- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - 160/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 3 augustus 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie oplegt.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 16 december 2011 in zake J.-C. M. tegen het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 januari 2012, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 3 augustus 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de regels die gelden in burgerlijke zaken toepasselijk maakt op de rechtspleging van het cassatieberoep dat ingesteld wordt tegen een tuchtrechtelijke beslissing die gewezen is door een kamer van beroep van een beroepsinstituut waarop die wet van toepassing is, zodat voornoemd cassatieberoep onder de toepassing valt van de artikelen 478, eerste lid, en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek die het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie opleggen terwijl een persoon die strafrechtelijk veroordeeld is, die verplichting niet heeft ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Het Hof van Cassatie stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 3 augustus 2007, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in tegenstelling met een strafrechtelijk veroordeelde persoon, de krachtens de in het geding zijnde wet tuchtrechtelijk veroordeelde persoon ertoe gehouden is zich voor het instellen van zijn voorziening in cassatie te onderwerpen aan de regels die van toepassing zijn in burgerlijke zaken, hetgeen het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie impliceert.

B.1.2. De aan het Hof voorgelegde vergelijking strekt zich dus niet uit tot de fiscale geschillen, waarbij een voorziening in cassatie in het algemeen kan worden ingesteld zonder het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie, noch tot de mogelijkheid voor de burgerlijke partij in een strafproces om cassatieberoep in te stellen zonder de bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie.

In tegenstelling tot wat de eisende partij betoogt, is bij het Hof evenmin de vraag aanhangig gemaakt van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de termijn voor het instellen van het cassatieberoep waarin is voorzien bij de in het geding zijnde bepaling.

B.2.1. Artikel 9, § 7, van de in het geding zijnde wet bepaalt :

« De door de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers in laatste aanleg gewezen beslissingen, de eindbeslissingen van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep kunnen door de betrokkenen of door de voorzitter van de Nationale Raad samen met een rechtskundig assessor voor het Hof van cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

Het staat de procureur-generaal bij het Hof van cassatie vrij zich bij dit Hof van cassatie te voorzien in het belang van de wet.

In geval van cassatie wordt de zaak verwezen naar de anders samengestelde kamer of kamers. Deze schikken zich naar de beslissing van het Hof van cassatie op de door dit Hof beoordeelde rechtspunten.

De rechtspleging van voorziening in cassatie wordt geregeld zoals in burgerlijke zaken; de termijn voor het instellen van de voorziening is één maand te rekenen vanaf de betekening van de beslissing ».

B.2.2. Artikel 478, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Voor het Hof van Cassatie kunnen in burgerlijke zaken alleen advocaten optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren. De voorgaande bepaling geldt niet voor de burgerlijke partij in strafzaken. Het aantal advocaten wordt, na advies van het Hof van Cassatie, bepaald door de Koning, die hen benoemt uit een lijst van drie kandidaten, voorgesteld door de commissie bedoeld bij artikel 478bis ».

B.2.3. Artikel 1080 van hetzelfde Wetboek bepaalt in verband met het verzoekschrift waarmee de voorziening in cassatie wordt ingesteld :

« Het verzoekschrift, dat zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend, bevat de uiteenzetting van de middelen van de eiser, zijn conclusie en de vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, een en ander op straffe van nietigheid ».

B.3.1. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 5 van de wet van 15 juli 1985 « tot wijziging van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen ».

B.3.2. Zoals bepaald in artikel 8 van de kaderwet van 1 maart 1976, bestond het beroep dat met name tegen de tuchtbeslissingen van de kamers van beroep van een beroepsinstituut openstond, in een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 15 juli 1985 diende de Regering echter een amendement in teneinde de wettigheidstoetsing van die beslissingen aan het Hof van Cassatie toe te vertrouwen. De Regering stelde :

« De wettigheidstoetsing van de beslissingen van de kamers van beroep en van de beroepsinstituten staat aan het Hof van Cassatie.

De aard van het recht van de belanghebbenden eist immers de bevoegdheid van de rechterlijke overheden.

[...]

De tussenkomst van het Hof van Cassatie is ter zake traditioneel : zij is voorzien in de meerderheid van de wetten tot regeling van de uitoefening van vrije beroepen.

Het Hof heeft op dit gebied een samenhangende rechtspraak in het leven geroepen; het zou uit het oogpunt van rechtszekerheid weinig opportuun zijn ze in gevaar te brengen » (Parl. St., Senaat, 1983-1984, nr. 667/2, pp. 25-26).

Het amendement bepaalde eveneens dat de procedure van voorziening in cassatie wordt geregeld zoals in burgerlijke zaken.

B.3.3. Dat amendement is artikel 8, § 6, van de kaderwet van 1 maart 1976 en vervolgens artikel 9, § 7, van de in het geding zijnde wet geworden.

B.4.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.4.2. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens verzuim van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vragen van een beslissing gewezen in laatste aanleg.

B.4.3. Wanneer de wetgever, zoals met de in het geding zijnde bepaling, in de mogelijkheid voorziet om cassatieberoep in te stellen tegen de tuchtbeslissingen van een kamer van beroep van een beroepsinstituut, dan is hij niet verplicht om het instellen van dat cassatieberoep te onderwerpen aan dezelfde ontvankelijkheidsvoorwaarden als het instellen van een cassatieberoep in strafzaken.

Die ontvankelijkheidsvoorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht om in tuchtzaken cassatieberoep in te stellen op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Er is derhalve vereist dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden niet leiden tot een onevenredige beperking van de bij de wet aan de partijen toegekende mogelijkheid om in tuchtzaken cassatieberoep in te stellen.

B.5.1. Doordat de wetgever de verplichting oplegt om een beroep te doen op het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie teneinde op geldige wijze een voorziening in cassatie te kunnen instellen tegen een tuchtbeslissing gewezen door een kamer van beroep van een beroepsinstituut, heeft hij een maatregel genomen die in verband staat met de wettige doelstelling die erin bestaat zowel een toevloed van kennelijk niet-gegronde beroepen te verhinderen als, vanuit de zorg om de belangen van de rechtzoekende en de goede werking van de justitie, een hoge kwaliteit van de bij het Hof van Cassatie neergelegde proceduregeschriften te waarborgen.

B.5.2. De verplichting om een beroep te doen op een advocaat die is ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie teneinde een voorziening in tuchtzaken in te stellen, kan worden verantwoord zowel door het buitengewone karakter als door de specifieke draagwijdte en de bijzondere gevolgen van dat rechtsmiddel.

B.6. Gezien hetgeen is uiteengezet in B.5, kan het feit dat een tuchtrechtelijk veroordeelde persoon, naar het voorbeeld van de cassatieprocedure in burgerlijke zaken doch in tegenstelling tot de strafrechtelijk veroordeelde persoon, voor het indienen van een voorziening in cassatie een beroep moet doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie, redelijkerwijs niet worden geacht de rechten van die partij op onevenredige wijze te beperken.

Dat is des te meer het geval nu de wetgever een procedure van rechtsbijstand bij het Hof van Cassatie heeft opgezet teneinde te vermijden dat het verplichte optreden van een advocaat die is ingeschreven bij de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie, voor de tuchtrechtelijk veroordeelde persoon een onoverkomelijke of overdreven moeilijk te dragen financiële hinderpaal vormt.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 3 augustus 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie oplegt.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 9, § 7, vierde lid, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 3 augustus 2007, gesteld door het Hof van Cassatie. Gerechtelijk recht

  • Burgerlijke rechtspleging

  • Rechtsmiddelen

  • Voorziening in cassatie

  • Optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie

  • 1. Strafrechtelijk veroordeelde persoon

  • 2. Tuchtrechtelijk veroordeelde persoon door een kamer van beroep van een beroepsinstituut. # Economisch recht

  • Beroepen

  • Toegang tot het beroep

  • Dienstverlenende intellectuele beroepen.