- Arrest van 25 oktober 2012

25/10/2012 - 127/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 4, § 3bis, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 23 december 2011 in zake de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 januari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt de bepaling van artikel 4, § 3bis van de ordonnantie [van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest] van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van de bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, B.S., 1 augustus 1992, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2007, 2008, 2009 en 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de belasting niet is verschuldigd voor de gebouwen waar regelmatig de plenaire vergaderingen van een gewestraad of een gemeenschapsraad wordt gehouden, doch wel verschuldigd is voor gebouwen waar geen dergelijke raad wordt gehouden, doch die voor de goede werking van deze raden noodzakelijk zijn ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen » vestigt een « jaarlijkse belasting geheven ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen, gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en van houders van een zakelijk recht op onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn » (artikel 2). De wijze waarop de belasting wordt berekend, is bepaald in artikel 8 van de ordonnantie.

B.2. Artikel 4, § 3bis, van de ordonnantie, zoals ingevoegd bij de ordonnantie van 3 april 2003 bepaalt :

« De belasting, bedoeld in artikel 8, is niet verschuldigd voor de gebouwen waar regelmatig de plenaire vergaderingen van het Europees parlement, een federale kamer, een gewestraad, een gemeenschapsraad, een Raad van een gemeenschapscommissie, een Provincieraad, een gemeenteraad, een raad voor Maatschappelijk Welzijn worden gehouden ».

B.3.1. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of die bepaling, doordat zij een onverantwoord verschil in behandeling zou doen ontstaan naargelang er in een gebouw van een democratisch verkozen orgaan wel of niet op regelmatige wijze plenaire vergaderingen worden gehouden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

B.3.2. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest werpt op dat de prejudiciële vraag geen verschillende categorieën van personen onderscheidt en dat de belastingplichtige van beide categorieën van gebouwen dezelfde is, zodat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden kan zijn.

B.3.3. De toetsing van een bepaling aan het gelijkheidsbeginsel veronderstelt een vergelijking, te dezen van de belastingplichtigen die de in het geding zijnde gewestbelasting verschuldigd zijn voor een gebouw van een democratisch verkozen orgaan waarin op regelmatige wijze plenaire vergaderingen worden gehouden, enerzijds, en de belastingplichtigen die dezelfde gewestbelasting verschuldigd zijn voor een gebouw van een democratisch verkozen orgaan waarin niet op regelmatige wijze plenaire vergaderingen worden gehouden, anderzijds. De vaststelling dat eenzelfde belastingplichtige tot beide categorieën kan behoren, kan die vergelijking niet in de weg staan.

B.4. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan. Zij zijn eveneens toepasselijk in fiscale aangelegenheden, wat overigens wordt bevestigd door artikel 172 van de Grondwet, dat een bijzondere toepassing inhoudt van het in artikel 10 vervatte gelijkheidsbeginsel.

B.5. Het komt de ordonnantiegever toe te bepalen welke belastingplichtigen in welke mate vrijstelling van de in het geding zijnde belasting moeten genieten. Het staat niet aan het Hof te oordelen over de opportuniteit of de wenselijkheid van die vrijstelling.

De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn.

B.6. De bij de ordonnantie van 23 juli 1992 ingevoerde gewestbelasting heeft tot doel het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest « nieuwe middelen » toe te kennen en « de financiering van het gewest [te] waarborgen. Daarbij wil [de Executieve] echter niet minder alert zijn voor het beleid inzake huisvesting » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-184/1, p. 2).

De ordonnantiegever heeft erover gewaakt dat die belasting ten laste wordt gelegd van diegenen die de diensten genieten die worden aangeboden door de Brusselse overheden, vooral in de sectoren van de netheid, de brandveiligheid en de dringende medische hulpverlening (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-183/2, p. 5; Volledig verslag, Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 16 juli 1992, nr. 26, p. 791), dit wil zeggen ten laste van diegenen die « risicoplaatsen » creëren (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-183/2, p. 49).

De eigenaars van « onroerende goederen welke een belangrijke oppervlakte innemen en die niet voor bewoning bestemd zijn » vormen een van de categorieën van belastingschuldigen die, met de betaling van die belasting, moeten bijdragen tot de financiering van het Gewest (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-184/1, p. 2). Het betreft de eigenaars van « oppervlakten die niet voor bewoning zijn bestemd [...] [die] niet [kunnen] worden beschouwd als een onmisbaar complement voor de woonfunctie » (ibid., p. 3) of « eigenaars van gebouwen die niet voor huisvesting bestemd zijn » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1991-1992, A-183/2, p. 6).

B.7.1. Bij de invoering van de in het geding zijnde vrijstellingsbepaling wordt in de memorie van toelichting allereerst de bedoeling van de gewestbelasting in herinnering gebracht :

« Het doel van deze belasting is de eigenaars van grotere kantoorgebouwen, fabrieken, ateliers, enz., te laten bijdragen tot de financiering van de algemene uitgaven van het gewest. Er werd evenwel voorzien in een aantal sociaal verantwoorde vrijstellingen op basis van de bestemming van het gebouw.

Zo worden nu reeds de gebouwen of gedeelten van gebouwen die dienen voor onderwijs en voor erediensten vrijgesteld, alsook, voor zover de activiteiten er zonder winstoogmerk worden uitgeoefend, de gebouwen die dienen voor ziekenhuizen, dispensaria, rustoorden, culturele of sportieve activiteiten, kinderopvang ... » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 2002-2003, A-404/1, p. 2).

B.7.2. Vervolgens wordt de bedoeling van de nieuwe vrijstellingsbepaling uiteengezet :

« De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wenst heden een bijkomende vrijstelling in te voeren, uitsluitend gebaseerd op de bestemming van het gebouw en aldus in de lijn liggend van de voornoemde sociale vrijstellingen; deze nieuwe vrijstelling slaat op die gebouwen waar democratisch gekozenen in plenaire vergadering zetelen om er wetgevend of verordenend werk te verrichten; in zulke gebouwen krijgen de beslissingen die een rechtstreekse uitwerking hebben op het dagelijks leven van de burger (en per definitie het algemeen belang dienen) een officieel en wettelijk karakter, waardoor zij beschouwd worden als de materiële symbolen van de rechtstaat » (ibid., p. 2).

B.7.3. De nieuwe vrijstelling heeft slechts een beperkte draagwijdte, zo blijkt ten slotte uit de volgende precisering :

« [Zij] beperkt zich tot het gebouw waar de plenaire vergadering van een democratisch verkozen parlement of raad doorgaans en op regelmatige basis wordt georganiseerd. Het gebouw waar een uitzonderlijke plenaire vergadering wordt gehouden (bijvoorbeeld wegens verbouwingswerken aan de gebruikelijke plenaire vergaderzaal) komt niet in aanmerking om te worden vrijgesteld. Tot vrijwaring van het gelijkheidsbeginsel vallen o.m. evenmin in het toepassingsgebied van deze ordonnantie, de overige gebouwen waar de administratieve diensten van de respectieve overheden zijn gehuisvest, waar enkel voorbereidende commissievergaderingen of gewone werkvergaderingen worden gehouden, waar een regering of andere uitvoerende instanties vergaderen » (ibid., p. 4).

B.8. Wanneer de ordonnantiegever een belastingvrijstelling invoert, vermag hij, teneinde de oorspronkelijke bedoeling van de belasting niet te ondergraven, die vrijstelling te beperken tot de belastbare categorieën die de bedoeling van de vrijstelling op de meest doeltreffende wijze verwezenlijken.

Rekening houdend met de centrale rol die de plenaire vergadering in een democratisch verkozen orgaan inneemt, kan het niet kennelijk onredelijk worden geacht dat de ordonnantiegever de vrijstelling van gebouwen van democratisch verkozen organen heeft beperkt tot de gebouwen waarin regelmatig de plenaire vergaderingen worden gehouden.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 4, § 3bis, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 4, § 3bis, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 « betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht

  • Gewestbelastingen

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Belasting op bebouwde eigendommen en op sommige onroerende goederen

  • Vrijstelling

  • Gebouwen van democratisch verkozen organen waarin regelmatig de plenaire vergaderingen worden gehouden.