- Arrest van 13 december 2012

13/12/2012 - 152/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

1. - Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter toestaat af te wijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers teneinde een gunstiger lot voor te behouden voor een schuldvordering van de FOD Financiën, schendt artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

- Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter niet toestaat af te wijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers teneinde een gunstiger lot voor te behouden voor een schuldvordering van de FOD Financiën, schendt artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

2. Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter verplicht het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers strikt in acht te nemen wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, schendt artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 9 december 2011 in zake M.H. en S.P. tegen de bvba « Primaphot » en anderen, in aanwezigheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Marchin, bemiddelaar, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 december 2011, heeft de Arbeidsrechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, en 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952, in de interpretatie dat de rechter, wanneer bijzondere omstandigheden dat verantwoorden, kan afwijken van het beginsel van gelijkheid van de schuldeisers wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, en dus soms een gunstiger lot kan voorbehouden voor bepaalde schuldeisers, met name de openbare schuldeisers, en in het bijzonder de FOD Financiën ?

2. Schendt artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, en 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952, in de interpretatie dat de rechter het beginsel van gelijkheid van de schuldeisers strikt in acht moet nemen wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, en dus nooit een gunstiger lot kan voorbehouden voor bepaalde schuldeisers, met name de openbare schuldeisers, en in het bijzonder de FOD Financiën, zelfs wanneer bijzondere omstandigheden dat verantwoorden ? ».

(...)

B.1. Artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« § 1. Onverminderd de toepassing van § 3, doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.

Tot de boedel behoren alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking, alsmede de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.

De gevolgen van de overdrachten van schuldvordering worden geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling. Op dezelfde wijze, behalve in geval van tegeldemaking van het vermogen, worden de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.

§ 2. Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom worden geschorst. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking.

Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel.

Ten aanzien van personen die een persoonlijke zekerheid hebben toegestaan om een schuld van de schuldenaar te waarborgen, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling.

Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding.

§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :

- enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;

- enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;

- zijn onvermogen te vergroten.

§ 4. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.

§ 5. Onverminderd de toepassing van artikel 1675/15 is iedere daad gesteld door de schuldenaar in weerwil van de gevolgen verbonden aan de beschikking van toelaatbaarheid niet tegenwerpbaar aan de schuldeisers.

§ 6. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op de ontvangst in het bestand van berichten van het bericht van collectieve schuldenregeling als bedoeld in artikel 1390quater ».

Artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder de volgende voorwaarden :

- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar. De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;

- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.

Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.

§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.

§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :

- de onderhoudsgelden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling;

- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;

- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.

§ 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling. Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk.

§ 5. Met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412, zonder dat de inkomsten waarover de verzoeker beschikt minder kunnen bedragen dan de bedragen bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

§ 6. Wanneer de rechter de regeling opstelt, moet hij toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen ».

B.2.1. De procedure van collectieve schuldenregeling is door de wetgever ingevoerd bij de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen (Belgisch Staatsblad, 31 juli 1998). Die procedure beoogt de financiële toestand van de schuldenaar met overmatige schuldenlast te herstellen, met name hem ertoe in staat te stellen, voor zover mogelijk, zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De financiële situatie van de persoon met overmatige schuldenlast wordt in kaart gebracht en de ongecontroleerde druk van de schuldeisers valt voor die persoon weg dankzij het optreden van een schuldbemiddelaar, die luidens artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek wordt aangewezen door de rechter die voorafgaandelijk uitspraak zal hebben gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling. De beschikking van toelaatbaarheid doet een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de intresten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg (artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek).

B.2.2. De wetgever had eveneens het evenwicht tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers voor ogen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 20). Zo beoogt de procedure te bewerkstelligen dat de schuldeisers geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 12).

B.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 5 juli 1998 blijkt overigens dat de kwijtschelding van de fiscale schulden werd besproken in het licht van de toepassing, in fiscale aangelegenheden, van het gelijkheidsbeginsel :

« [...] volgens [een parlementslid] raakt men hier aan de kern van de ontworpen regeling. Wat is namelijk het doel van dit wetsontwerp : een zo correct mogelijk antwoord verzekeren op de problematiek van de schuldenoverlast, welke ook de oorzaken ervan zijn. Fiscale schulden uitsluiten en zich daarbij steunen op de grondwettelijke gelijkheid der Belgen ten opzichte van de belasting betekent geen rekening houden met het feit dat dit verschil in dit geval resulteert enerzijds uit een aandachtig onderzoek van het doel van het ontwerp en anderzijds uit de rechten van schuldeisers.

De gelijkheid tussen de schuldeisers verbreken ten gunste van de Schatkist gaat in tegen de principes en de doelstellingen van dit wetsontwerp. Spreker besluit dat het niet uitzonderen van de fiscale schulden - zoals amendement nr. 15 beoogt - hier inderdaad ingaat tegen het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, maar het criterium van onderscheid is objectief en conform aan de doelstellingen van het wetsontwerp en bovendien is er hier sprake van een redelijk verband van evenredigheid tussen deze doelstellingen en de aangewende middelen » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, pp. 82-83).

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.4. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in de interpretatie dat de rechter, wanneer bijzondere omstandigheden dat verantwoorden, kan afwijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, en dus soms een gunstiger lot kan voorbehouden voor bepaalde schuldeisers, met name de openbare schuldeisers, en in het bijzonder de FOD Financiën.

B.5. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat voor de verwijzende rechter een vordering tot collectieve schuldenregeling is ingeleid en dat hij de modaliteiten moet vastleggen van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling op grond van artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek, die onder meer betrekking heeft op een aanzienlijke schuldvordering van de FOD Financiën. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.6. De Ministerraad is van mening dat de eerste prejudiciële vraag steunt op een verkeerde interpretatie van artikel 1675/7, § 3, die de verwijzende rechter eraan geeft. Volgens die bepaling mag de rechter enkel in het belang van de boedel afwijken van het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers bij het opstellen van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling. Zij kan in geen geval worden geïnterpreteerd in die zin dat de rechter een schuldeiser mag bevoorrechten zonder rekening te houden met het belang van de boedel en met het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers, enkel omdat het om de FOD Financiën gaat en omdat die een aanzienlijke schuld te vorderen heeft. In dat verband is alleen artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van toepassing, dat uitermate duidelijk is. De Ministerraad citeert, ter ondersteuning van zijn stelling, een arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 2001 (Arr. Cass, 2001, nr. 394).

B.7. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het van toepassing acht, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. De interpretatie van artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin dat het ten grondslag ligt aan het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, blijkt niet kennelijk verkeerd. Het Hof onderzoekt bijgevolg de in het geding zijnde bepaling in die interpretatie.

B.8. Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter toestaat om, in bijzondere omstandigheden, af te wijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers teneinde een gunstiger lot voor te behouden voor een schuldvordering van de FOD Financiën, is artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek niet pertinent in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel, zoals blijkt uit de in B.3 geciteerde parlementaire voorbereiding. Rekening houdend met het doel van maatschappelijke re-integratie van de schuldenaar, heeft de wetgever dus, inzake collectieve schuldenregeling, de fiscale schulden niet willen bevoorrechten. Overigens verzet artikel 172 van de Grondwet zich niet ertegen dat de wetgever voorziet in een kwijtschelding van de fiscale schulden in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling. In die interpretatie is artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

B.9. Het Hof wijst niettemin erop dat artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de rechter niet toestaat af te wijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers teneinde een gunstiger lot voor te behouden voor een schuldvordering van de FOD Financiën. In die interpretatie creëert dat artikel geen verschil in behandeling tussen schuldeisers, en is het bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.10. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, van artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1675/7, § 3, van hetzelfde Wetboek, in de interpretatie dat de rechter het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers strikt in acht moet nemen wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, en dus nooit een gunstiger lot kan voorbehouden voor de FOD Financiën, zelfs wanneer bijzondere omstandigheden dat verantwoorden.

B.11. Rekening houdend met het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers en met het doel van maatschappelijke re-integratie dat hij inzake collectieve schuldenregeling nastreeft, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet zonder redelijke verantwoording is.

B.12. Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter verplicht het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers strikt in acht te nemen wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, is artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

1. - Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter toestaat af te wijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers teneinde een gunstiger lot voor te behouden voor een schuldvordering van de FOD Financiën, schendt artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

- Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter niet toestaat af te wijken van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de schuldeisers teneinde een gunstiger lot voor te behouden voor een schuldvordering van de FOD Financiën, schendt artikel 1675/7, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

2. Geïnterpreteerd in die zin dat het de rechter verplicht het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers strikt in acht te nemen wanneer het erop aankomt over te gaan tot de uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel, schendt artikel 1675/13, § 1, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1675/7, § 3, en 1675/13, § 1, eerste lid, tweede streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hoei. Gerechtelijk recht

  • Collectieve schuldenregeling

  • Gerechtelijke aanzuiveringsregeling

  • Uitkering van de dividenden aan de schuldeisers van de boedel

  • Toepassing van het gelijkheidsbeginsel

  • Afwijking

  • Schuldvordering van de FOD Financiën.