- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - 136/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 7 december 2011 in zake Pauline Devos tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 december 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, WIB 92, in samenhang met artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing (zoals gewijzigd bij ordonnantie van 13 april 1995), - geheel of voor een deel van de aan de vrijstelling van voorheffing gestelde voorwaarden - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ten aanzien van het oogmerk van die wettelijke regeling, in zoverre zij de volle eigenaar en de vruchtgebruiker op dezelfde wijze behandelen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 257, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt :

« Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend :

[...]

4° kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing voor zover het belastbare kadastraal inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd ».

Artikel 15, § 1, van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van de onproduktiviteit, van het ontbreken van het genot van inkomsten of van het verlies ervan :

1° wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht;

2° wanneer materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, in het jaar gedurende ten minste 90 dagen buiten werking zijn gebleven;

3° wanneer een onroerend goed of materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, zijn vernield ».

B.2. Artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, bepaalt :

« In afwijking van artikel 257, 4° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest slechts een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend onder de volgende voorwaarden :

1° dat het een gebouwd onroerend goed betreft dat niet gemeubileerd is en dat in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht;

2° dat het onder 1° bedoelde gebouw hetzij ongezond maar verbeterbaar is verklaard, in de zin van artikel 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 maart 1990 betreffende de toekenning van toelagen voor de renovatie van woningen aan natuurlijke personen, hetzij door de gemeenteraad, krachtens artikel 119 van de nieuwe gemeentewet, of door de burgemeester, krachtens de artikelen 133 en 135 van dezelfde wet, ongezond maar verbeterbaar is verklaard;

3° dat het gebouw na de werkzaamheden voldoet aan de minimale bewoonbaarheidsnormen, omschreven in artikel 6 van hetzelfde besluit;

4° dat de belastingplichtige, bedoeld in artikel 251 van hetzelfde wetboek een bewoning van het gebouw bewijst gedurende een ononderbroken periode van negen jaar. De onderbrekingen van maximaal negentig dagen worden beschouwd als ononderbroken bewoning;

5° dat de belastingplichtige aan de gewestelijke directeur van de administratie van de directe belastingen, bevoegd voor de plaats waar het ongezond verklaard maar verbeterbaar gebouw is gelegen, een attest bezorgt dat al naargelang het geval door de administratie voor huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of door het gemeentebestuur is uitgereikt ».

B.3. Aan het Hof wordt de vraag gesteld of de artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, van het WIB 1992, in samenhang gelezen met het voormelde artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij de volle eigenaar en de vruchtgebruiker van een ongezond pand op gelijke wijze behandelen. Uit de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het geschil voor de verwijzende rechter en uit de motivering van het vonnis blijkt dat het Hof wordt verzocht de situatie van een vruchtgebruiker te vergelijken met die van een eigenaar die, gemakkelijker dan de eerstgenoemde, zou kunnen beantwoorden aan de voorwaarden voor een gedeeltelijke vermindering of een vrijstelling van de onroerende voorheffing, terwijl een vruchtgebruiker, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de in het geding zijnde bepalingen niet voorzien, kan worden verhinderd om die voorwaarden te vervullen.

B.4. Gebruik makend van zijn bevoegdheid om de vrijstellingen van de onroerende voorheffing te wijzigen, heeft de ordonnantiegever de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing voor een gebouwd onroerend goed dat niet is gemeubileerd aan bijkomende voorwaarden onderworpen.

Die kwijtschelding of proportionele vermindering voor panden die in de loop van het jaar gedurende minstens 90 dagen niet werden gebruikt, werd door de ordonnantiegever beschouwd als één van de factoren die de vastgoedspeculatie op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in de hand heeft gewerkt « met nefaste gevolgen voor de inwoners zoals onder andere de verhoging van de huurprijzen, de verkrotting en leegstand van de woningen » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1993-1994, A-319/1, p. 1).

Om die toestand te verhelpen, heeft de ordonnantiegever de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing beperkt tot de panden die ongezond maar verbeterbaar zijn verklaard en die na de werkzaamheden aan de minimale bewoonbaarheidsnormen voldoen.

Die beperking beoogt niet alleen de verkrotting tegen te gaan, zij wil ook « een groot aantal eigenaars ertoe aanzetten om hun gebouwen en appartementen sneller te huur te zetten ». In die zin moeten de in het geding zijnde bepalingen worden beschouwd « als een middel dat wordt uitgewerkt om een doelstelling te bereiken die bij de laatste grondwetsherziening werd ingevoerd, met name het recht op een gepaste woning » (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1993-1994, A-319/1, p. 2, en A-319/2, p. 3).

B.5. In zijn arrest nr. 187/2002 van 19 december 2002 heeft het Hof geoordeeld :

« B.8. Door de voormelde bijkomende voorwaarden worden bepaalde categorieën van eigenaars die voorheen in aanmerking kwamen voor de kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing omdat hun pand in de loop van het jaar gedurende minstens 90 dagen niet werd gebruikt, daarvan uitgesloten. Het betreft de eigenaars van gezonde woningen, de eigenaars van ongezonde woningen die hun woning niet renoveren en de eigenaars van panden die niet voor bewoning maar voor andere doeleinden zijn bestemd.

De uitsluiting van de eigenaars van gezonde leegstaande woningen is in overeenstemming met de doelstelling die erin bestaat de leegstand van woningen te bestrijden.

De uitsluiting van de eigenaars van ongezonde leegstaande woningen die hun woning niet renoveren, is in overeenstemming met de betrachting om de verkrotting van woningen tegen te gaan.

De uitsluiting van de eigenaars van panden die niet voor bewoning maar voor andere doeleinden zijn bestemd, is in overeenstemming met de bekommernis van de gewestelijke wetgever om in de eerste plaats de huisvesting in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te verbeteren.

B.9. Rekening houdend met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet voor de wetgevers, meer bepaald voor de gewestelijke wetgevers, geldt om het recht op een behoorlijke huisvesting te waarborgen, staat de beperking van de mogelijkheid tot kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing in verband met de doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel ».

B.6.1. De verplichting tot betaling van de onroerende voorheffing, die te dezen op de vruchtgebruiker weegt, volgt uit artikel 251 van het WIB 1992, dat niet het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag en volgens hetwelk het kadastraal inkomen een element is van het inkomen van de persoon die het genot heeft van een onroerend goed, ongeacht overigens diens hoedanigheid van eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker.

B.6.2. Daaruit volgt dat hetgeen het Hof heeft geoordeeld in zijn voormelde arrest nr. 187/2002, met verwijzing naar de situatie van eigenaars van onroerende goederen die in die hoedanigheid de onroerende voorheffing verschuldigd zijn, geldt voor de andere categorieën van belastingplichtigen inzake onroerende voorheffing vastgelegd in artikel 251 van het WIB 1992 en, meer bepaald, voor de personen die met betrekking tot de onroerende goederen een recht op vruchtgebruik bezitten.

B.7.1. Het verschil in behandeling tussen de eigenaar van een ongezond pand en de vruchtgebruiker van een soortgelijk pand, gaat niet terug op de in het geding zijnde bepalingen, maar op specifieke omstandigheden die te dezen te maken hebben met de persoonlijke situatie van de twee houders van het gesplitste eigendomsrecht.

B.7.2. Wanneer die omstandigheden te maken hebben met de persoonlijke relatie tussen de vruchtgebruiker en de eigenaar, regelt het Burgerlijk Wetboek de respectieve verplichtingen van de ene en de andere met betrekking tot de herstellingen aan het pand (artikelen 605 en 606 van het Burgerlijk Wetboek).

Bovendien bepaalt artikel 599 van het Burgerlijk Wetboek dat de eigenaar geen afbreuk mag doen aan de rechten van de vruchtgebruiker die, wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de langstlevende echtgenoot - zoals dat het geval is in de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak -, kan vorderen dat het vruchtgebruik wordt omgezet overeenkomstig artikel 745quater, § 1, van hetzelfde Wetboek.

B.7.3. Indien de fiscale wetgever rekening had moeten houden met de bovenvermelde omstandigheden, die het voorwerp uitmaken van een regelgeving van burgerlijk recht, dan had hij redelijkerwijs niet de in B.4 en B.5 vermelde doelstellingen kunnen bereiken.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2012, door rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaliteit

  • Inkomstenbelastingen

  • Onroerende voorheffing

  • Kwijtschelding of proportionele vermindering

  • Leegstaand onroerend goed

  • Vruchtgebruiker.