- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - 158/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 15 december 2011 in zake Guy Califice tegen de Belgische Staat en in zake Josiane Marchoul tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 december 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 393, § 2, van het WIB 1992, dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie bekrachtigt, in zoverre het de ontvanger der directe belastingen in staat stelt om de vennoten van een cvoha te vervolgen tot invordering van haar belastingschulden enkel omdat artikel 352 van het Wetboek van vennootschappen ze hoofdelijk aansprakelijk maakt voor de betaling van de schulden van de cvoha, en om ze eenzijdig en automatisch te beschouwen als de belastingschuldigen van het gehele bedrag van de door de vennootschap verschuldigde belastingen, zonder verdere vorm van rechtsgeding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet alsook artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het algemene beginsel van inachtneming van de rechten van de verdediging, ook al beschikken zij over een recht van bezwaar tegen de aanslagen, terwijl het ' privilège du préalable ' de ontvanger niet toestaat zich een uitvoerbare titel tegen derden te bezorgen zonder uitdrukkelijke rechterlijke machtiging, terwijl het kohier slechts een uitvoerbare titel kan zijn ten aanzien van de personen die krachtens artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek erin worden genoemd, terwijl geen enkele tekst in het Burgerlijk Wetboek voorziet in zulk een neveneffect van de hoofdelijkheid in het nadeel van de hoofdelijke medeschuldenaars, terwijl alleen een gerechtelijke uitvoerbare titel die vooraf moet worden verkregen voor de burgerlijke rechter die tegelijk uitspraak zou doen over het beginsel van hoofdelijkheid van de vennoten, de vennoten een debat op tegenspraak zou kunnen waarborgen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging, van artikel 393, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992).

B.2. Het voormelde artikel 393 bepaalt :

« § 1. De belasting ingekohierd op naam van meerdere personen kan slechts ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun eigen inkomsten.

Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag te hunnen laste kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van dit Wetboek.

§ 2. Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen in de mate zij gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van dit Wetboek ».

B.3. Volgens de verwijzende rechter maakt de in het geding zijnde bepaling het de ontvanger der directe belastingen mogelijk de vennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (hierna : cvoa) te vervolgen tot invordering van de belastingschulden van die vennootschap « enkel omdat artikel 352 van het Wetboek van vennootschappen ze hoofdelijk aansprakelijk maakt voor de betaling van de schulden » van de vennootschap, terwijl het « privilège du préalable » de ontvanger niet toestaat zich een uitvoerbare titel tegen derden te bezorgen zonder uitdrukkelijke rechterlijke machtiging en terwijl krachtens artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek het kohier slechts een uitvoerbare titel kan zijn ten aanzien van de personen die daarin worden genoemd.

B.4. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing zou zijn op het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil.

B.5. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe de normen te bepalen die van toepassing zijn op het aan hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet kunnen worden toegepast op het geschil ten gronde, onderzoekt het Hof de grondwettigheid ervan niet.

B.6.1. Op grond van artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om kennis te nemen van de betwistingen in verband met de toepassing van een belastingwet.

B.6.2. Bij een arrest van 1 december 2005 (C.03.0030.N/2) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de betwistingen betreffende de invordering van de belasting geen betwistingen zijn betreffende de toepassing van een belastingwet in de zin van de voormelde bepaling, terwijl de beslagrechter op grond van de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd is voor de vorderingen inzake de middelen tot tenuitvoerlegging op de goederen van de schuldenaar.

B.7. Uit het vonnis gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, verwijzende rechter in de onderhavige zaak, blijkt dat die zich moet uitspreken over een betwisting betreffende twee beslissingen genomen door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Luik, waarmee hij de bezwaarschriften onontvankelijk heeft verklaard die de verzoekers voor de verwijzende rechter hadden ingediend tegen de bijzondere aanslag betreffende het aanslagjaar 2000 die is ingekohierd voor de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid waarvan de verzoekers leden-vennoten waren.

De betwisting die aan de verwijzende rechter is voorgelegd, betreft dus de toepassing van een belastingwet, waarvoor, zoals in B.6.1 is vermeld, de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is. Artikel 393, § 2, van het WIB 1992 betreft daarentegen de invordering van de belasting, hetgeen, zoals het Hof in B.6.2 heeft aangegeven, geen betwisting vormt betreffende de toepassing van een belastingwet en derhalve niet valt onder de bevoegdheid van die rechtbank.

B.8. De verwijzende rechter, in zoverre hij zich alleen moet uitspreken over een betwisting betreffende de toepassing van een belastingwet en niet bevoegd is om een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging op de goederen van de schuldenaars te beslechten, moet niet de norm toepassen waarover hij aan het Hof een vraag stelt. Het antwoord op de prejudiciële vraag heeft voor hem bijgevolg geen enkel nut.

B.9. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 393, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Vestiging en invordering

  • Vennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid. # Gerechtelijk recht

  • Bevoegdheid van de rechtscolleges

  • Betwistingen betreffende de invordering van de belasting.