- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - 161/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

- Artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 20 december 2011 in zake de nv « Tessenderlo Chemie » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 januari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin uitgelegd dat zij doelt op geldelijke sancties op basis van (al dan niet bijzondere) strafwetgeving, doch niet op administratieve geldboeten, die hun oorsprong vinden in bepalingen van administratieve aard, met name boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens Verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de straffen opgelegd door een strafwet niet en de bedoelde administratieve sancties wegens inbreuken op de communautaire mededingingsregels wel kunnen worden afgetrokken van de beroepsinkomsten van de belastingplichtige ?

2. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin uitgelegd dat zij doelt op straffen in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden zonder onderscheid naar gelang zij al dan niet hun oorsprong vinden in bepalingen van (al dan niet bijzonder) strafrecht naar Belgisch recht dan wel bepalingen van administratieve aard, met name boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens Verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Wat de in het geding zijnde bepaling betreft

B.1.1. Artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) bepaalt :

« Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.

[...] ».

B.1.2. Artikel 24, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt :

« Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer :

1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ».

B.1.3. Artikel 53, 6°, van het WIB 1992 bepaalt :

« Als beroepskosten worden niet aangemerkt :

[...]

6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30 ».

B.1.4. Uit de combinatie van de voormelde bepalingen vloeit voort dat voorzieningen niet worden vrijgesteld of uit de winst gesloten wanneer ze zijn aangelegd met het oog op de betaling van geldboeten in de zin van artikel 53, 6°, van het WIB 1992, vermits die geldboeten niet aftrekbaar zijn als beroepskosten.

Wat de ontvankelijkheid van de tussenkomsten betreft

B.2.1. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt :

« Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ».

B.2.2. Om overeenkomstig het voormelde artikel 87, § 1, van een belang te doen blijken, dienen personen die in een prejudiciële procedure wensen tussen te komen, in hun memorie voldoende elementen aan te reiken die aannemelijk maken dat het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen een rechtstreekse weerslag kan hebben op hun persoonlijke situatie.

B.2.3. De nv « Schindler » zet uiteen dat zij, net als de eisende partij voor de verwijzende rechter, bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel beroep heeft ingesteld tegen de jegens haar gevestigde aanslag in de vennootschapsbelasting omdat de belastingadministratie de voorzieningen die zij in 2006 heeft aangelegd om een Europese kartelboete te betalen, als belastbaar beschouwt.

Aldus doet de nv « Schindler » blijken van een voldoende belang om tussen te komen.

B.2.4.1. De Europese Commissie verwijst, enerzijds, naar artikel 15, lid 3, van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 « betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het [EG-]Verdrag [thans de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie] » (hierna : de verordening nr. 1/2003) en voert, anderzijds, aan dat het antwoord op de prejudiciële vragen de doeltreffendheid kan beïnvloeden van de sancties die zij oplegt voor overtredingen van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna : VWEU).

B.2.4.2. Overweging 21 van de verordening nr. 1/2003 luidt :

« Een samenhangende toepassing van de mededingingsregels vereist ook een regeling van de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten en de Commissie. Dit geldt voor alle rechterlijke instanties van de lidstaten die de artikelen 81 en 82 van het Verdrag toepassen, ongeacht of zij dit doen in rechtszaken tussen particulieren, als openbare handhavingsinstanties of als beroepsinstanties. Met name moeten de nationale rechterlijke instanties de mogelijkheid hebben zich tot de Commissie te wenden om inlichtingen of adviezen over de toepassing van het communautaire mededingingsrecht te verkrijgen. Anderzijds moeten de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid hebben schriftelijke of mondelinge opmerkingen voor de nationale rechterlijke instanties te maken, wanneer hun verzocht wordt artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag toe te passen. Deze opmerkingen moeten worden ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, waaronder die welke de rechten van de partijen vrijwaren. Te dien einde moet ervoor worden gezorgd dat de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten over voldoende gegevens inzake de voor de nationale rechterlijke instanties gevoerde procedures kunnen beschikken ».

B.2.4.3. Artikel 15, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt :

« De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij voor de nationale rechterlijke instanties in hun lidstaat ook mondelinge opmerkingen maken. Indien de coherente toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, schriftelijke opmerkingen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten indienen. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.

[...] ».

B.2.4.4. In antwoord op de vraag of de Europese Commissie op grond van voormelde bepaling bevoegd is om uit eigen beweging schriftelijke opmerkingen bij een nationale rechterlijke instantie in te dienen in het kader van een procedure die betrekking heeft op de volledige of gedeeltelijke aftrekbaarheid van de belastbare winst, van een door de Commissie wegens schending van de artikelen 81 of 82 van het EG-Verdrag (thans de artikelen 101 en 102 van het VWEU) opgelegde geldboete, heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld :

« 26. Ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen enerzijds [de] rechterlijke instanties [van de lidstaten] de Commissie verzoeken inlichtingen waarover zij beschikt, of haar advies betreffende de toepassing van de communautaire mededingingsregels, aan hen te bezorgen. Artikel 15, lid 2, ervan bepaalt anderzijds dat de lidstaten de Commissie een afschrift toezenden van schriftelijke beslissingen van nationale rechterlijke instanties met betrekking tot de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG.

27. Ingevolge artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin, van verordening nr. 1/2003 kunnen de mededingingsautoriteiten van de lidstaten eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge, opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG. Ingevolge de derde en de vierde zin van deze bepaling kan eveneens de Commissie eigener beweging schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge, opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten, indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG zulks vereist.

28. Artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 ziet dus op twee verschillende vormen van indiening van opmerkingen, met een verschillende werkingssfeer : indiening van opmerkingen door de nationale mededingingsautoriteiten, voor de rechterlijke instanties in hun respectieve lidstaten, betreffende onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG, en indiening van opmerkingen door de Commissie, voor de rechterlijke instanties van de lidstaten, indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG zulks vereist.

29. De vier zinnen van deze alinea, en vooral het feit dat de tweede en de vierde zin ervan nagenoeg identiek zijn, onderstrepen dat de communautaire wetgever deze twee situaties, ofschoon in dezelfde alinea genoemd, van elkaar wilde scheiden.

30. Een letterlijke uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 leidt bijgevolg tot de zienswijze dat de Commissie uit eigen beweging bij de rechterlijke instanties van de lidstaten uitsluitend schriftelijke opmerkingen kan indienen indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of 82 EG zulks vereist. Deze voorwaarde kan zelfs worden vervuld in gevallen waarin de betrokken procedure niet onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 of 82 van het Verdrag betreft » (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst tegen X BV, punten 26-30).

Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de Commissie vermag schriftelijke opmerkingen in te dienen bij de rechterlijke instanties van een lidstaat indien de coherente toepassing van de artikelen 101 of 102 van het VWEU dat vereist, zelfs indien de rechterlijke instantie in kwestie die bepalingen niet toepast.

B.2.4.5. Het Hof van Justitie overweegt nog dat, in zoverre de uitkomst van een geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van de door de communautaire mededingingsautoriteit opgelegde sanctie, artikel 15, lid 3, van de verordening nr. 1/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de Commissie op grond van die bepaling bevoegd is om uit eigen beweging bij een rechterlijke instantie van een lidstaat schriftelijke opmerkingen in te dienen in een procedure die betrekking heeft op de volledige of gedeeltelijke aftrekbaarheid, van de belastbare winst, van een door haar wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete (ibid., punten 39-40).

B.2.4.6. Vermits te dezen de aftrekbaarheid van een door de Commissie wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete in het geding is, doet de Commissie blijken van een voldoende belang om tussen te komen.

Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft

B.3.1. De nv « Tessenderlo Chemie », eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, voert aan dat de prejudiciële vragen onontvankelijk zijn, enerzijds, omdat beide vragen onduidelijk zouden zijn en, anderzijds, omdat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag niet nuttig zou zijn voor het oplossen van het bodemgeschil.

B.3.2. Uit de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre voorzieningen voor een strafrechtelijke geldboete fiscaal niet aftrekbaar zijn en voorzieningen voor een administratieve geldboete fiscaal aftrekbaar (eerste prejudiciële vraag), dan wel fiscaal niet aftrekbaar (tweede prejudiciële vraag) zijn. Bijgevolg bevatten de prejudiciële vragen de vereiste elementen opdat het Hof zich erover kan uitspreken.

B.3.3.1. In beginsel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe na te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.3.3.2. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege betreft de fiscale aftrek van voorzieningen om een administratieve geldboete, namelijk een door de Europese Commissie wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete, te betalen. In tegenstelling tot wat de nv « Tessenderlo Chemie » beweert, behoeft de tweede prejudiciële vraag een antwoord voor het oplossen van het geschil dat voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is.

B.3.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.4. De aan het Hof gestelde prejudiciële vragen betreffen de fiscale aftrekbaarheid van voorzieningen voor administratieve geldboeten. Uit die vragen en uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op voorzieningen voor een door de Europese Commissie wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

Wat de eerste prejudiciële vraag betreft

B.5. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat zij betrekking heeft op strafrechtelijke geldboeten, doch niet op boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het VWEU.

B.6.1. Volgens de Ministerraad behoeft de eerste prejudiciële vraag geen antwoord, aangezien ze uitgaat van een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling.

B.6.2. In dat verband vraagt de Ministerraad, alsook de Europese Commissie, dat het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zou stellen indien het van mening zou zijn dat in die interpretatie twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het VWEU.

B.7. Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21).

B.8. Bijgevolg dient het Hof eerst na te gaan of de in het geding zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie en of het zich eraan kan onttrekken een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen om reden dat dat Hof de bepaling van het Unierecht die te dezen moet worden toegepast, reeds heeft uitgelegd.

B.9.1. Luidens artikel 101 van het VWEU zijn verboden « alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst ». Artikel 102 van het VWEU verbiedt dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed.

B.9.2. Voor de toepassing van die bepalingen stelt de Raad verordeningen of richtlijnen vast die met name tot doel hebben de « nakoming van de in artikel 101, lid 1, en in artikel 102 bedoelde verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en dwangsommen » (artikel 103, lid 2, onder a), van het VWEU).

B.9.3. Ter uitvoering hiervan bepaalt artikel 23 van de verordening nr. 1/2003 :

« 1. De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid :

a) in antwoord op een verzoek overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, lid 2, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken;

b) in antwoord op een verzoek bij een beschikking overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, lid 3, onvolledige, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken, dan wel de inlichtingen niet verstrekken binnen de vastgestelde termijn;

c) tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 20 geen volledige inzage geven in de daartoe gevraagde boeken of andere bescheiden in verband met het bedrijf, dan wel zich niet aan een overeenkomstig artikel 20, lid 4, bij beschikking gelaste inspectie onderwerpen;

d) in antwoord op een overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder e), gestelde vraag

- een onjuist of misleidend antwoord geven, dan wel

- nalaten binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een door een personeelslid gegeven onjuist, onvolledig of misleidend antwoord te corrigeren, of

- nalaten of weigeren een volledig antwoord te geven met betrekking tot feiten in verband met het voorwerp en het doel van een inspectie waartoe opdracht is gegeven bij wege van een beschikking overeenkomstig artikel 20, lid 4;

e) zegels die door de door de Commissie gemachtigde functionarissen of andere begeleidende personen overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder d), zijn aangebracht, verbreken.

2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid :

a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag; of

b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of

c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een verbindend karakter is verleend, niet nakomen.

Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald.

Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10 % van de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt.

3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.

4. Wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd rekening houdend met de totale omzet van haar leden en deze vereniging insolvent is, is de vereniging verplicht om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te kunnen betalen.

Wanneer die bijdragen niet binnen een door de Commissie vastgestelde termijn aan de vereniging zijn betaald, kan de Commissie elke onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de betrokken besluitvormende organen van de vereniging, rechtstreeks tot betaling van de boete aanspreken.

Nadat de Commissie betaling heeft geëist op grond van de tweede alinea, kan de Commissie, indien dat nodig is om de volledige betaling van de boete te waarborgen elk lid van de vereniging dat actief was op de markt waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden, tot betaling van het saldo aanspreken.

De Commissie mag echter geen betaling uit hoofde van de tweede en derde alinea eisen van ondernemingen die aantonen dat zij de inbreukmakende beslissing van de vereniging niet hebben uitgevoerd en hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij er actief afstand van hebben genomen vóór de aanvang van het onderzoek van de Commissie naar de zaak.

De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking tot de betaling van de boete bedraagt niet meer dan 10 % van haar totale omzet in het vorige boekjaar.

5. De op grond van lid 1 of lid 2 gegeven beschikkingen hebben geen strafrechtelijk karakter ».

B.10.1. Volgens de Europese Commissie omvat haar taak « niet alleen de verplichting om individuele inbreuken op te sporen en te bestraffen, maar ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop is gericht om op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen » (Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd, PB C 210 van 1 september 2006, p. 2, punt 4). Het bedrag van de geldboete moet « op een zodanig niveau worden gesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat, niet alleen om de betrokken ondernemingen te bestraffen (specifieke afschrikkende werking), maar ook om andere ondernemingen ervan te weerhouden over te gaan tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 en 82 van het Verdrag of dergelijke gedragingen voort te zetten (algemene afschrikkende werking) » (ibid.).

B.10.2. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de door de Europese Commissie opgelegde geldboeten tot doel hebben « onwettige handelingen van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel die ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de communautaire mededingingsregels te schenden » (HvJ, 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko KK t. Commissie, punt 16).

B.11. Wat de fiscale aftrekbaarheid van de door de Europese Commissie opgelegde geldboeten betreft, heeft het Hof van Justitie in het voormelde arrest van 11 juni 2009 het volgende geoordeeld :

« 35. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is één van de middelen die de Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen (zie in die zin arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 105, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C-76/06 P, Jurispr. blz. I-4405, punt 22).

36. Zou het principiële verbod van mededingingsverstorende praktijken worden losgekoppeld van de voor niet-eerbiediging hiervan voorziene sancties, dan zou dus de doeltreffendheid worden ontnomen aan het handelen van de autoriteiten die zijn belast met het toezicht op de naleving van dit verbod en met het opleggen van sancties voor dergelijke praktijken. De artikelen 81 EG en 82 EG zouden dus onwerkzaam zijn indien zij niet met de in artikel 83, lid 2, sub a, EG voorziene dwangmaatregelen gepaard zouden gaan. Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft uiteengezet, bestaat er tussen de geldboeten en de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG een wezenlijk verband.

37. De doeltreffendheid van de krachtens artikel 83, lid 2, sub a, EG door de nationale of communautaire mededingingsautoriteiten opgelegde sancties is dus een voorwaarde voor de coherente toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG.

38. In het kader van een procedure betreffende in artikel 83, lid 2, sub a, EG voorziene sancties op het gebied van mededingingsverstorende praktijken, kan de beslissing die moet worden genomen door de rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is, raken aan de doeltreffendheid van deze sancties, en dreigt die dus de coherente toepassing van de artikelen 81 EG of 82 EG te ondermijnen.

39. In de omstandigheden van het hoofdgeding is het duidelijk dat de uitkomst van het geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een gedeelte van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van de door de communautaire mededingingsautoriteit opgelegde sanctie. De beschikking van de Commissie waarbij zij aan een vennootschap een geldboete heeft opgelegd, zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten indien deze boete voor de betrokken vennootschap, althans voor een aan haar gelieerde vennootschap, volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou zijn van haar belastbare winst, aangezien een dergelijke mogelijkheid tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd » (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst tegen X BV, punten 35-39).

B.12. Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie heeft eveneens geoordeeld :

« 368. Verzoekster verklaart, dat zij de boete van 19,3 miljoen DM moet betalen uit haar winst na belasting. Daardoor vormt die boete voor de bedrijfsresultaten van de onderneming in feite een last van ongeveer 55 miljoen DM; die komen bovenop het verlies van 250 miljoen DM dat verzoekster in de polypropyleensector heeft geleden.

369. Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete ongetwijfeld rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die geldboete uit de winst na belasting moest worden betaald. Indien de boete uit de winst vóór belasting moest worden betaald, zou in feite een deel van de boete zijn gedragen door de Lid-Staat waaronder de onderneming fiscaalrechtelijk ressorteert, aangezien daardoor voor de onderneming de maatstaf van heffing zou zijn verminderd. Bij de vaststelling van het bedrag van de aan Hoechst opgelegde geldboete kan de Commissie evenwel onmogelijk van die hypothese zijn uitgegaan » (Ger., 10 maart 1992, T-10/89, Hoechst AG t. Commissie, Jur., 1992, p. II-629, punten 368-369).

B.13. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten zowel een bestraffend als een afschrikkend doel hebben. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie kan de mogelijkheid om die geldboeten fiscaal af te trekken raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, in zoverre ze tot gevolg heeft dat de onderneming in kwestie de financiële last van de geldboete ten dele kan afwentelen op de lidstaat. Op dat punt laat de voormelde rechtspraak bij het Hof geen twijfel bestaan over de interpretatie van het op de zaak van toepassing zijnde Unierecht die zou vereisen dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt gesteld, zoals de Ministerraad en de Europese Commissie vragen.

B.14.1. Artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : VEU) bepaalt :

« Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.

[...] ».

Die bepaling, die voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de lidstaten geldt, dus ook - in het kader van hun bevoegdheden - voor de rechterlijke instanties, verplicht de nationale rechter om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ, 27 oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich t. CEZ as, punt 138). De nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is verplicht zorg te dragen voor de volle werking van die normen, en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing te laten (HvJ, 22 juni 2010, C-188/10 en C-189/10, Melki en Abdeli, punt 43).

B.14.2. Krachtens de voormelde bepaling van het VEU dienen de lidstaten van de Europese Unie zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. De mogelijkheid om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, zou een dergelijke maatregel zijn. Bijgevolg is die mogelijkheid niet verenigbaar met het Unierecht.

B.14.3. De in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg aldus te worden geïnterpreteerd dat de geldboeten die de Europese Commissie oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, niet aftrekbaar zijn als beroepskosten.

B.15. Vermits de in het geding zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter in de eerste prejudiciële vraag, niet bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie, behoeft die vraag geen antwoord.

Wat de tweede prejudiciële vraag betreft

B.16. Met de tweede prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat zij betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met inbegrip van boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar zouden zijn.

In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden behandeld : enerzijds, de belastingplichtigen aan wie de Europese Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt.

B.17. Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

B.18. Om de in B.13 en B.14 uiteengezette redenen, zou de mogelijkheid om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zijn met het Unierecht.

B.19. Aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, is het redelijk verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten.

B.20. Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, in zoverre zij de twee in B.16 vermelde categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze behandelt, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.21. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

- Artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Personenbelasting

  • Beroepsinkomsten

  • Niet-aftrekbare beroepskosten

  • 1. Strafrechtelijke geldboeten

  • 2. Door de Europese Commissie opgelegde kartelboeten.