- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - 137/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 « houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999 » schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 24 januari 2012 in zake Xavier Deceuninck en Stéphanie Coquard tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 februari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Is artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 8 januari 2010, bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat het genoemde Avenant volkomen gevolg heeft, en terwijl artikel 3 van het Avenant in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is vanaf 1 januari 2009, dat wil zeggen op de belasting gevestigd vanaf het aanslagjaar 2009, dat betrekking heeft op de inkomsten van het jaar 2008 ?

Is artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 8 januari 2010, bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat het genoemde Avenant volkomen gevolg heeft, en terwijl artikel 3 van het Avenant in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is vanaf 1 januari 2009, dat wil zeggen op de belasting gevestigd vanaf het aanslagjaar 2010, dat betrekking heeft op de inkomsten van het jaar 2009 ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet van artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 « houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999 ».

Dat artikel 2 bepaalt :

« Het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999, (hierna ' het Avenant ' genoemd), zal volkomen gevolg hebben ».

De wet van 7 mei 2009 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 januari 2010.

B.2. Het Avenant waarmee de in het geding zijnde wet instemt, bevat een artikel 3 waarnaar de prejudiciële vragen verwijzen en dat bepaalt :

« In het Slotprotocol van 10 maart 1964 wordt na het punt 6 een punt 7 toegevoegd dat als volgt luidt :

' 7. Voor het vaststellen van de aanvullende belastingen die worden gevestigd door de Belgische gemeenten en agglomeraties, houdt België, niettegenstaande elke andere bepaling van de Overeenkomst en van het Aanvullend Protocol inzake grensarbeiders, rekening met de beroepsinkomsten die in België vrijgesteld zijn van belasting volgens de Overeenkomst en dit Protocol. Die aanvullende belastingen worden berekend op de belasting die verschuldigd zou zijn in België indien de desbetreffende beroepsinkomsten van Belgische oorsprong zouden zijn. Deze bepaling is van toepassing vanaf 1 januari 2009 ' ».

B.3. De verwijzende rechter is van mening dat de bewoordingen van artikel 3 van het Avenant niet duidelijk zijn en het niet mogelijk maken te bepalen of zij de inkomsten verkregen vanaf 1 januari 2009 beogen dan wel de aanvullende belastingen ingekohierd vanaf 1 januari 2009; maar op basis van de parlementaire voorbereiding van de wet houdt hij rekening met een interpretatie ervan volgens welke de nieuwe bepalingen met terugwerkende kracht van toepassing zijn op de belastingen gevestigd vanaf het aanslagjaar 2009 en, bijgevolg, op de inkomsten van het jaar 2008.

B.4.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de gelijke behandeling die de in het geding zijnde bepalingen instellen ten aanzien van de belastingplichtigen wier bedrijfsinkomsten in België van de belasting zijn vrijgesteld maar dienen om de aanvullende belastingen vast te stellen die door de gemeenten en de agglomeraties worden gevestigd, krachtens het nieuwe punt 7 van het Protocol van 10 maart 1964, toegevoegd bij artikel 3 van het Avenant waarmee de in het geding zijnde wet instemt. Door erin te voorzien dat dat punt 7 « van toepassing [is] vanaf 1 januari 2009 », zonder, onder die belastingplichtigen, onderscheid te maken tussen, enerzijds, diegenen die de beroepsinkomsten in 2008 (eerste prejudiciële vraag) of in 2009 (tweede prejudiciële vraag) hebben verkregen en, anderzijds, diegenen die dergelijke inkomsten later hebben verkregen, zouden de in het geding zijnde bepalingen - wegens, volgens de verwijzende rechter, de terugwerkende kracht ervan - de belastingplichtigen die tot de eerste van die twee categorieën behoren, de mogelijkheid ontzeggen de belastingheffing te voorzien waarvan zij het voorwerp zouden uitmaken.

B.4.2. In tegenstelling met wat de Ministerraad betoogt, maakt de motivering van de beslissing waarmee aan het Hof vragen worden gesteld, het dan ook mogelijk de categorieën van personen te identificeren die het voorwerp zouden uitmaken van een discriminerende gelijke behandeling en te bepalen waarin die zou bestaan.

B.5.1. Rekening houdend met de samenhang ervan, worden de twee prejudiciële vragen samen onderzocht.

B.5.2. Uit het verwijzingsvonnis en uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat de eisers voor de verwijzende rechter gedomicilieerd zijn in de Belgische grenszone in de zin van artikel 11, paragraaf 2, c), tweede lid, van de voormelde Overeenkomst van 10 maart 1964. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.6.1. Het Avenant waarmee de in het geding zijnde wet instemt, heeft, in essentie, ten doel de afwijkende fiscale regeling voor grensarbeiders ingesteld door de Overeenkomst van 10 maart 1964 op te heffen, krachtens welke zij belastbaar waren in hun verblijfstaat, en, in beginsel, de algemene bepalingen krachtens welke zij belastbaar zijn in de Staat waar zij hun activiteiten uitoefenen op hen toepasselijk te maken (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1143/1, pp. 2 tot 8).

B.6.2. In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde wet worden de redenen aangegeven die ten grondslag hebben gelegen aan de aanneming van de bepalingen die het mogelijk maken de in B.4 bedoelde aanvullende belastingen op te leggen aan de belastingplichtigen die in België verblijven, maar een voortaan aan de Franse belasting onderworpen beroepsactiviteit in Frankrijk uitoefenen :

« Het Avenant biedt tevens een oplossing voor de financiële problemen van heel wat Belgische gemeenten.

Reeds vele jaren moeten de gemeenten uit de grensstreek met Frankrijk immers het hoofd bieden aan belangrijke financieringsproblemen. Die problemen zijn meer bepaald te wijten aan de aanwezigheid op hun grondgebied van inwoners (bijvoorbeeld Franse ambtenaren) waarvan de beroepsinkomsten ingevolge de Overeenkomst in Frankrijk belastbaar zijn. Conform de huidige bepalingen van die Overeenkomst betalen die personen, die in België vrijgesteld zijn van de personenbelasting, evenmin gemeentelijke opcentiemen, hetgeen voor de begroting van die gemeenten een winstderving betekent die in sommige gevallen aanzienlijk kan zijn. De door het nieuwe Avenant voorziene belastingheffing in Frankrijk van ' Belgische ' grensarbeiders had nog voor grotere problemen kunnen zorgen.

Dit zal echter niet het geval zijn. Het Avenant zal België immers in de mogelijkheid stellen om gemeentelijke opcentiemen te heffen van de beroepsinkomsten van zijn inwoners - grensarbeiders of anderen - die in België belastingvrijstelling genieten op grond van de Overeenkomst en van het Avenant.

Door niet toe te staan dat personen die op 31 december 2008 hun duurzaam tehuis in België hebben nog langer het voordeel van de grensarbeidersregeling genieten, zal het Avenant ook een einde maken aan het verschijnsel van de massale fiscale emigratie naar de Franse grensstreek (2 000 belastingplichtigen per jaar), die eveneens nadelig is voor de financiën van de Belgische gemeenten » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1143/1, pp. 8 en 9; in dezelfde zin, ibid., pp. 24 en 25; nr. 4-1143/2, pp. 3 en 4).

Die bepalingen van het Avenant zijn een afspiegeling van artikel 466bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), dat luidt :

« Wanneer een rijksinwoner beroepsinkomsten uit het buitenland verkrijgt die krachtens een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting in België van personenbelasting zijn vrijgesteld, worden de in artikel 466 bedoelde aanvullende gemeentebelasting en aanvullende agglomeratiebelasting desalniettemin, voor zover de internationale overeenkomst zulks toelaat, berekend op de rijksbelasting die vastgesteld zou zijn indien de beroepsinkomsten in kwestie uit bronnen in België zouden zijn verkregen ».

B.6.3. In dezelfde parlementaire voorbereiding wordt voorts aangegeven dat de genoemde aanvullende belastingen zullen kunnen worden geïnd vanaf het aanslagjaar 2009, dat betrekking heeft op de inkomsten van 2008 (ibid., nr. 4-1143/1, pp. 25 en 51; nr. 4-1143/2, p. 3). Omdat de wetgever het mogelijk achtte dat de inwerkingtreding van het Avenant uitbleef (ibid., nr. 4-1143/1, p. 36) en hij zich vragen stelde over de duur van de goedkeuringsprocedure in Frankrijk (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1858/002, p. 4), heeft hij in artikel 8 van de wet, « voornamelijk » teneinde « te verzekeren dat België, mocht de inwerkingtreding van het Avenant uitblijven, vanaf aanslagjaar 2009 gemeentelijke opcentiemen kan heffen van de personenbelasting op de beroepsinkomsten van inwoners van België die op grond van de Overeenkomst en van het Avenant in België vrijgesteld zijn van belasting en belastbaar zijn in Frankrijk » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1143/1, p. 36), bepaald dat de belastingen en de aanvullende belastingen die voortvloeien uit de toepassing van het Avenant zelfs buiten de aanslagtermijnen waarin is voorzien in het WIB 1992, zouden mogen worden gevestigd.

B.7. Inzake de inkomstenbelasting ontstaat de belastingschuld definitief op de datum van afsluiting van de periode waarin de inkomsten die de belastingbasis uitmaken, verworven zijn. Bovendien is aan de personenbelasting in België onderworpen elke persoon die op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd als rijksinwoner wordt beschouwd (artikel 308 van het WIB 1992) en de aanvullende gemeentebelasting wordt geheven ten laste van de rijksinwoner die in die gemeente belastbaar is (artikel 467 van het WIB 1992).

B.8. Uit de in B.6.3 aangegeven elementen volgt dat de in het geding zijnde bepalingen, in zoverre zij van toepassing zijn op feiten, handelingen en toestanden (de inkomsten verkregen in 2008) die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat zij in werking zijn getreden (de instemmingswet werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 januari 2010), een retroactief karakter hebben.

B.9. De terugwerkende kracht van wetsbepalingen, die van die aard is dat zij rechtsonzekerheid in het leven kan roepen, kan enkel worden verantwoord op grond van bijzondere omstandigheden, inzonderheid wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

B.10.1. De terugwerkende kracht van de in het geding zijnde bepalingen kan worden verantwoord door de bekommernis om de financiering te waarborgen van de gemeenten wier diensten vroeger werden gebruikt door inwoners die er een duurzaam tehuis hadden, maar er geen lokale belastingen betaalden, rekening houdend met het feit dat zij niet aan de Belgische belasting waren onderworpen. De wetgever heeft in dat opzicht rekening kunnen houden met de datum van 31 december 2008, vanaf wanneer die belastingplichtigen niet langer het voordeel van de grensarbeidersregeling kunnen genieten (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1143/1, p. 9).

In de parlementaire voorbereiding wordt in verband met artikel 3 van het Avenant trouwens aangegeven :

« De tekst preciseert dat die bepaling met ingang van 1 januari 2009 van toepassing is. Met andere woorden, vanaf die datum mag België voor het bepalen van de gemeentelijke opcentiemen op de personenbelasting rekening houden met de beroepsinkomsten die krachtens de Overeenkomst en het Avenant vrijgesteld zijn. Teneinde alle betrokken belastingplichtigen op dezelfde manier te behandelen, zal de bepaling worden toegepast vanaf het eerste aanslagjaar dat aanvangt vanaf die datum, te weten aanslagjaar 2009 (dat betrekking heeft op de inkomsten van 2008) » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-1143/1, p. 25; in dezelfde zin, Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1858/002, p. 6).

B.10.2. De in het geding zijnde maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken belastingplichtigen die, zoals te dezen, in de Belgische grenszone gedomicilieerd zijn en die in 2008 en 2009 bedrijfsinkomsten hebben verkregen, aangezien, enerzijds, het publiek over het Avenant was voorgelicht zodra het was ondertekend (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1858/002, p. 5) en, anderzijds, zoals aangegeven in de parlementaire voorbereiding, het niveau van de belastingen waaraan die belastingplichtigen in Frankrijk zijn onderworpen, in de regel minder hoog is dan het niveau van de belastingen waaraan zij in België waren onderworpen.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 « houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999 » schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2012, door rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 « houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999 », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Roerende inkomsten

  • Wet houdende instemming met een verdrag

  • Dubbelbelastingverdrag

  • Grensarbeiders

  • Vaststellen van de aanvullende belastingen die worden gevestigd door de Belgische gemeenten en agglomeraties

  • Het in aanmerking nemen van de beroepsinkomsten die in België vrijgesteld zijn van belasting

  • Terugwerkende kracht.