- Arrest van 25 oktober 2012

25/10/2012 - 126/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 2 en 3bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector schenden de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 29 september 2011 in zake de nv « A.V. Gumuchdjian » en anderen tegen het Intern Compensatiefonds voor de Diamantsector en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 oktober 2011, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 3bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector, zoals ingevoerd bij de wet van 26 maart 1999 betreffende het actieplan voor de werkgelegenheid 1998, artikel 170 van de Grondwet dat bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door de wet, in zoverre artikel 3bis van de wet aan de Koning opdraagt te bepalen wat onder het begrip transactie, waarop de bijdrage geheven wordt, verstaan moet worden en aan de Koning de opdracht geeft het toepasselijk percentage van de bijdrage vast te stellen ?

2. Schenden de artikelen 2 en 3bis van de wet van 12 april 1960 tot de oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector, zoals ingevoerd bij wet van 26 maart 1999 betreffende het actieplan voor de werkgelegenheid 1998, ervan uitgaande dat de diamantsector één geheel vormt en de compensatiebijdrage als een sociale bijdrage wordt beschouwd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de daarin voorziene beginselen van gelijkheid en niet discriminatie, doordat zij enkel compensatiebijdragen toekennen aan de werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke werken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden, het verstellen en het zagen van diamant in de diamantnijverheid en niet aan de werkgevers die bedienden tewerkstellen in de diamanthandel, terwijl de gehele diamantsector gehouden is de compensatiebijdragen te betalen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. De in het geding zijnde bepalingen zijn de artikelen 2 en 3bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector (hierna : het Fonds). Artikel 2 van de wet van 12 april 1960 bepaalt :

« De opdrachten van het fonds zijn :

1° het financieren, het toekennen en het uitbetalen van bijkomende sociale voordelen aan de diamantarbeiders;

2° het financieren en het uitbetalen van interne compensatie-uitkeringen aan werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden, het verstellen en het zagen van diamant ».

B.1.2. Het bodemgeschil past in het kader van de tweede opdracht van het Fonds, die een uitvoering is van het sociaal plan van 1999. De tewerkstelling in de diamantnijverheid was sinds de jaren 1980 aanzienlijk gedaald, zodanig dat de levensvatbaarheid van die sector, die nochtans van fundamenteel belang werd geacht voor de diamanthandel en voor de Belgische economie in het algemeen, in het gedrang kwam. Na intern overleg tussen werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties en tussen organisaties van werkgevers uit de diamantnijverheid en de diamanthandel werd daarom een consensus bereikt over een nieuwe wijze van interne compensatie voor de kosten van de financiering van de sociale zekerheid. In de toekomst zou aldus de sociale zekerheid voor de werklieden en de werksters uit de diamantnijverheid, die worden tewerkgesteld voor het eigenlijke bewerken van diamant, gezamenlijk worden gefinancierd door de diamantnijveraars en door de diamanthandelaars (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/1, p. 41).

Opdat het compensatiefonds die opdracht zou kunnen vervullen, voerden de artikelen 81 tot 92 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen een bijdrageplicht in ten laste van zowel de diamanthandelaars als van de werkgevers in de diamantnijverheid. Het Fonds werd omgevormd tot een intern compensatiefonds voor de diamantsector (artikelen 81 en 82). Het betaalde interne compensatie-uitkeringen uit aan werkgevers die arbeiders tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant (artikel 83). Om het Fonds ertoe in staat te stellen die opdracht te vervullen, waren alle personen die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben, gehouden tot de betaling van een compensatiebijdrage, voor een bedrag dat maximaal gelijk was aan 0,10 pct. van de waarde van elke transactie van diamant (artikel 86).

Het Fonds wordt beheerd door een paritair samengesteld algemeen beheersorgaan en wordt bijgestaan door twee bijzondere beheerscomités (artikel 87). De inhoud van de statuten van het Fonds is bij wet bepaald (artikel 88). Op het beheer van de compensatieregeling wordt controle uitgeoefend door een regeringscommissaris (artikel 91).

B.1.3. In zijn arrest nr. 1/2001 van 10 januari 2001 heeft het Hof een beroep tot vernietiging tegen die bepalingen verworpen. Het Fonds werd echter slechts gedurende drie kwartalen operationeel, aangezien, enerzijds, de Raad van State, afdeling administratie, in zijn arrest nr. 85.871 van 13 maart 2000 het uitvoeringsbesluit van 3 juni 1999 heeft vernietigd omdat geen sprake was van dringende noodzakelijkheid, zodat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State had moeten worden ingewonnen, en, anderzijds, de Europese Commissie in een beschikking van 9 april 2002 « betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling C-74/2001 (ex NN-76/2001) en de steunregeling die België voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van de diamantsector » oordeelde dat het sociaal plan van 1999 onrechtmatige staatssteun uitmaakte. Als gevolg van die beslissingen werd het Fonds vereffend.

B.1.4. Aangezien de tewerkstelling in de diamantnijverheid nog verder daalde, werd in 2006 het overleg tussen de diamanthandel en de diamantnijverheid hervat, hetgeen resulteerde in een « protocol van akkoord met betrekking tot de invoering van een sociaal plan in de diamantsector en tot opschorting van de 1/3 pct.-regeling », dat op 29 juni 2006 werd afgesloten tussen vertegenwoordigers van de diamanthandel, de diamantnijverheid, de representatieve werknemersorganisaties van de sector en de Belgische Regering. Voortaan zou het precieze bedrag van de bijdrage jaarlijks na overleg in het bevoegde « beheerscomité 2 » worden bepaald, rekening houdend met de tijdens het vorige jaar werkelijk betaalde socialezekerheidsbijdragen, waarna het bij koninklijk besluit verbindend zou worden verklaard.

Aan dat akkoord werd gevolg gegeven door de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, die de tweede in het geding zijnde bepaling, artikel 3bis van de wet van 12 april 1960, herzag teneinde rekening te houden met de Europese regels inzake de-minimissteun (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 111; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/037, p. 25).

Die bepaling, die nog werd herzien door artikel 81 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen, luidt thans als volgt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen, die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben, zijn gehouden tot de betaling van een compensatie-bijdrage, bestemd om het Fonds toe te laten de opdracht te vervullen waarmee het door artikel 2, 2°, is belast. Het bedrag van de door deze personen verschuldigde bijdrage is maximaal gelijk aan 0,10 % van de waarde van elke transactie van diamant. De Koning bepaalt het toepasselijke percentage. Het jaarlijks totaalbedrag aan bijdragen kan evenwel het bedrag van 5 000 000 euro niet overschrijden. De Koning bepaalt eveneens het bedrag van de transacties dat niet aan de bijdrage is onderworpen. Dit bedrag is gelijk voor alle ondernemingen maar kan niet hoger zijn dan 5 000 000 euro per onderneming over een periode van één jaar.

De Koning bepaalt wat onder transactie moet verstaan worden en kan het bijhouden opleggen van de boeken, registers en documenten die Hij nodig acht voor de toepassing van deze wet ».

B.1.5. Ter uitvoering van die in het geding zijnde bepaling definieerde artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 21 november 1960 tot vaststelling van de statuten van het Sociaal fonds voor de diamantarbeiders, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 2007, het begrip « transactie » als volgt :

« elke overeenkomst welke gericht is op het verwezenlijken van een meerwaarde binnen het geheel van de handelingen van verkoop van diamant. Onder het begrip transactie zijn niet begrepen het eenvoudig zenden van goederen op zicht of het geven in consignatie van goederen ».

B.1.6. Het percentage van elke transactie van diamant dat ter uitvoering van artikel 3bis van de wet van 12 april 1960 werd vastgesteld, bedroeg 0,036 pct. voor het tweede, derde en vierde trimester van 2007 (koninklijk besluit van 16 maart 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 tot vaststelling van de statuten van het Sociaal fonds voor de diamantarbeiders), 0,015 pct. voor het eerste en het tweede trimester van 2008 (koninklijk besluit van 20 december 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector), 0,005 pct. voor het derde en het vierde trimester van 2008 (koninklijk besluit van 30 juni 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector), eveneens 0,005 pct. voor 2009 (koninklijk besluit van 24 december 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector) en voor het eerste, het tweede en het derde trimester van 2010 (koninklijk besluit van 22 december 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector), 0,010 pct. voor het vierde trimester van 2010 (koninklijk besluit van 28 september 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector), 0,012 pct. voor 2011 (koninklijk besluit van 29 december 2010 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector) en 0,008 pct. voor 2012 (koninklijk besluit van 21 december 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector).

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde compensatiebijdrage artikel 170 van de Grondwet schendt, doordat artikel 3bis van de wet van 12 april 1960 aan de Koning opdraagt de grondslag en het bedrag van de compensatiebijdrage nader te bepalen.

B.3. De artikelen 170, 172 en 173 van de Grondwet bevatten het wettigheidsbeginsel inzake belastingen en retributies. Zij zijn niet van toepassing op socialezekerheidsbijdragen. Hoewel belastingen en socialezekerheidsbijdragen door hun verplichtend karakter gemeenschappelijke kenmerken kunnen hebben, zijn zij fundamenteel verschillend : de belastingen dienen om de algemene uitgaven van openbaar nut te dekken, terwijl de socialezekerheidsbijdragen bij uitsluiting bestemd zijn voor de financiering van stelsels van tegemoetkomingen ter vervanging of aanvulling van het inkomen uit arbeid.

Het Hof dient derhalve allereerst te onderzoeken of de in het geding zijnde bijdrage als een belasting dient te worden beschouwd.

B.4. De in het geding zijnde maatregel, die geen algemene draagwijdte heeft, is een compensatiemechanisme tussen twee sectoren van de diamantsector, waarvan het onevenwicht de levensvatbaarheid van die sector in gevaar dreigde te brengen. Het gaat in wezen om een maatregel van interne compensatie voor de kosten van de financiering van de sociale zekerheid die op de diamantnijverheid drukt, door de diamanthandelaars te verplichten deel te nemen aan die financiering, om reden van de voordelen die laatstgenoemden van de diamantnijverheid genieten.

Een dergelijke compensatiemaatregel is geen belasting in de zin van artikel 170 van de Grondwet. De in artikel 3bis van de wet van 12 april 1960 bedoelde compensatiebijdragen zijn solidariteitsbijdragen die nauw aanleunen bij de socialezekerheidsbijdragen, vermits zij bij uitsluiting bestemd zijn voor het financieren en uitbetalen van interne compensatie-uitkeringen aan werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant.

Gelet op de ontstaansgeschiedenis en de doelstelling van de maatregel, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de regels voor het berekenen van de compensatiebijdragen niet worden geregeld in de wet, maar jaarlijks in overleg met de sector worden bepaald aan de hand van de behoeften van het Compensatiefonds bij het vervullen van haar taken.

B.5. Vermits de in het geding zijnde compensatiebijdragen geen belastingen zijn, is artikel 170 van de Grondwet niet van toepassing. Daaruit volgt dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.6.1. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat diamanthandelaars en diamantnijveraars onderscheiden worden behandeld, doordat beide categorieën van personen compensatiebijdragen verschuldigd zijn, maar enkel de diamantnijveraars een compensatie-uitkering kunnen verkrijgen.

Zoals de Ministerraad evenwel opmerkt, kunnen ook diamanthandelaars een compensatie-uitkering krijgen, indien zij « werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden, het verstellen en het zagen van diamant », zoals bepaald in artikel 2, 2°, van de wet van 12 april 1960.

B.6.2. Het Hof dient bijgevolg enkel te onderzoeken of het onderscheid tussen actoren in de diamantsector, naargelang zij al dan niet dergelijke arbeiders tewerkstellen, redelijkerwijze is gerechtvaardigd.

B.7.1. Het aangeklaagde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk het betalen van een bijdrage door alle personen die hoofdzakelijk of bijkomstig de diamantnijverheid en de diamanthandel als bedrijvigheid hebben en houdt redelijk verband met de in B.1.2 uiteengezette doelstelling : door zowel de diamanthandelaars als de diamantproducenten te doen bijdragen in de sociale lasten op de lonen van de diamantarbeiders, zullen de arbeidskosten voor de werkgevers worden verlicht, zodat de tewerkstelling in de sector kan toenemen en het zwartwerk kan afnemen.

B.7.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter beweren, is het in deze context niet relevant dat de compensatie-uitkeringen enkel kunnen worden uitgekeerd voor socialezekerheidsbijdragen betaald voor arbeiders, met uitsluiting van socialezekerheidsbijdragen voor bedienden. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 125/2011 van 7 juli 2011 weliswaar geoordeeld dat het onderscheid tussen het statuut van arbeiders en het statuut van bedienden, steunende op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, niet objectief en redelijk kan worden verantwoord, maar in casu is niet het onderscheid tussen beide statuten in het geding, maar slechts de compensatie-uitkering voor de werkgeversbijdragen van arbeiders respectievelijk bedienden.

B.8.1. De doelstelling om de levensvatbaarheid van de diamantnijverheid te waarborgen rechtvaardigt dat de compensatiebijdragen zowel door de diamantnijveraars als door de diamanthandelaars worden betaald, terwijl enkel diegenen die werklieden of werksters tewerkstellen voor het eigenlijke bewerken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden, het verstellen en het zagen van diamant - dit zijn in hoofdzaak, maar niet uitsluitend, diamantnijveraars die geen diamanthandelaar zijn - de compensatie-uitkeringen kunnen ontvangen.

B.8.2. Rekening houdend met het feit dat de bestreden maatregel gebaseerd is op de solidariteit tussen de diamanthandelaars en de diamantnijveraars, met als doel het behoud van de diamantnijverheid in het belang van de ganse diamantsector, is het bedrag van de heffing, zijnde maximaal 0,10 pct. van de waarde van elke transactie van diamant, niet kennelijk onredelijk.

B.8.3. Uit het voortgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 2 en 3bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector schenden de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 2 en 3bis van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector, zoals gewijzigd bij de wetten van 26 maart 1999, 27 december 2006 en 24 juli 2008, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Diamantsector

  • Compensatiefonds

  • 1. Compensatiebijdrage

  • a. Financiering van de sociale zekerheid

  • b. Solidariteitsbijdrage

  • c. Berekening van de bijdrage

  • Delegatie aan de Koning

  • d. Diamanthandelaars

  • e. Diamantnijveraars

  • 2. Compensatie-uitkering voor de werkgeversbijdragen van arbeiders tewerkgesteld voor het eigenlijke bewerken van diamant.