- Arrest van 14 november 2012

14/11/2012 - 138/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- zegt voor recht :

. Artikel 3bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het niet toelaat dat de gefailleerden en de met hen gelijkgestelde personen een eventuele maatregel van uitstel genieten wanneer de rechtbank van koophandel een beroepsverbod uitspreekt.

. De ontstentenis van een wetsbepaling die het mogelijk maakt dat de gefailleerden en de met hen gelijkgestelde personen een eventuele maatregel van uitstel genieten wanneer de rechtbank van koophandel een beroepsverbod uitspreekt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- zendt de prejudiciële vraag terug naar de verwijzende rechter, in zoverre zij betrekking heeft op de verjaringstermijn.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 22 november 2011 in zake de procureur-generaal tegen P.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 november 2011, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Is artikel 3bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, in de versie ervan die van toepassing is sinds de wet van 28 april 2009, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de rechtbank van koophandel, ten laste van de erin beoogde personen, slechts een handelingsonbekwaamheid kan uitspreken waarop de beginselen van het strafrecht, in het bijzonder de regels van uitstel en verjaring, niet van toepassing zijn, terwijl het verbod dat kan worden uitgesproken ten laste van de personen bedoeld in artikel 1bis (en artikel 1, littera g)), een strafrechtelijke sanctie is waarop de beginselen van het strafrecht wel van toepassing zijn, zodat de in artikel 3bis beoogde personen minder gunstig worden behandeld dan de strafrechtelijk veroordeelde personen bedoeld in artikel 1bis (en artikel 1, littera g)) ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 3bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, in zoverre de met de gefailleerde gelijkgestelde personen, net als de gefailleerden die voor de rechtbank van koophandel zijn gedagvaard, niet zijn onderworpen aan de toepassing van de beginselen van het strafrecht met betrekking tot, inzonderheid, het uitstel en de verjaring, terwijl die personen wel aan die beginselen zijn onderworpen wanneer zij voor de strafgerechten zijn gedagvaard.

B.2.1. Het in het geding zijnde artikel 3bis, §§ 1 tot 4, bepaalt :

« § 1. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de beheerders en zaakvoerders van een in staat van faillissement verklaarde handelsvennootschap wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de in staat van faillissement verklaarde vennootschap te beheren.

§ 2. Onverminderd de bepalingen waarbij aan een niet in eer herstelde gefailleerde, het verbod wordt opgelegd om bepaalde beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, kan de rechtbank van koophandel die het faillissement heeft uitgesproken, of de rechtbank van koophandel te Brussel, wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon enig koopmansbedrijf uit te oefenen.

§ 3. Daarenboven kan de rechtbank van koophandel die het faillissement van de handelsvennootschap heeft uitgesproken, of de rechtbank van koophandel te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens § 1 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak van beheerder, zaakvoerder of commissaris uit te oefenen in een handelsvennootschap of een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om zodanige vennootschap rechtsgeldig te verbinden en om het beheer van een Belgisch filiaal waar te nemen, zoals bepaald in artikel 198, tweede lid, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.

§ 4. De duur van dit verbod wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar ».

Artikel 1bis van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt :

« Wanneer de rechter een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek, oordeelt hij tevens of de veroordeelde al dan niet verbod wordt opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen.

De rechter stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen ».

B.2.2. In het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 voorafgaat, is de doelstelling van het besluit als volgt omschreven :

« Om het vertrouwen in bedoelde instellingen [- bedoeld zijn de vennootschappen die een beroep doen op de spaargelden van derden -] te versterken komt het er op aan het bestuur, het toezicht en het beheer er van te ontzeggen aan onwaardige personen, wier gebrek aan rechtschapenheid duidelijk blijkt of aan personen, zoals gefailleerden, die, waar ze zich ongeschikt hebben betoond om hun eigen zaken te beheren, niet zonder gevaar geroepen kunnen worden om andermans belangen waar te nemen.

[...]

De veroordeelingen, in artikel 1 van het ontwerp opgesomd, worden slechts uitgesproken voor feiten die niet strooken met de meeste elementaire eerlijkheid, of voor feiten waaruit blijkt dat de persoon, die ze beging, tot het beheeren van een handelszaak of nijverheidsbedrijf onbevoegd is.

De feiten moeten reeds van vrij ernstigen aard zijn, daar het verbod slechts kan toegepast worden, indien de uitgesproken straf een vrijheidsstraf is van ten minste drie maanden. Of de straf al dan niet voorwaardelijk was doet weinig ter zake. Eenerzijds wordt een veroordeeling tot drie maanden gevangenisstraf, zelfs met uitstel, nooit uitgesproken voor een gering vergrijp; anderzijds ware het onrechtvaardig het verbod te doen afhangen van een omstandigheid vreemd aan het gepleegd vergrijp, bijvoorbeeld van een vroegere veroordeeling tot een correctioneele boete uit hoofde van een politieovertreding op het wegverkeer.

[...]

Het verbod begint den dag waarop de beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen; overeenkomstig het gemeen recht doet het eerherstel van den veroordeelde het verbod ophouden (art. 7 der wet van 25 April 1896).

Het verbod treft ook, krachtens artikel 2, de personen die, veroordeeld in het buitenland, hun werkzaamheid in België komen uitoefenen. [...]

In verband met de redenen, die dit verbod wettigen, moet het zelfs van toepassing zijn op hen, die vóór het van kracht worden van het tegenwoordig besluit veroordeeld zijn geworden. Bovendien heeft het verbod hier niet het karakter van een straf, maar van eene burgerlijke onbekwaamheid waaraan artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht vreemd is [...] » (Belgisch Staatsblad, 27 oktober 1934, pp. 5768-5769).

B.2.3. Het voormelde artikel 3bis, § 4, is het resultaat van een wijziging bij de wet van 28 april 2009 « tot wijziging van artikel 3bis, § 4, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen » (Belgisch Staatsblad, 29 mei 2009), die de woorden « minimum drie jaar en » heeft geschrapt.

B.2.4. Die wijziging werd in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt verantwoord :

« De faillissementswet zelf is evenwel niet het enige domein in het faillissementsrecht waar het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er sprake was van strijdigheid met de artikelen 10 en 11 G.W.

Op prejudiciële vraag van de rechtbank van koophandel te Namen oordeelde het Grondwettelijk Hof dat ook in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, een strijdigheid met de artikelen 10 en 11 G.W. vervat zit (Grondwettelijk Hof, 12 juli 2006, arrest nr. 119/2006). Het Grondwettelijk Hof bevestigde dit arrest in een tweede arrest van 22 november 2007 (Grondwettelijk Hof, 22 november 2007, Arrest nr. 144/2007).

Het Hof stelt een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling vast tussen de persoon die onder artikel 1bis van het koninklijk besluit dit beroepsverbod krijgt opgelegd door de strafrechter, en de persoon die dit door de handelsrechter krijgt opgelegd op grond van artikel 3bis, § 2.

De artikelen 1, 1bis en 3bis, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 omschrijven inderdaad de gevallen waarin de bevoegde rechter een beroepsverbod kan opleggen.

Artikel 1 bevat de opsomming van een aantal misdrijven waaraan de strafrechter als aanvullende straf (zie daarover Cass. 17 mei 2005, Pas. 2005, afl. 5-6, 1055; R.W. 2006-07 (samenvatting), afl. 11, 477)) het verbod kan verbinden om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198, § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar, uit te oefenen.

[...]

Artikel 1bis bepaalt dat wanneer de rechter een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader of als medeplichtige van één van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek (faillissementsmisdrijven en misbruik van vennootschapsgoederen), hij tevens bepaalt of de veroordeelde al dan niet verbod wordt opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen. De vermelde bepalingen van het Strafwetboek bestraffen onder meer ' de kooplieden die zich in staat van faillissement bevinden in de zin van artikel 2 van de faillissementswet ', welke met name tijdens het beheer van hun handelszaak de in die artikelen omschreven fouten hebben begaan.

Zoals voor artikel 1 is het de strafrechter die de duur van dat verbod vaststelt zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen.

Artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit daarentegen bepaalt dat de rechtbank van koophandel die het faillissement heeft uitgesproken (of de rechtbank van koophandel te Brussel indien het faillissement in het buitenland is uitgesproken), indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze bij een met redenen omkleed vonnis het verbod oplegt om persoonlijk of door een tussenpersoon enig koopmansbedrijf uit te oefenen.

Paragraaf 4 van deze bepaling preciseert dat de duur van dat verbod eveneens wordt vastgesteld door de rechtbank en minimum drie tot maximum tien jaar bedraagt.

2. De ongelijke behandeling

Het Grondwettelijk Hof ziet geen ongelijke behandeling in het verschillen in regeling tussen artikel 1 en artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22.

De personen die worden beoogd in de litterae a) tot j) van artikel 1 van het koninklijk besluit nr.22 zijn volgens het Hof personen die op grond van strafrechtelijke bepalingen strafbare feiten hebben gepleegd. Behalve voor de personen die strafbare feiten hebben gepleegd waarin de in het eerste deel van littera g) vermelde artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek voorzien, is de staat van faillissement niet één van de bestanddelen van die strafbare feiten. Het betreft dus personen die zich bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de persoon die wordt beoogd in artikel 3bis, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit. Die persoon is een ' niet in eer herstelde gefailleerde ', met andere woorden een koopman die, luidens artikel 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, die zich in staat van faillissement bevindt en die een kennelijk grove fout heeft begaan, die evenwel niet noodzakelijk van strafrechtelijke aard is en die tot zijn faillissement heeft bijgedragen. De omstandigheden zijn niet vergelijkbaar : dus kan er ook geen sprake zijn van ongelijke behandeling.

Bovendien is volgens het Hof de draagwijdte van het in de ene en de andere bepaling vervatte verbod verschillend : aan de in artikel 1 beoogde persoon kan het verbod worden opgelegd om, binnen een handelsvennootschap, de in dat artikel 1 opgesomde functies uit te oefenen, alsook het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar; aan de in artikel 3bis, § 2, beoogde persoon kan het verbod worden opgelegd om ' persoonlijk of door een tussenpersoon enig koopmansbedrijf uit te oefenen '.

De in artikel 1bis beoogde personen kunnen volgens het Hof daarentegen wel worden vergeleken met personen die in artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 worden beoogd.

Artikel 1bis is immers van toepassing op met name een persoon die, zelfs voorwaardelijk, is veroordeeld als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek. Die bepalingen bestraffen onder meer ' de kooplieden die zich in staat van faillissement bevinden in de zin van artikel 2 van de faillissementswet ', die met name tijdens het beheer van hun handelszaak de in die artikelen omschreven fouten hebben begaan.

Die personen zijn vergelijkbaar met degenen die worden beoogd in artikel 3bis, § 2, vermits zij, de enen en de anderen, gefailleerde kooplieden zijn die tijdens de exploitatie van hun handelszaak fouten hebben begaan en om die reden het voorwerp kunnen uitmaken van eenzelfde verbodsmaatregel met betrekking tot enig koopmansbedrijf.

De in artikel 1bis beoogde personen genieten volgens het Hof wel degelijk een gunstiger behandeling dan degenen die in artikel 3bis, § 2, worden beoogd.

Het door de strafrechter uitgesproken verbod is immers een aanvullende straf (Cass. 17 mei 2005, www.cass.be) die met name het voorwerp kan vormen van een maatregel tot uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf. Daarnaast stelt het Hof vast dat de duur van het door de strafrechter uitgesproken verbod minder dan drie jaar zou kunnen bedragen indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn.

De in artikel 3bis, § 2, beoogde personen daarentegen kunnen vanwege de rechter in koophandel evenwel van geen enkele maatregel genieten die het verbod verzacht. Het Hof verwoordt het als volgt :

' Een dergelijk verschil in behandeling is volgens het Hof niet redelijk verantwoord : het leidt ertoe dat gefailleerden wier beheersfouten als de meest ernstige worden beschouwd vermits zij strafbare feiten vormen, gunstiger worden behandeld dan de gefailleerden die geen strafrechtelijke fout hebben begaan. ' (Grondwettelijk Hof, 12 juli 2006, Arrest nr. 119/2006, B.5 en Grondwettelijk Hof, 22 november 2007, arrest nr. 144/2007, B.7).

Het Grondwettelijk Hof zegt voor recht :

' Artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in die bepaling beoogde gefailleerden, geen enkele maatregel tot verzachting van het verbod kunnen genieten. ' (Grondwettelijk Hof, 12 juli 2006, arrest nr. 119/2006).

' Artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de met de gefailleerde gelijkgestelde personen die in die wetsbepaling worden beoogd, geen enkele maatregel tot verzachting van het verbod kunnen genieten. ' (Grondwettelijk Hof, 22 november 2007, arrest nr. 144/2007).

3. Draagwijdte van de arresten

Hoewel een uitspraak van het Hof op prejudiciële vraag geen gelding heeft erga omnes, is zo'n uitspraak ook zeker niet te begrijpen als beperkt tot de betrokken partijen. Dergelijke uitspraak heeft integendeel een ' autorité relative renforcée ', in die zin dat alle rechtbanken optredend in dezelfde zaak zich er aan zullen moeten houden, terwijl in vergelijkbare zaken alle ù behalve de hoogste rechtsmachten ù de keuze moeten maken zich te houden aan de interpretatie van het Hof ofwel een nieuwe prejudiciële vraag te stellen.

Ook kunnen de betrokken regeringen binnen de zes maand na de uitspraak een annulatieberoep instellen.

4. Voorstel tot wetswijzigingen

Deze versterkte relatieve draagwijdte is in deze arresten zeker aanwezig, aangezien het Grondwettelijk Hof zonder enig voorbehoud en op klare en ondubbelzinnige wijze de ongelijke behandeling vooropstelt.

Het is dan ook een kwestie van behoorlijke wetgeving de vastgestelde ongrondwettelijkheid van deze bepaling zo snel mogelijk bij wet te verhelpen.

Daarom wordt voorgesteld de minimumduur van het door de rechtbank van koophandel uit te spreken beroepsverbod op te heffen.

Zodoende kan, net zoals in het geval door de strafrechter uitstel wordt verleend of verzachtende omstandigheden worden aangenomen, het beroepsverbod, door de rechtbank van koophandel opgelegd op grond van omstandigheden, voor een kortere duur dan drie jaar worden opgelegd.

Daartoe wordt artikel 3bis, § 4, koninklijk besluit nr. 22 aangepast » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-787/1, pp. 2 tot 7).

Ten aanzien van het uitstel

B.3. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever gevolg heeft willen geven aan de arresten van het Hof nr. 119/2006 van 12 juli 2006 en nr. 144/2007 van 22 november 2007, door de rechtbank van koophandel de mogelijkheid te bieden om rekening te houden met verzachtende omstandigheden voor de gefailleerde of de met hem gelijkgestelde personen, teneinde eventueel de sanctie, zijnde het beroepsverbod dat tegen hen kan worden uitgesproken, te verzachten. De minimumduur van drie jaar van het beroepsverbod werd aldus geschrapt.

Zoals de verwijzende rechter doet opmerken, kunnen de betrokken personen daarentegen geen maatregel van uitstel, die enkel door een strafgerecht kan worden toegestaan, genieten.

B.4. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen, dat is vastgelegd bij artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van de straffen, te beperken en de re-integratie van de veroordeelde niet in het gedrang te brengen.

B.5.1. De in artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 beoogde personen genieten een gunstigere behandeling dan diegenen die in artikel 3bis, § 2, worden beoogd. Het door de strafrechter uitgesproken verbod is immers een bijkomende straf (Cass., 17 mei 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 282) die met name het voorwerp kan uitmaken van een maatregel tot uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf.

Een dergelijk verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord : het leidt ertoe dat gefailleerden of de met hen gelijkgestelde personen wier beheersfouten als de meest ernstige moeten worden beschouwd aangezien zij strafbare feiten vormen, gunstiger worden behandeld dan de gefailleerden die geen strafrechtelijke fout hebben begaan.

B.5.2. Dat verschil in behandeling vindt echter niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in het ontbreken van een bepaling die de gefailleerden of de met hen gelijkgestelde personen tegen wie door de rechtbank van koophandel een beroepsverbod van burgerrechtelijke aard is uitgesproken, zou toelaten om een maatregel van uitstel te genieten. Wanneer de wet van 29 juni 1964 niet van toepassing is, komt het immers de wetgever toe de voorwaarden te bepalen waaronder een uitstel kan worden toegestaan, alsook de voorwaarden en de procedure van herroeping ervan vast te stellen.

Ten aanzien van de verjaring

B.6. In de prejudiciële vraag wordt daarnaast gewezen op een verschil in behandeling inzake de verjaring voor de in B.1 beoogde categorieën van personen, waarbij de regels van de verjaring in strafzaken niet van toepassing zouden zijn op de personen beoogd in artikel 1bis van het voormelde koninklijk besluit. In de motivering van het verwijzingsarrest stelt de rechter vast dat de strafvordering verjaart na vijf jaar, terwijl, bij ontstentenis van een andersluidende bepaling, het beroepsverbod dat de rechtbank van koophandel kan uitspreken, zou verjaren na dertig jaar, overeenkomstig het gemeen recht in burgerlijke zaken.

De in artikel 1bis van het voormelde koninklijk besluit beoogde personen zouden aldus een gunstigere behandeling genieten dan diegenen die in artikel 3bis, § 2, worden beoogd.

B.7.1. Noch de inhoud van de prejudiciële vraag, noch de motivering van het arrest waarmee de zaak bij het Hof aanhangig is gemaakt, maken het mogelijk te bepalen of de in de in het geding zijnde verjaring die is van de vordering voor de rechtbank van koophandel of die van de tenuitvoerlegging van het door die rechtbank uitgesproken verbod, of zelfs die van de ene en de andere.

B.7.2. Ongeacht of het gaat om de ene of de andere van de twee voormelde verjaringen, of zelfs om beide, lijkt het bovendien niet meer mogelijk aan te nemen dat een verjaring van dertig jaar de gemeenrechtelijke verjaring in burgerlijke zaken is, ermee rekening houdend dat, sinds de wijziging van het Burgerlijk Wetboek bij de wet van 10 juni 1998, alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren na tien jaar (artikel 2262bis); die termijn wordt echter voortaan beschouwd als die van het gemeen recht van de verjaring van die rechtsvorderingen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1087/1, p. 11), waarbij de dertigjarige verjaring is beperkt tot de zakelijke rechtsvorderingen (artikel 2262) en bijzondere rechtsvorderingen (zoals welke is beoogd in artikel 2277ter, tweede lid).

B.8. In die omstandigheden moet de zaak, ten aanzien van het aspect van de prejudiciële vraag betreffende de verjaring, worden teruggezonden naar de verwijzende rechter zodat hij de draagwijdte ervan kan preciseren.

Om die redenen,

het Hof

- zegt voor recht :

. Artikel 3bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het niet toelaat dat de gefailleerden en de met hen gelijkgestelde personen een eventuele maatregel van uitstel genieten wanneer de rechtbank van koophandel een beroepsverbod uitspreekt.

. De ontstentenis van een wetsbepaling die het mogelijk maakt dat de gefailleerden en de met hen gelijkgestelde personen een eventuele maatregel van uitstel genieten wanneer de rechtbank van koophandel een beroepsverbod uitspreekt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- zendt de prejudiciële vraag terug naar de verwijzende rechter, in zoverre zij betrekking heeft op de verjaringstermijn.

Aldus uitsproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 november 2012, door rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 3bis, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Handelsrecht

  • Faillissement

  • Beroepsverbod

  • 1. Uitstel

  • a. Voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerden of met hen gelijkgestelde personen

  • b. Voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerden of met hen gelijkgestelde personen

  • 2. Verjaring

  • a. Voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerden of met hen gelijkgestelde personen

  • b. Voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerden of met hen gelijkgestelde personen.