen aan de consument, terwijl ze niet van toepassing is op andere handelaren,

(iv) minstens een aanzienlijk grotere beperking met zich meebrengt voor de handelaren die hun activiteit voeren door middel van een fysiek verkooppunt, met rechtstreeks contact met de consument, dan voor de handelaren die hun activiteit voeren via een internetwinkel of mogelijk via andere manieren van verkoop op afstand ?

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen 8, 9, 16 en 17 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen. Handelsrecht

  • Openingsuren

  • Verplichting tot het in acht nemen van een wekelijkse sluitingsdag. Rechten en vrijheden

  • Vrijheid van handel en nijverheid.