- Arrest van 14 november 2012

14/11/2012 - 143/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, en de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 september 2012, heeft Luc Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, uit eigen naam en namens de gemeente Rotselaar, beroep ingesteld tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bijzondere wet van 19 juli 2012 tot aanvulling van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2012).

Op 19 september 2012 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk onontvankelijk is.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoeker vordert de gehele of de gedeeltelijke vernietiging van de bijzondere wet van 19 juli 2012 tot aanvulling van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel betreft, die bepaalt :

« HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen

Art. 2. Artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 januari 1989, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 28 december 1994, 13 juli 2001, 16 maart 2004 en 21 februari 2010, wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :

' § 7. Er wordt een hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel opgericht met het oog op overleg over de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, die meerdere gewesten aanbelangen, in het bijzonder mobiliteit, verkeersveiligheid en de wegenwerken vanuit, naar en rond Brussel. De gewesten zijn lid van de hoofdstedelijke gemeenschap en de vertegenwoordigers van hun regeringen hebben er zitting in. Alle gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en van de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant, evenals de federale overheid zijn van rechtswege lid van de hoofdstedelijke gemeenschap. De provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant kunnen vrij toetreden.

De gewesten sluiten een samenwerkingsakkoord om de nadere regels en het voorwerp van dit overleg vast te leggen.

De op- en afritten van de autosnelwegring om Brussel (R0) mogen enkel worden gesloten of onbruikbaar worden gemaakt nadat daarover overleg is gepleegd tussen de gewesten in de hoofdstedelijke gemeenschap bedoeld in het eerste lid.

Bij wijze van overgangsmaatregel heeft het in het derde lid bedoelde overleg plaats buiten de hoofdstedelijke gemeenschap in afwachting van het sluiten van het in het tweede lid bedoelde samenwerkingsakkoord. ' ».

B.2. Wat zijn persoonlijk belang bij het beroep betreft, voert de verzoeker aan dat hij in Vlaams-Brabant (Rotselaar) woont en dus deel uitmaakt van de door de bestreden wet opgerichte « hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel ». Hij zou door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig worden geraakt, « vermits hij - die de stad Brussel verafschuwt- behoort tot een ' gemeenschap ' die ' van Brussel ' is ». Hij zou aldus een nadeel van morele aard ondergaan.

Wat het belang van de gemeente Rotselaar betreft, zou de bestreden wet, door die gemeente lid te maken van een « hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel », een aanslag op het Vlaamse karakter van die gemeente plegen. Aldus zou de gemeente Rotselaar een ernstig moreel nadeel lijden. Bovendien zou het lidmaatschap van die « gemeenschap » de gemeente Rotselaar tot het maken van bepaalde kosten verplichten.

In zijn memorie met verantwoording wijst de verzoeker nog erop dat, enerzijds, hij als Vlaming en als inwoner van Vlaams-Brabant en, anderzijds, de gemeente Rotselaar als Vlaams-Brabantse gemeente, belang erbij zouden hebben dat tegen de uitbreiding, de jure of de facto, van de grenzen van het Brusselse Gewest wordt opgetreden.

B.3. Zowel artikel 142, derde lid, van de Grondwet, als artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. De actio popularis is niet toelaatbaar.

B.4.1. Wat zijn persoonlijk belang bij het beroep betreft, voert de verzoeker in zijn verzoekschrift een louter moreel belang aan.

Het feit dat een verzoeker een wet afkeurt op grond van een eigen appreciatie of op grond van de gevoelens die deze wet bij hem oproept, kan niet worden aangehouden ter verantwoording van het vereiste belang.

In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, vloeit uit het feit dat een dergelijke zienswijze geen bevestiging zou vinden in de vaste rechtspraak van het Hof of dat in een bepaald arrest aan dat standpunt zou zijn verzaakt, geenszins voort dat de rechters-verslaggevers zich in hun conclusies van zulk een stellingname zouden dienen te onthouden. Artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt immers enkel dat, indien het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk lijkt, de verslaggevers hierover bij de voorzitter verslag uitbrengen binnen een bepaalde termijn. Noch het voormelde artikel 71, noch enige andere wetsbepaling schrijven voor dat de rechters-verslaggevers hun conclusies op vaste rechtspraak van het Hof dienen te gronden. Evenmin bestaat er enig voorschrift op grond waarvan de rechters-verslaggevers, wanneer - per hypothese - in een bepaald arrest aan een bepaald standpunt zou zijn verzaakt, ertoe zouden zijn gehouden zulk een standpunt niet meer in te nemen in een andere zaak, daarbij rekening houdend met de concrete gegevens van elk dossier.

B.4.2. In zijn memorie met verantwoording wijst de verzoeker nog erop dat hij als Vlaming en als inwoner van Vlaams-Brabant belang erbij zou hebben dat tegen de uitbreiding van de grenzen van het Brusselse Gewest wordt opgetreden.

Wanneer een verzoeker in rechte treedt als Vlaming en als inwoner van Vlaams-Brabant voert hij een belang aan dat niet verschilt van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wet in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. Zulk een belang aanvaarden om voor het Hof op te treden zou neerkomen op het aanvaarden van de actio popularis, wat de Grondwetgever niet heeft gewild.

B.5.1. Zelfs in de veronderstelling dat de verzoeker te dezen namens de gemeente Rotselaar in rechte zou vermogen te treden, volstaat het aangevoerde morele nadeel dat die gemeente zou lijden - voor zover het al bestaat - niet om een belang bij de vernietiging van de bestreden wet aan te tonen.

Evenzo, indien de gemeente Rotselaar, zoals de verzoeker beweert, ten gevolge van de bestreden wet tot bepaalde uitgaven zou worden verplicht, geeft hij geen enkele aanwijzing over de omvang van die uitgaven, noch over de graad van waarschijnlijkheid dat die uitgaven daadwerkelijk door die gemeente zouden dienen te worden gemaakt.

B.5.2. Volgens de verzoeker zouden de conclusies van de rechters-verslaggevers, wat de ontstentenis van belang van de gemeente Rotselaar betreft, onduidelijk en niet gemotiveerd zijn, zodat het contradictoire karakter van de rechtspleging in het gedrang zou zijn gebracht, nu de verzoeker geen dienstig verweer zou kunnen voeren.

De conclusies van de rechters-verslaggevers hebben de verzoeker niet belet daarop uitvoerig te antwoorden in zijn memorie met verantwoording, zodat het Hof kennis heeft kunnen nemen van de standpunten van de verzoeker. Er kan dan ook niet worden ingezien hoe het contradictoire karakter van de rechtspleging te dezen in het gedrang zou zijn gebracht.

B.6. De verzoeker doet niet van het vereiste belang blijken om een beroep tot vernietiging tegen de bestreden bepalingen in te stellen.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 november 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bijzondere wet van 19 juli 2012 tot aanvulling van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel betreft, ingesteld door Luc Lamine, uit eigen naam en namens de gemeente Rotselaar. Rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging

  • Niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang. # Grondwettelijk recht

  • Hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel.