- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - 166/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 7bis, in samenhang gelezen met artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 25 mei 2012 in zake Nacer Lakabi, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juni 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7bis, in samenhang gelezen met artikel 12bis, § 1, 2°, [van het Wetboek van de Belgische nationaliteit], in de hypothese dat het buitenlandse meerderjarige kind van een Belgische ouder die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, werkelijke banden met die ouder heeft behouden en een verklaring van nationaliteit aflegt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het meerderjarige kind dat een verklaring van nationaliteit in België aflegt, er sinds meer dan drie maanden wettelijk moet verblijven, terwijl het meerderjarige kind dat zijn verklaring vanuit het buitenland aflegt, noodzakelijkerwijs aan die verblijfsvoorwaarde ontsnapt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 7bis, in samenhang gelezen met artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. De artikelen 7bis en 12bis, §§ 1 en 2, bepalen :

« Art. 7bis. § 1. Om een verzoek of een aanvraag tot het bekomen van de Belgische nationaliteit te kunnen indienen, moet de vreemdeling op het ogenblik van het indienen van dit verzoek of het afleggen van deze verklaring in wettelijk verblijf zijn.

§ 2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan, de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ».

« Art. 12bis. § 1. De Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt :

[...]

2° de vreemdeling van wie een ouder of adoptant de Belgische nationaliteit bezit op het tijdstip van de verklaring, voor zover de adoptie gevolgen heeft voordat de geadopteerde de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is vóór die leeftijd. Indien de aangever zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft, moet hij aantonen werkelijke banden met zijn Belgische ouder of adoptant te hebben bewaard en moet deze ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats in België hebben op het tijdstip van de verklaring;

[...]

§ 2. De verklaring wordt tegen ontvangstbewijs afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de aangever zijn hoofdverblijf heeft. Uiterlijk binnen de vijf werkdagen die volgen op deze verklaring, wordt zodra het dossier volledig is, een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, door de ambtenaar van de burgerlijke stand voor advies overgezonden aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.

Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift aan de dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat.

In het geval voorzien in § 1, 2°, en indien de aangever zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft, wordt zijn verklaring afgelegd voor het hoofd van de diplomatieke zending of de Belgische beroepsconsulaire post van deze hoofdverblijfplaats. Uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op deze verklaring, wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, door het hoofd van de diplomatieke zending of de beroepsconsulaire post van deze verblijfplaats voor advies overgezonden aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

[...] ».

B.2.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepalingen invoeren onder de vreemdelingen die een verklaring van nationaliteit afleggen, meerderjarig zijn en een ouder van Belgische nationaliteit hebben die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en met wie zij werkelijke banden hebben behouden, naargelang de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in België dan wel in het buitenland heeft : een vereiste van wettelijk verblijf zou alleen in het eerste geval gelden. Zoals de Ministerraad aangeeft, is het luidens de in het geding zijnde bepaling die deze vereiste oplegt, in tegenstelling tot wat uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt, niet noodzakelijk dat de vreemdeling sinds meer dan drie maanden wettelijk in België verblijft : zij vereist dat de vreemdeling de toelating of machtiging moet hebben om er meer dan drie maanden te verblijven of ertoe moet zijn gemachtigd zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

B.2.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, bevinden de twee in B.2.1 vermelde categorieën van vreemdelingen zich in vergelijkbare situaties, vermits de enen en de anderen de Belgische nationaliteit willen verkrijgen door de hoedanigheid van Belg van een van hun ouders of adoptanten aan te voeren.

B.3. Uit de bewoordingen van artikel 12bis, § 2, derde lid, en in het bijzonder uit de woorden « en indien de aangever zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft » blijkt dat de wetgever heeft overwogen dat de meerderjarige vreemdeling van wie een ouder of adoptant de Belgische nationaliteit heeft, een verklaring van nationaliteit kan afleggen op grond van artikel 12bis, § 1, 2°, waarbij hij zijn hoofdverblijfplaats ofwel in het buitenland, ofwel in België heeft.

B.4. Wanneer de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft, is de toekenning van de naturalisatie ondergeschikt aan de voorwaarden bepaald in artikel 12bis, § 1, 2°, tweede zin. Uit de bewoordingen van die bepaling kan worden afgeleid dat de daarin vervatte voorwaarden, die verband houden met de werkelijke banden die de vreemdeling met zijn ouder moet hebben behouden en met de hoofdverblijfplaats die die ouder in België moet hebben, niet gelden voor de vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft.

B.5. De vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, is daarentegen onderworpen aan de voorwaarde van wettelijk verblijf bepaald in artikel 7bis, dat een bepaling met algemene draagwijdte is die met name kan worden toegepast op de in artikel 12bis bepaalde gevallen (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/002, p. 595).

Bij de aanneming van de wet van 27 december 2006, die de artikelen 7bis en 12bis in het Wetboek van de Belgische nationaliteit respectievelijk heeft ingevoegd en gewijzigd, werd beklemtoond :

« Dit artikel [7bis] bepaalt dat het indienen van een verzoek tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit slechts door een vreemdeling kan gebeuren die wettig in België verblijft op het ogenblik dat hij deze aanvraag doet.

Het zou inderdaad paradoxaal zijn om het een persoon mogelijk te maken een aanvraag van Belgische nationaliteit in te dienen als deze - op het ogenblik van deze aanvraag - niet wettig verblijft op het grondgebied.

Er werd trouwens een definitie van het begrip wettig verblijf bepaald voor de toepassing van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit om komaf te maken met de interpretatieverschillen omtrent dit begrip » (ibid., DOC 51-2760/033, pp. 7 en 8).

De wetgever heeft daarmee een einde willen maken aan de controverses over de uiteenlopende interpretaties waarvan de begrippen « wettelijk verblijf » en « hoofdverblijfplaats » het voorwerp hadden uitgemaakt (ibid., DOC 51-2760/001, pp. 245, 247 en 248).

Door aldus de voorwaarden te preciseren waaronder het verblijf van de vreemdeling in België als wettelijk kan worden beschouwd, heeft de wetgever een vernieuwing ingevoerd door de mogelijkheid van een verklaring van nationaliteit open te stellen voor de vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft, rekening houdend met de beperkingen die eerder zijn aangebracht ten aanzien van de bepalingen met betrekking tot de gezinshereniging (ibid., DOC 51-2760/001, pp. 245 en 249, en DOC 51-2760/033, pp. 9 en 43). Daarmee heeft de wetgever de gelijkstelling mogelijk gemaakt van het « verblijf in het buitenland [...] met een verblijf in België, wanneer de belanghebbende bewijst een werkelijke band met België te hebben bewaard » (ibid., DOC 51-2760/033, p. 48; in dezelfde zin, DOC 51-2760/001, p. 251).

B.6. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de wetgever, wanneer hij de vreemdeling van wie een ouder Belg is en zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, heeft toegestaan de Belgische nationaliteit te verkrijgen, een relevante maatregel heeft genomen door een onderscheid te maken tussen de vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en die, net als de andere vreemdelingen die er hun verblijfplaats hebben en vragen om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, een wettelijke verblijfsvergunning moet hebben (artikel 7bis), en de vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft en die een werkelijke band met zijn ouder moet aantonen (artikel 12bis, § 1, 2°), waarbij het feit dat die vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning in België, in dat geval niet relevant is. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat het loutere bestaan van werkelijke banden met de Belgische ouder, wanneer de vreemdeling zijn aanvraag in België indient, hem niet ervan kon vrijstellen er een geldige verblijfsvergunning te hebben. Een dergelijke vereiste is niet onevenredig, daar de vreemdeling die vergunning alleen moet bezitten op het ogenblik van de indiening van de aanvraag (artikel 7bis, § 1) en aangezien de vreemdeling die niet daarover zou beschikken, die aanvraag kan indienen in het land waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 7bis, in samenhang gelezen met artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 7bis, in samenhang gelezen met artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Grondwettelijk recht

  • Nationaliteit

  • Procedure van nationaliteitsverklaring

  • Voorwaarden

  • Wettelijke verblijfsvergunning

  • 1. Vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft

  • 2. Vreemdeling die zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft.