- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - 164/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2004, vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de rechtspersonen zonder winstoogmerk en de stichtingen van openbaar nut die, naar analogie, zijn ontstaan uit een verrichting bedoeld in de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen, uitsluit.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels et P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 21 maart 2012 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen de stichting van openbaar nut « Charcot Stichting », in aanwezigheid van de vzw « Partena », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 maart 2012, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet [lees : programmawet (I)] van 24 december 2002, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 27 december 2004 en in de versie ervan die voorafgaat aan de wijziging aangebracht bij artikel 201 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen [lees : houdende diverse bepalingen (I)], de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het betekent dat het daarin bedoelde begrip rechtspersoon de rechtspersonen zonder winstoogmerk en de stichtingen van openbaar nut die, naar analogie, het resultaat zijn van een verrichting bedoeld in de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen, zoals een inbreng van een algemeenheid of een inbreng van een bedrijfstak, uitsluit, terwijl een dergelijke verrichting, wanneer zij betrekking heeft op een burgerlijke vennootschap of een handelsvennootschap, het voordeel van het behoud van de in afdeling 3, hoofdstuk 7 [lees : in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3] van dezelfde programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen van socialezekerheidsbijdragen enkel daaraan voorbehoudt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de programmawet van 27 december 2004, in de redactie zoals van kracht van 1 januari 2005 tot 31 december 2008. Artikel 353ter bepaalde :

« Kunnen er aanspraak op maken om verder te blijven genieten van de in dit hoofdstuk bedoelde doelgroepverminderingen, waarvan de preëxistente juridische structuur genoot, de volgende werkgevers :

1° de rechtspersoon die bewijst het resultaat te zijn van één van de verrichtingen bedoeld in artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen;

2° de rechtspersoon zonder winstoogmerk die bewijst dat zijn vermogen het resultaat is van de samenvoeging van de activa na vereffening van één of meerdere rechtspersonen zonder winstoogmerk, waarvan de algemene vergaderingen de wil hebben uitgedrukt om hun vermogen te bestemmen voor de oprichting van de voornoemde nieuwe rechtspersoon zonder winstoogmerk;

3° de rechtspersoon die bewijst dat hij de voortzetting is van de handelsactiviteit van een natuurlijk persoon die zijn handelsfonds heeft toegewezen aan de voornoemde rechtspersoon.

De inninginstelling van de sociale zekerheidsbijdragen bepaalt welke documenten voorgelegd dienen te worden om het bewijs bedoeld in vorig lid te leveren ».

B.1.2. Artikel 353ter van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals gewijzigd bij artikel 201 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) en van kracht sedert 1 januari 2009, bepaalt :

« Kunnen er aanspraak op maken om verder te blijven genieten van de in dit hoofdstuk bedoelde doelgroepverminderingen, waarvan de preëxistente juridische structuur genoot, de volgende werkgevers :

1° de rechtspersoon die de begunstigde is van een juridische herstructureringsoperatie zoals bepaald bij artikelen 671 tot 679 en 770 van het Wetboek van vennootschappen of die wijzigt naar een vennootschap met een sociaal oogmerk zoals bepaald door de artikelen 668 en 669 van hetzelfde Wetboek;

2° de rechtspersoon waarvan het patrimonium geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het netto actief na vereffening van één of meerdere morele personen zonder winstgevend doel;

3° de rechtspersoon die geniet van steun uitgevoerd door een fysiek persoon onder voorwaarden bepaald door artikel 768 van het Wetboek van vennootschappen.

Het organisme belast met het innen van de socialezekerheidsbijdragen wordt gelijkgesteld met een derde in verhouding tot een herstructureringsoperatie zoals bedoeld door het Wetboek van vennootschappen en deze operatie doet geen afbreuk aan de rechten van bovenvermelde organisme om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de bijdragenverminderingen voor doelgroepen vervuld zijn in hoofde van de rechtspersoon die de uiteindelijke begunstigde is ».

B.2.1. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, in de versie van vóór 1 januari 2009, aldus geïnterpreteerd dat het de voortzetting van de doelgroepverminderingen enkel voorbehoudt aan rechtspersonen die bewijzen het resultaat te zijn van een van de verrichtingen bedoeld in de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen, en dat met uitsluiting van verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen, die in dat Wetboek niet worden beoogd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

B.2.2. In haar memorie wijst de « Charcot Stichting » erop dat de parlementaire voorbereiding van artikel 353ter in de oorspronkelijke redactie ervan en de administratieve instructies van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan die bepaling een interpretatie geven die in strijd is met de duidelijke betekenis ervan en dat het die interpretatie is die het aan de toetsing van het Hof voorgelegde verschil in behandeling doet ontstaan.

Uit de bewoordingen van artikel 353ter, eerste lid, 1°, blijkt echter dat het die bepaling zelf is die, door te verwijzen naar de verrichtingen bedoeld in de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen, de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van haar toepassingsgebied uitsluit.

B.3.1. Artikel 353ter van de programmawet (I) van 24 december 2002 heeft betrekking op de « voortzetting van de doelgroepvermindering in geval van omzetting van de juridische structuur van de werkgever » (afdeling 3bis van titel IV, hoofdstuk 7, van de programmawet (I)).

De doelgroepvermindering is een maatregel aangenomen met het oog op het behoud van de tewerkstelling, waarvan de toepassing aan strikte voorwaarden is verbonden (zie de artikelen 335 en volgende van de programmawet (I) van 24 december 2002). Er zijn meerdere doelgroepverminderingen toegestaan, te weten voor de oudere werknemers, voor langdurig werkzoekenden, voor eerste aanwervingen, voor jonge werknemers, voor mentors, voor de collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek en voor de herstructureringen.

B.3.2. De wetswijziging van 27 december 2004 beoogde « te verduidelijken in welke gevallen de werkgevers die ofwel een wijziging van hun rechtspersoonlijkheid [hadden] ondergaan ofwel het resultaat [waren] van een bijzondere verrichting, [konden] blijven genieten van de bijdrageverminderingen waarvan de preëxistente juridische structuur genoot » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001 en 1438/001, p. 24). Het betrof onder meer « de fusies, splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen voor de handelsvennootschappen (verrichtingen bedoeld in artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van Vennootschappen) [en] de oprichting van een rechtspersoon zonder winstoogmerk naar aanleiding van de ontbinding en vereffening van andere rechtspersonen zonder winstoogmerk » (ibid., p. 24).

B.3.3. Dezelfde parlementaire voorbereiding wijst erop dat de wetgever zich heeft willen bekommeren om de rechtspersonen zonder winstoogmerk :

« Aangezien de omzetting van rechtspersonen zonder winstoogmerk niet geregeld is, bestaat er op dit moment voor een rechtspersoon zonder winstoogmerk die ontstaat uit twee andere rechtspersonen zonder winstoogmerk geen mogelijkheid om te genieten van de verminderingen verworven in hoofde van de ' gefusioneerde ' rechtspersonen. Dit is te verklaren door het feit dat deze laatsten ontbonden en vereffend zijn, terwijl er in het geval van handelsvennootschappen sprake is van ontbinding zonder vereffening, aangezien het vermogen (activa en passiva) overgedragen wordt aan de nieuwe entiteit » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001 en 1438/001, p. 26).

Door te onderstrepen dat het doel van de in het geding zijnde bepaling het behoud van sommige bijdrageverminderingen was, dat niet was verzekerd als gevolg van een verandering van werkgever, heeft de wetgever aangegeven dat hij « de situaties » wou beogen « van fusie, opslorping of omzetting van handelsvennootschappen, verenigingen zonder winstoogmerk en werkgevers die natuurlijke personen zijn, als hun rechtspersoonlijkheid gewijzigd is » (ibid., DOC 51-1437/025, p. 16).

B.4. Het komt de wetgever toe de categorieën van personen te bepalen die sommige verminderingen van de sociale bijdragen kunnen genieten. Wanneer hij daartoe criteria van onderscheid gebruikt, moeten die redelijk kunnen worden verantwoord.

B.5. Rekening houdend met die elementen, is het in het geding zijnde verschil in behandeling tussen handelsvennootschappen en rechtspersonen zonder winstoogmerk, zoals vzw's en stichtingen van openbaar nut, niet relevant ten opzichte van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen : ten aanzien van de sinds het in het leven roepen van de doelgroepverminderingen bij de wetgever bestaande bekommernis om de werkgelegenheid te bevorderen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/025, pp. 8 en 9) en in dat opzicht op te treden in de situaties waarin de werkgevers aan wie een vermindering van sociale bijdragen was toegekend, ophouden te bestaan, daarin inbegrepen wanneer die werkgever een vereniging zonder winstoogmerk is, bevinden de handelsvennootschappen die zijn ontstaan uit verrichtingen waarmee een in de artikelen 678 en 679 van het Wetboek van vennootschappen beoogde inbreng van een algemeenheid of van een bedrijfstak wordt gerealiseerd, en de verenigingen zonder winstoogmerk die zijn ontstaan uit analoge verrichtingen, zich immers niet in wezenlijk verschillende situaties.

B.6. Dat is des te meer het geval omdat, zoals de verwijzende rechter aangeeft, de in het geding zijnde bepaling is gewijzigd bij artikel 201 van de wet van 22 december 2008 teneinde precies die situaties op dezelfde voet te plaatsen :

« Commentaar bij 1°, nieuw eerste lid, primo en tertio. Om de tewerkstellingssubsidies te kunnen behouden wil de nieuwe tekst op dezelfde wijze alle morele personen behandelen : ondernemingen, verenigingen en publieke en private stichtingen. Door enkel te refereren naar de herstructureringsoperaties zoals bedoeld bij artikel 671 tot 679 van het Wetboek van Vennootschappen voorzag de wettelijke beschikking van 2002 stricto sensu enkel de ondernemingen, en niet de verenigingen en publieke en private stichtingen. In de praktijk stelt men vast dat de beschikkingen voorzien door artikelen 671 tot 679 naar analogie ook worden toegepast voor [een] vzw, dit met het oog op het vermijden van de liquidatie van de opgeslorpte vereniging en het ontstaan van een situatie van juridische discontinuïteit in alle relaties met derden : leveranciers, personeel, kredietorganismen en subsidiaire machten. Door het in positief recht toevoegen van een referentie naar de artikelen 768 en 770 van het Wetboek van Vennootschappen worden vanaf dat ogenblik ontegensprekelijk, naast de operaties tussen ondernemingen, operaties gedekt die uitgevoerd worden door een fysiek persoon (door verwijzing naar artikel 768) en door een vereniging of een stichting (door verwijzing naar artikel 770) » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, p. 135; in dezelfde zin, ibid., DOC 52-1608/012, p. 14).

B.7. Zoals de Ministerraad opmerkt, kan de doelgroepvermindering niet worden overgedragen of overgelaten aan een andere persoon dan diegene die ze geniet (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, p. 134). Vzw's en stichtingen konden oorspronkelijk hun vermogen, geheel of gedeeltelijk, zonder ontbinding niet overdragen zoals de artikelen 678 en 679 van het Wetboek van vennootschappen dat voor de vennootschappen bepalen, en bijgevolg, wat vzw's en stichtingen betreft, was bij de wet niet voorzien in de continuïteit van de rechtspersoon, waarvan het behoud van de doelgroepverminderingen bij de wet van 27 december 2004 afhankelijk was gesteld.

Ten slotte werden die verrichtingen van overdracht zonder ontbinding voor alle rechtspersonen toegestaan bij de wet van 30 december 2009, die artikel 670 van het Wetboek van vennootschappen wijzigt teneinde de toepassing, naar analogie, van artikel 770 van hetzelfde Wetboek (dat verwijst naar de voormelde artikelen 678 en 679) op elke rechtspersoon die zich naar die bepaling voegt, mogelijk te maken.

B.8. De aanneming van de voormelde wet van 22 december 2008, die heeft plaatsgehad vóór de wijziging van artikel 670 van het Wetboek van vennootschappen bij de wet van 30 december 2009, toont evenwel aan dat de wetgever het niet noodzakelijk heeft geacht het voordeel bepaald bij de wet van 2008 afhankelijk te stellen van die wijziging, en dat hij, zoals het in B.6 weergegeven uittreksel uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2008 aangeeft, rekening heeft willen houden met de toepassing, naar analogie, van de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen op de herstructureringen van vzw's; die analogie werd gemaakt om de vereffening van de overgenomen vzw's en de situatie van juridische discontinuïteit die die vereffening impliceert, te vermijden. Het kan dus niet worden aanvaard dat die ontstentenis van continuïteit die bij de wet is gewaarborgd, het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoordt.

B.9. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

B.10. Aangezien de leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst en de in B.5 gemaakte vaststelling daarvan is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan die ongrondwettigheid.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2004, vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de rechtspersonen zonder winstoogmerk en de stichtingen van openbaar nut die, naar analogie, zijn ontstaan uit een verrichting bedoeld in de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen, uitsluit.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 353ter, eerste lid, 1°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingevoegd bij artikel 9 van de programmawet van 27 december 2004, in de versie ervan die voorafgaat aan de wijziging ervan bij artikel 201 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Financiering

  • Werkgever

  • Socialezekerheidsbijdragen

  • Doelgroepvermindering

  • Omzetting van de juridische structuur van de werkgever

  • Recht op het behoud van de doelgroepvermindering

  • 1. Rechtspersonen die bewijzen het resultaat te zijn van een van de verrichtingen bedoeld in de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen

  • 2. Rechtspersonen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut.