- Arrest van 27 november 2012

27/11/2012 - 169/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

- Artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel » schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 15 november 2013 in zake de Belgische Staat tegen Dominique Jacquet, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 november 2013, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat een gezamenlijk minnelijk akkoord van de bevoegde overheden van de Belgische en de Franse Staat dat met toepassing van artikel 24, § 2, van de Belgisch-Franse Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen is gesloten in verband met een moeilijkheid of twijfel over de uitvoering van een bepaling die in die Overeenkomst voorkomt, een wet is, waardoor aan de rechterlijke macht elke jurisdictionele bevoegdheid tot interpretatie van de verdragstekst door de nationale overheden wordt ontzegd, artikel 170 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 145 van de Grondwet, dat elk geschil over politieke rechten voorbehoudt aan de hoven en rechtbanken ? »;

2. « Schenden artikel 1 van de instemmingswet van 14 april 1965 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van 10 maart 1964 gesloten te Brussel tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen en, via die wet, de artikelen 10, § 1, 10, § 2, en 11, § 2, c), van de Overeenkomst zelf, en artikel 2 van de wet van 9 juni 1999 houdende instemming met het Avenant bij dezelfde Overeenkomst, gedaan te Brussel op 8 februari 1999, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het genoemde artikel 10 van de Frans-Belgische Overeenkomst in die zin wordt geïnterpreteerd dat de ziekenhuisintercommunales niet zouden kunnen worden beschouwd als entiteiten met activiteiten van industriële of commerciële aard, terwijl die aard van industriële of commerciële activiteit bij een koninklijk besluit van 10 april 1995 wordt toegekend aan de autonome gemeentebedrijven die verzorgende activiteiten uitvoeren ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen ».

B.1.2. Artikel 10 van de Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen bepaalt :

« 1. De bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, zijn uitsluitend in deze Staat belastbaar.

2. Met wederzijds akkoord zal deze bepaling kunnen worden uitgebreid tot de bezoldigingen van de personeelsleden van openbare lichamen of instellingen of van juridisch zelfstandige instellingen, door een van de verdragsluitende Staten of door de politieke onderdelen van deze Staat opgericht of gecontroleerd, zelfs indien deze lichamen of instellingen een nijverheids- of handelsactiviteit uitoefenen.

3. Nochtans vinden de voorafgaande bepalingen geen toepassing wanneer de bezoldigingen worden betaald aan verblijfhouders van de andere Staat, die de nationaliteit van deze Staat hebben ».

Zoals het van toepassing was op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalde artikel 11 van dezelfde Overeenkomst :

« 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 13 van deze Overeenkomst, zijn de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de persoonlijke activiteit, die de bron van deze inkomsten is, wordt uitgeoefend.

2. In afwijking van paragraaf 1 hierboven :

a) mogen de salarissen, lonen en andere bezoldigingen slechts worden belast in de verdragsluitende Staat waarvan de loontrekker verblijfhouder is, indien de volgende drie voorwaarden vervuld zijn :

1° de beneficiant verblijft tijdelijk in de andere verdragsluitende Staat voor een of meer tijdvakken welke gedurende het kalenderjaar 183 dagen niet te boven gaan;

2° zijn bezoldiging voor de tijdens dit verblijf uitgeoefende activiteit wordt ten laste genomen door een in eerstgenoemde Staat gevestigde werkgever;

3° hij oefent zijn activiteit niet uit ten laste van een in de andere Staat gelegen vaste inrichting of vaste installatie van de werkgever;

b) zijn de bezoldigingen met betrekking tot de activiteit uitgeoefend aan boord van een schip of een luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip dienend tot het vervoer in de binnenwateren op het grondgebied van beide verdragsluitende Staten, slechts belastbaar in diegene van deze Staten, waar de zetel van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen; indien deze Staat geen belasting op bedoelde bezoldigingen heft, zijn deze belastbaar in de verdragsluitende Staat, waarvan de beneficianten verblijfhouders zijn.

De bezoldigingen van personen die dienst doen op andere vervoermiddelen, welke het vervoer op het grondgebied van beide verdragsluitende Staten onderhouden, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de vaste inrichting is gelegen waarvan deze personen afhangen of, indien dergelijke inrichting niet aanwezig is, in de verdragsluitende Staat waarvan deze personen verblijfhouders zijn;

c) zijn de grensarbeiders die deze hoedanigheid aantonen door het overleggen van de grenskaart welke door de tussen de verdragsluitende Staten gesloten bijzondere overeenkomsten werd ingesteld, op hun salarissen, lonen en andere bezoldigingen die zij als dusdanig ontvangen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waarvan zij verblijfhouders zijn.

[...] ».

Artikel 24 van die Overeenkomst bepaalt :

« 1. De bevoegde autoriteiten van beide verdragsluitende Staten zullen overleg plegen met betrekking tot de administratieve maatregelen die voor de uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst nodig zijn en inzonderheid omtrent de rechtvaardigingen door de verblijfhouders van elke Staat te verstrekken om in de andere Staat de bij deze Overeenkomst bepaalde belastingvrijstellingen of -verminderingen te genieten.

2. Ingeval de uitvoering van sommige bepalingen van deze Overeenkomst tot moeilijkheden of twijfel aanleiding zou geven, zullen de bevoegde autoriteiten van beide verdragsluitende Staten overleg plegen om deze bepalingen in de geest van de Overeenkomst toe te passen. In bijzondere gevallen zullen zij in gemeen overleg de bij deze Overeenkomst bepaalde regelen kunnen toepassen op natuurlijke of rechtspersonen, die geen verblijfhouders van een van beide verdragsluitende Staten zijn, maar die in één van deze Staten een vaste inrichting bezitten waarvan sommige inkomsten hun bron in de andere Staat hebben.

3. Indien een verblijfhouder van een van beide verdragsluitende Staten oordeelt dat de aanslagen die te zijnen laste werden gevestigd of waarvan de vestiging te zijnen laste wordt overwogen, voor hem hebben geleid of moeten leiden tot een dubbele belastingheffing waarvan het in stand houden onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van de Overeenkomst, kan hij, onverminderd het gebruik van zijn rechten inzake bezwaar en verhaal volgens de interne wetgeving van elke Staat, bij de bevoegde autoriteiten van de Staat waarvan hij verblijfhouder is een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek tot herziening van deze aanslagen indienen. Dit verzoek moet worden ingediend vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden ingaande op de datum van de betekening of van de heffing bij de bron van de tweede aanslag. Indien zij de gegrondheid van dit verzoek erkennen, zullen de autoriteiten bij wie het verzoek aanhangig werd gemaakt, zich met de bevoegde autoriteiten van de andere verdragsluitende Staat verstaan om dubbele belastingheffing te voorkomen.

4. Indien blijkt dat, om tot overeenstemming te komen, besprekingen opportuun zijn, zal de aangelegenheid worden voorgelegd aan een gemengde commissie waarvan de leden door de bevoegde autoriteiten van de beide verdragsluitende Staten zullen worden aangeduid ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. Uit de gegevens van de zaak en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het voor de verwijzende rechter hangende geschil betrekking heeft op aanslagen in de belasting van niet-inwoners - natuurlijke personen - en in de aanvullende gemeentebelasting die voor de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997 zijn gevestigd ten laste van een fiscaal inwoner van Frankrijk die in België voor de « Association intercommunale des oeuvres médico-sociales des arrondissements d'Arlon et de Virton » (A.I.O.M.S.) werkt.

Volgens de verwijzende rechter wordt niet betwist dat de geïntimeerde aan alle wettelijke voorwaarden voldoet om als « grensarbeider » te worden beschouwd en dat zij vroeger gedurende een twintigtal jaar in die hoedanigheid in Frankrijk is belast op grond van artikel 11, § 2, c), van de Overeenkomst van 10 maart 1964. Met betrekking tot de in het geding zijnde aanslagjaren heeft de Belgische Staat zijn standpunt herzien en de geïntimeerde op grond van artikel 10, § 1, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 ambtshalve belast, ingevolge een brief die op 13 april 2005 door de Franse belastingadministratie naar de Belgische centrale diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit is gestuurd. Volgens de verwijzende rechter maakt die brief deel uit van de in artikel 24, § 2, van die Overeenkomst bedoelde overlegprocedure en heeft een aldus gesloten administratief akkoord een dwingend karakter, ook al is het niet bekendgemaakt. De verwijzende rechter merkt vervolgens op dat het Hof van Cassatie, bij een arrest van 9 mei 2008, heeft geoordeeld dat de bepalingen van een akkoord dat tussen de Belgische en de Franse administratie is gesloten op grond van artikel 24, § 1, van de voormelde Overeenkomst van 10 maart 1964, een wet in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek zijn.

Hij stelt het Hof dan ook een vraag over de bestaanbaarheid, met artikel 170 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 145 ervan, van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat een gezamenlijk minnelijk akkoord van de bevoegde overheden van de Belgische en de Franse Staat dat met toepassing van artikel 24, § 2, van de voormelde Overeenkomst van 10 maart 1964 is gesloten in verband met een moeilijkheid of twijfel over de uitvoering van een bepaling die in die Overeenkomst voorkomt, een wet is, « waardoor aan de rechterlijke macht elke jurisdictionele bevoegdheid tot interpretatie van de verdragstekst door de nationale overheden wordt ontzegd ».

B.3. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens verzuim van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vragen van een beslissing gewezen in laatste aanleg. Het Hof van Cassatie treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf.

B.4. Artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt één van de in dat Wetboek bedoelde gevallen waarin cassatieberoep kan worden ingesteld.

B.5. Die bepaling kan niet aldus worden begrepen dat zij de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken om de op het geschil van toepassing zijnde rechtsbepalingen te interpreteren, zou beperken.

B.6. De eerste prejudiciële vraag behoeft bijgevolg geen antwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.7. De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst [van 10 maart 1964] tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel », meer in het bijzonder de artikelen 10, §§ 1 en 2, en 11, § 2, c), van de Overeenkomst en artikel 2 van de wet van 9 juni 1999 houdende instemming met het Avenant van 8 februari 1999 bij dezelfde Overeenkomst, bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre artikel 10 van de Overeenkomst in die zin wordt geïnterpreteerd dat de ziekenhuisintercommunales niet zouden kunnen worden beschouwd als entiteiten met activiteiten van industriële of commerciële aard, terwijl die aard van industriële of commerciële activiteit bij een koninklijk besluit van 10 april 1995 wordt toegekend aan de autonome gemeentebedrijven die verzorgende activiteiten uitvoeren.

B.8. Uit de gegevens van de zaak en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing, zoals zij in B.2 werden gepreciseerd, blijkt dat het voor de verwijzende rechter hangende geschil betrekking heeft op de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997. Bijgevolg zijn enkel de bepalingen van de Overeenkomst van 10 maart 1964 vóór de wijziging ervan bij het Avenant van 8 februari 1999 in het geding.

Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt daarenboven dat enkel artikel 10, § 1, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 in het geding is. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepaling.

B.9. Daar de toetsing van het Hof het onderzoek van de inhoud van de voormelde bepalingen van de Overeenkomst omvat, moet het Hof ermee rekening houden dat het niet gaat om een eenzijdige soevereiniteitsakte, maar om een verdragsnorm waartoe België zich ten aanzien van een andere Staat volkenrechtelijk heeft verbonden.

Zoals de andere overeenkomsten tot het vermijden van de dubbele belasting heeft de Frans-Belgische Overeenkomst van 10 maart 1964 in eerste instantie tot doel een einde te maken aan de internationale dubbele belasting of de gevolgen ervan te verzachten, wat inhoudt dat de overeenkomstsluitende Staten gedeeltelijk of geheel ervan afzien het recht uit te oefenen dat hun wetgeving aan hen toekent om bepaalde inkomsten te belasten. De Overeenkomst regelt dus de verdeling van de belastingbevoegdheid tussen de Staat van verblijf van de belastingplichtige en de bronstaat van de inkomsten, en voert geen nieuwe fiscale verplichtingen in ten opzichte van hun interne rechten.

De memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende goedkeuring van de Overeenkomst preciseert dat de Overeenkomst is geïnspireerd op de type-overeenkomsten die op internationaal niveau werden opgesteld en een methode volgt die in ruime mate wordt aanbevolen door het Fiscaal Comité van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 970/1, p. 3).

B.10. In het algemeen kan door het vaststellen van een specifieke fiscale regeling voor de grensarbeiders worden vermeden dat de aanwerving wordt belemmerd door het bestaan van een grens, waarbij de belastingheffing in de woonstaat de werknemer toelaat om in de fiscale regeling te blijven die op hem van toepassing zou zijn indien hij zou werken in het land waar hij woont.

Eveneens in het algemeen werd het belasten van de overheidsambtenaar door de Staat die hem in dienst heeft, verantwoord door de sterke band tussen hen. Een dergelijke methode van overdracht is geïnspireerd op de « regels van de internationale hoffelijkheid » en « is opgenomen in talrijke overeenkomsten die van kracht zijn onder de lidstaten van de OESO zodat kan worden verklaard dat die reeds internationaal aanvaard is » (Modelovereenkomst inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, verkorte versie, OESO, Parijs, 2005, p. 254).

B.11. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de wetgever in fiscale zaken, heeft die laatste niet op onredelijke wijze gehandeld door in te stemmen met een overeenkomst tot voorkoming van een dubbele belasting op grond waarvan de Belgische werknemers, ambtenaren van een Belgische overheid, die evenwel in Frankrijk verblijven, binnen het grensgebied, zijn onderworpen aan de Belgische belastingregeling, terwijl dat niet het geval zou zijn indien hun werkgever een privaatrechtelijke rechtspersoon was. Immers, de band tussen de belastingschuldigen en de Staat waar zij hun beroepsactiviteit uitoefenen, is sterker in het eerste geval dan in het tweede. Het is overigens redelijk om, in het kader van internationale overeenkomsten inzake het voorkomen van dubbele belasting, rekening te houden met de regels van de internationale hoffelijkheid tussen Staten, temeer daar die zijn gecodificeerd binnen internationale organisaties.

Het verschil in behandeling is des te minder onverantwoord daar er een afwijkende regeling bestaat ten behoeve van de Belgische grensarbeider die in België wordt tewerkgesteld door een publiekrechtelijk persoon met nijverheids- of handelsactiviteiten, die, gelet op de economische dimensie van de activiteiten van de publiekrechtelijke persoon die hem tewerkstelt, op dezelfde wijze zal worden behandeld als een Belgische grensarbeider die wordt tewerkgesteld door een privaatrechtelijke rechtspersoon.

B.12. In zoverre het bepaalt dat de bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door een van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van die Staat, die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent, uitsluitend in die Staat belastbaar zijn, brengt artikel 10, § 1, van de Overeenkomst van 10 maart 1964 niet het verschil in behandeling tussen de ziekenhuisintercommunales en de autonome gemeentebedrijven die verzorgende activiteiten uitvoeren teweeg dat het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt.

Het komt de rechter bij wie het fiscale geschil aanhangig is gemaakt, toe het voormelde artikel 10, § 1, en meer in het bijzonder de woorden « publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat » en de woorden « die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent », te interpreteren, door rekening te houden met de essentie van de werkelijke activiteit van de publiekrechtelijke rechtspersoon die de bezoldigingen toekent en door zich te baseren op criteria zoals de financiering van de activiteit, de wijze van organisatie en de aard van de verleende dienst. Een dergelijk onderzoek moet zowel voor een intercommunale als voor een autonoom gemeentebedrijf worden verricht met inachtneming van de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie.

Daarenboven houdt een eventueel verschil in behandeling tussen grensarbeiders naargelang artikel 10, § 1, al dan niet op hen van toepassing is, in elk geval geen onevenredige gevolgen in, in zoverre het niet vaststaat dat de aanwijzing van de Staat die de bezoldigingen verschuldigd is als de Staat die bevoegd is belasting te heffen ter zake van overheidsbeloningen, op zichzelf negatieve gevolgen kan hebben voor de betrokken belastingplichtigen. Strikt genomen is niet de gekozen aanknopingsfactor bepalend voor de vraag of de fiscale behandeling van de betrokken belastingplichtigen al dan niet gunstig uitvalt, doch wel het belastingniveau in de bevoegde Staat (zie, in dezelfde zin, HvJ, 12 mei 1998, C-336/96, Gilly, punt 34).

B.13. De toetsing aan artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie.

B.14. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

- Artikel 1 van de wet van 14 april 1965 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel » schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 1 van de wet van 14 april 1965 houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, van het slotprotocol en van de bijgevoegde brieven, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel, de artikelen 10, §§ 1 en 2, en 11, § 2, c), van die Overeenkomst en artikel 2 van de wet van 9 juni 1999 houdende instemming met het Avenant bij die Overeenkomst, gedaan te Brussel op 8 februari 1999, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Internationaal fiscaal recht

  • Internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting

  • 1. Jurisdictionele bevoegdheid tot interpretatie van de verdragtekst door de nationale overheden

  • 2. Bezoldigingen toegekend door een publiekrechtelijke rechtspersoon die geen nijverheids- of handelsactiviteit uitoefent

  • Belastingheffing in de Staat van de publiekrechtelijke rechtspersoon

  • a. Ziekenhuisintercommunales

  • b. Autonome gemeentebedrijven die verzorgende activiteiten uitvoeren. # Rechten en vrijheden

  • 1. Bescherming van de eigendom

  • 2. Gelijkheid in fiscale zaken.