- Arrest van 6 december 2012

06/12/2012 - 146/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 190, 192 en 322, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij drie vonnissen van 1 december 2011 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen respectievelijk de bvba « Bono Pizza », de bvba « Mediterrano Gastrogesellschaft » en de bvba « Brands Lane Sports International », waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 9 december 2011, heeft de Arbeidsrechtbank te Eupen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 322, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de verhinderde kamervoorzitter van de arbeidsrechtbank wordt vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hij aanwijst, door een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter, en de artikelen 190 en 192 van het Gerechtelijk Wetboek, die voorzien in verscheidene voorwaarden voor de benoeming tot werkend rechter of tot plaatsvervangend rechter, in zoverre, om tot rechter in de arbeidsrechtbank te worden benoemd, de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten moet zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid moet zijn geslaagd alsook een ononderbroken beroepservaring van tien jaar als advocaat moet aantonen of de bij artikel 259octies van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven gerechtelijke stage moet hebben doorgemaakt, en om tot plaatsvervangend rechter in de arbeidsrechtbank te worden benoemd, de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten moet zijn en gedurende ten minste vijf jaar bepaalde juridische beroepen moet hebben uitgeoefend, de gelijkheid van de inwoners van het Koninkrijk België, waarin is voorzien in titel II van de Grondwet (' De Belgen en hun rechten '), te weten in de artikelen 10 en 11 ervan, gelet op de verschillende voorwaarden voor de benoeming van een werkend rechter en van een plaatsvervangend rechter, aangezien de rechtzoekende het risico loopt dat zijn zaak wordt beslecht door een kamer van de arbeidsrechtbank die wordt voorgezeten door een plaatsvervangend rechter, die niet het bewijs moet hebben geleverd van de bekwaamheden en beroepservaring die een (werkend) rechter wel moet bezitten ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5265, 5266 en 5267 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 322, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 190 en 192 van hetzelfde Wetboek in zoverre de rechtzoekende, gelet op de verschillende voorwaarden voor de benoeming van een werkend rechter en van een plaatsvervangend rechter, het risico zou lopen dat zijn zaak wordt beslecht door een kamer van de arbeidsrechtbank die wordt voorgezeten door een plaatsvervangend rechter, die niet het bewijs moet hebben geleverd van de bekwaamheden en beroepservaring waarvan een werkend rechter moet doen blijken.

B.1.2. Artikel 190 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« § 1. Om tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel of tot toegevoegd rechter te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij artikel 259octies, § 2, voorgeschreven gerechtelijke stage doorgemaakt hebben.

§ 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :

1° hetzij ten minste tien jaar ononderbroken werkzaam zijn geweest aan de balie;

2° hetzij ten minste vijf jaar een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, referendaris bij het Hof van Cassatie, referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Grondwettelijk Hof of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg hebben uitgeoefend;

3° hetzij ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt van notaris hebben vervuld of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed, of juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst.

In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 3°.

§ 2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.

§ 2ter. Voor de kandidaat-rechter in een fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg die houder is van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in het fiscaal recht blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of door een niet-universitaire instelling van hoger onderwijs zoals bedoeld in artikel 357, § 1, tweede lid, wordt de duur bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, verminderd tot tien jaar.

§ 3. Voor de kandidaat-rechter in de arbeidsrechtbank die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 3°, verminderd tot tien jaar.

§ 4. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, 2° en 3°, verminderd met een jaar ».

Artikel 192 van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« Om tot plaatsvervangend rechter te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, referendaris bij het Hof van Cassatie, referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Grondwettelijk Hof of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed ».

Ten slotte bepaalt artikel 322, tweede lid, van hetzelfde Wetboek :

« In de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel wordt de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hij aanwijst, door een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter ».

B.2.1. Volgens de Ministerraad bepaalt het voormelde artikel 322, tweede lid, enkel dat een verhinderd kamervoorzitter van de arbeidsrechtbank door een plaatsvervangend rechter wordt vervangen, terwijl de artikelen 190 en 192 van het Gerechtelijk Wetboek de voorwaarden voor de benoeming van die magistraten regelen. Daaruit zou voortvloeien dat het aangevoerde verschil in behandeling niet zijn oorsprong zou vinden in artikel 322, tweede lid, maar in de twee laatste aangehaalde bepalingen.

B.2.2. Uit de bewoordingen van de aan het Hof gestelde vragen blijkt dat het beginsel zelf van de vervanging van een werkend rechter door een plaatsvervangend rechter in het geding is, aangezien die laatste aan minder strikte benoemingsvoorwaarden dient te voldoen, met als gevolg dat daaruit een verschil in behandeling tussen de rechtzoekenden zou kunnen voortvloeien naargelang hun zaak door de ene of de andere van die magistraten wordt beslecht.

Rekening houdend met het feit dat de aan het Hof ter beoordeling voorgelegde bepalingen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, dient de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van die bepalingen in samenhang gelezen te worden onderzocht.

B.2.3. De exceptie wordt verworpen.

B.3.1. Artikel 81 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de arbeidsrechtbank uit ten minste drie kamers bestaat waarvan ten minste één, die bevoegd is voor de geschillen met betrekking tot de vorderingen betreffende de collectieve schuldenregeling, uit een rechter in de arbeidsrechtbank bestaat, en waarbij de andere kamers worden voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en daarenboven uit twee rechters in sociale zaken bestaan.

De samenstelling van de arbeidsrechtbank is bepaald bij artikel 82 van hetzelfde Wetboek; die bepaling voorziet in de aanwezigheid van een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en van rechters in sociale zaken. In dezelfde bepaling wordt eveneens gepreciseerd dat zij, in de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bovendien uit één of meer ondervoorzitters en één of meer rechters in de arbeidsrechtbank bestaat.

B.3.2. Volgens artikel 87 van het Gerechtelijk Wetboek hebben de plaatsvervangende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel geen gewone bezigheden en worden zij benoemd om rechters tijdelijk te vervangen wanneer zij verhinderd zijn of wanneer de bezetting niet volstaat om de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.

B.4.1. Uit de ter toetsing aan het Hof voorgelegde bepalingen blijkt dat de diplomavereiste identiek is voor de benoeming tot rechter of tot plaatsvervangend rechter in de arbeidsrechtbank. De benoemingsvoorwaarden zijn daarentegen verschillend met betrekking tot de vereiste beroepsbekwaamheid en beroepservaring van beide categorieën. Aldus dienen de werkende rechters, indien zij niet voor de weg van de in artikel 259octies, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde stage hebben gekozen, te zijn geslaagd voor het bij artikel 259bis-9, § 1, van hetzelfde Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid. Die voorwaarde is niet vereist voor de benoeming van de plaatsvervangende rechters. De werkende rechters moeten eveneens tien jaar ononderbroken werkzaam zijn geweest aan de balie of gedurende vijf jaar een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of een van de in het 2° van artikel 190, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde ambten hebben uitgeoefend, of nog gedurende twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie of een van de in het 3° van dezelfde bepaling bedoelde ambten of functies hebben uitgeoefend. Van de plaatsvervangende rechters wordt daarentegen maar een ervaring van vijf jaar aan de balie, in een gerechtelijk ambt of in één van de in artikel 192 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde ambten of functies vereist.

B.4.2. De voorwaarden zijn nog strikter voor de aanwijzing van de magistraat in het ambt van voorzitter van de rechtbank. Aldus bepaalt artikel 189 van het Gerechtelijk Wetboek dat de kandidaat die niet de gerechtelijke stage heeft doorgemaakt, juridische functies moet hebben uitgeoefend sedert ten minste vijftien jaar, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.

B.5.1. De voormelde bepalingen vinden hun oorsprong in de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten.

Met die wet wou de wetgever de voorwaarden voor de werving van de magistraten en hun opleiding verbeteren door in de eerste plaats ervoor te zorgen dat de regels werden gewijzigd die in het Gerechtelijk Wetboek zijn vastgesteld voor de benoeming van vrederechters, rechters in de politierechtbanken, rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel, alsmede van de magistraten van het openbaar ministerie bij die rechtbanken. De wetgever wou eveneens de voorwaarden aanpassen voor het uitoefenen van onder meer het ambt van voorzitter en ondervoorzitter van de rechtbanken van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbanken en van de rechtbanken van koophandel (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 974-1, p. 5).

Daarbij heeft de wetgever in herinnering gebracht dat een lange ervaring bij de balie, in het notariaat, in academische of rechtswetenschappelijke functies of nog in juridische functies kon getuigen van een grote beroepsbekwaamheid (ibid., p. 10).

Het is het belang dat aan de beroepservaring en aan de rechtspraktijk wordt gehecht, dat de instelling van adviescomités heeft verklaard, die paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de rechterlijke orde en van de balie, van wie wordt aangenomen dat zij de kandidaat-magistraten beter kunnen kennen en over juiste informatie beschikken om de minister in te lichten over hun - onder meer menselijke - kwaliteiten (ibid., p. 13).

B.5.2. Wat meer in het bijzonder de modaliteiten voor de toegang tot het ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel betreft, heeft de wetgever drie verschillen beklemtoond ten opzichte van de modaliteiten die zijn vastgelegd voor de toegang tot het ambt van vrederechter en van rechter in de politierechtbank. Aldus wordt voor de eerste categorie, anders dan voor de laatste, geen specifieke voorwaarde met betrekking tot een minimumleeftijd vereist. De wetgever heeft immers geoordeeld dat een dergelijke voorwaarde aan de vrederechters en aan de rechters in de politierechtbank moest worden opgelegd omdat zij, alleen, een belangrijk ambt in de magistratuur moeten waarnemen. Ook de duur van de voorafgaande beroepservaring is verschillend. De wetgever heeft daarbij opgemerkt dat een voorzitter van een rechtscollege systematisch aan dwingender voorwaarden moet voldoen wat betreft de gerechtelijke activiteiten die de benoeming voorafgaan. Ten slotte wordt voor de benoeming tot vrederechter vereist dat gedurende twaalf jaar gerechtelijke of juridische functies zijn uitgeoefend (ibid., p. 19).

B.5.3. Met betrekking tot de gestelde voorwaarden om als plaatsvervangend rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel te kunnen worden aangewezen, heeft de wetgever de wijziging van artikel 192 van het Gerechtelijk Wetboek gemotiveerd onder verwijzing naar die van artikel 188 van hetzelfde Wetboek, waarbij de voorwaarden worden vastgesteld voor de benoeming tot plaatsvervangend vrederechter of tot plaatsvervangend rechter in de politierechtbank (ibid.).

Dienaangaande kan in de memorie van toelichting bij de wet van 18 juli 1991 worden gelezen :

« Het is vanzelfsprekend dat de voorwaarden voor de toelating tot het ambt van plaatsvervangend rechter moeten worden versoepeld, zo niet kan de voorgestelde regeling de advocaten afschrikken die het te druk hebben met hun professionele verplichtingen. Een ontoereikend aantal plaatsvervangende rechters zou een negatieve invloed hebben op de achterstand bij het gerecht. Om diezelfde redenen van soepelheid wordt niet geëist dat de betrokkene voor het examen inzake beroepsbekwaamheid slaagt » (ibid., p. 18).

B.6. Bij de reeds vermelde wet van 22 december 1998, heeft de wetgever de objectivering van de wijze van benoeming en van bevordering van de magistraten willen versterken door onder meer artikel 259ter in het Gerechtelijk Wetboek in te voegen, dat voorziet in een gemeenschappelijk benoemingsstramien voor de werkende en plaatsvervangende magistraten (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1677/1, pp. 19 en 71).

Aldus worden vanaf de bekendmaking van de vacature gemotiveerde adviezen ingewonnen bij personen die zich in de beste positie lijken te bevinden om de professionele kwaliteiten van de kandidaat voor de benoeming in te schatten. Aldus worden het advies van de korpschef van het rechtscollege waar de benoeming moet plaatsvinden, dat van de korpschef van het rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is als magistraat, als plaatsvervangend magistraat, als referendaris of als parketjurist of als gerechtelijk stagiair, alsook het advies van een vertegenwoordiger van de balie die is aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als advocaat, hetzij als magistraat, vereist. Al die adviezen worden aan de minister van Justitie overgezonden en bij het dossier van de kandidaat gevoegd dat aan de bevoegde benoemingscommissie wordt overgezonden, die binnen de Hoge Raad voor de Justitie is opgericht. Na het horen van de betrokkenen draagt de commissie, bij een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, een kandidaat per vacante plaats voor, rekening houdend met zijn persoonlijkheid, zijn intellectuele en professionele capaciteiten en zijn bekwaamheid om het ambt uit te oefenen (ibid., pp. 68-69). De Koning beschikt dan over een termijn van zestig dagen om een beslissing te nemen en ze aan de commissie en aan de kandidaten mee te delen.

B.7. De wetgever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat, teneinde een behoorlijke rechtsbedeling te waarborgen, moest worden overgegaan tot de benoeming van plaatsvervangende rechters die, zoals in B.3.2 is vermeld, enkel zijn geroepen om zitting te nemen in geval van verhindering van de werkende rechters en enkel teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken. Hoewel de voorwaarden met betrekking tot de vereiste beroepsbekwaamheid en beroepservaring minder zijn voor de benoeming van de plaatsvervangende rechters, zou daaruit niet kunnen worden afgeleid dat zij een rechtspraak van ongelijke kwaliteit met zich meebrengen, waardoor een discriminatie tussen de rechtzoekenden wordt gecreëerd. Zoals in B.6 is uiteengezet, tonen de vele waarborgen die de voordracht van de kandidaturen voor die ambten omringen, gecombineerd met de in B.5 uiteengezette benoemingsvoorwaarden, aan dat de door de wetgever genomen maatregel redelijk is verantwoord.

De omstandigheid dat de plaatsvervangende rechters een kamer van de arbeidsrechtbank voorzitten, vermag die vaststelling niet te wijzigen. Zoals in B.3.1 is vermeld, zijn de andere kamers van die rechtbank, met uitzondering van die welke de geschillen dient te beslechten in de aangelegenheden met betrekking tot de collectieve schuldenregelingen, naast hun voorzitter, samengesteld uit rechters in sociale zaken die eveneens de rechtsprekende functie uitoefenen. Zoals in B.4.2 is vermeld, kunnen de plaatsvervangende rechters de rechtbank in elk geval niet als korpschef voorzitten.

Ten slotte dient eveneens te worden opgemerkt dat de vonnissen van de arbeidsrechtbank krachtens artikel 617, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vatbaar zijn voor hoger beroep bij het arbeidshof.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 190, 192 en 322, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 190, 192 en 322, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Eupen. Gerechtelijk recht

  • Rechtscolleges

  • Arbeidsgerechten

  • Arbeidsrechtbank

  • Samenstelling

  • Kamervoorzitter

  • Verhindering

  • Vervanging

  • 1. Werkend rechter

  • 2. Plaatsvervangend rechter.