- Arrest van 17 januari 2013

17/01/2013 - 1/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 216.966 van 20 december 2011 in zake P.D. tegen de politiezone Seraing-Neupré, tussenkomende partij : de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 december 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het met betrekking tot de termijn voor het instellen van een verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad niet erin voorziet dat de vervaldag wordt verplaatst op de eerstvolgende werkdag indien die vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, zodanig dat sommige personeelsleden die zulk een verzoek indienen over een kortere termijn beschikken dan de anderen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 « houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten » in zoverre het, met betrekking tot de termijn voor het instellen van een verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad, niet erin voorziet dat de vervaldag wordt verplaatst tot de eerstvolgende werkdag indien die vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is.

B.2. Het voormelde artikel 51bis bepaalt :

« Het personeelslid aan wie een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan tegen deze beslissing een verzoek tot heroverweging instellen bij een ter post aangetekend schrijven gericht aan de tuchtraad binnen tien dagen na de in artikel 38sexies, eerste lid, bedoelde kennisgeving. Een kopie wordt door de tuchtraad aan de betrokken hogere tuchtoverheid toegezonden ».

Dit artikel 38sexies, eerste lid, bepaalt :

« Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen ».

B.3. Volgens de verwijzende rechter zou het in het geding zijnde artikel 51bis op onevenredige wijze afbreuk kunnen doen aan de rechten van verdediging van het personeelslid voor wie de laatste nuttige dag van de termijn voor het instellen van een verzoek tot heroverweging voor de tuchtraad een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, en dat bijgevolg over een kortere termijn beschikt dan het personeelslid voor wie de laatste nuttige dag van de termijn een werkdag is.

Het Hof doet te dezen geen uitspraak over de algemene problematiek van de berekening van de termijnen bij administratieve beroepen, maar beperkt zijn onderzoek tot het geval van de berekening van de termijnen in tuchtzaken, in zoverre de rechten van verdediging van het betrokken personeelslid in het geding zijn.

B.4.1. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De in dit wetboek gestelde regels zijn van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek ».

Daaruit volgt dat de in het Gerechtelijk Wetboek gestelde regels het gemeen recht van de rechtspleging kunnen vormen en in voorkomend geval op suppletieve wijze kunnen worden toegepast op een bepaalde rechtspleging die, zoals te dezen, tot de aangelegenheid van tuchtzaken behoort, behalve wanneer die regels worden tegengesproken of wanneer de rechtspleging anders wordt geregeld, ofwel door een vroegere, niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepaling, ofwel door een latere wetsbepaling (Cass., 1 februari 2001, Arr. Cass., 2001, nr. 64; 12 juni 2009, Arr. Cass., 2009, nr. 399).

B.4.2. Wat betreft de regels voor de berekening van de termijnen, bepaalt artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek dat, wanneer de vervaldag van een termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, de vervaldag wordt verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

Zoals de verwijzende rechter doet opmerken, zijn de bij het voormelde artikel 53 bepaalde regels voor de berekening van de termijnen, overeenkomstig artikel 48 van hetzelfde Wetboek, enkel van toepassing op de proceshandelingen, zijnde de handelingen die in het kader van een jurisdictionele procedure, onder toezicht van een met eigenlijke rechtspraak belast orgaan, zijn verricht (Cass., 28 april 1988, Arr. Cass., 1988, nr. 527; RvSt, Wellens, 13 januari 2009, nr. 189.445).

Het Hof van Cassatie heeft bovendien geoordeeld dat de regel vervat in artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek geen algemeen rechtsbeginsel vormt (Cass., 10 oktober 1985, Arr. Cass., 1985-1986, nr. 82).

B.5. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 mei 2001 waarbij de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten werd gewijzigd door de invoeging van, onder meer, de in het geding zijnde bepaling, blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken zich ertoe verbonden had besprekingen te voeren met het oog op de wijziging van de wet van 13 mei 1999, rekening houdend met verschillende denkpistes, waaronder de aanpassing van de tuchtstraffen, de mogelijkheid die de betrokkene wordt geboden om mondeling te worden gehoord, het instellen van een beroepsprocedure, de invoering van een stelsel voor de herziening van de straffen, de aanmaak van een gegevensbank voor tuchtrechtspraak en, ten slotte, de aanpassing van artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 om de hogere tuchtoverheid wat meer bewegingsvrijheid te bieden (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1173/001, p. 4).

De wetgever heeft in dat kader de procedure voor de hogere tuchtoverheid herzien door de invoeging van de artikelen 38bis tot 38sexies in de wet van 13 mei 1999. Die maatregel werd als volgt verantwoord :

« Het ontwerp tot wijziging van artikel 38 van dezelfde wet en tot invoeging van de artikelen 38bis tot 38sexies vormt de basis van de nieuwe procedure voor de hogere tuchtoverheid. Hoewel in de wet van 13 mei 1999 de hogere tuchtoverheid de zaak aanhangig maakt bij de onderzoeksraad wanneer zij oordeelt dat de feiten die bij haar aanhangig werden gemaakt, in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, is daarentegen in het huidige ontwerp voorzien dat diezelfde hogere tuchtoverheid zelf de tuchtprocedure inleidt. De rol van de tuchtraad, die eveneens opnieuw wordt gedefinieerd, zal worden toegelicht in de commentaar op artikel 21 hieronder.

[...]

Artikel 38sexies in ontwerp verduidelijkt de nadere regels eigen aan het einde van de door de hogere tuchtoverheid gevoerde procedure.

Op grond van het volledige dossier en van het verweerschrift neemt de hogere tuchtoverheid een beslissing. In deze uitspraak beslist ze ofwel geen tuchtstraf op te leggen, ofwel één van de zware tuchtstraffen voor te stellen, ofwel één van de lichte tuchtstraffen op te leggen.

Los van die beslissing wordt het personeelslid op de hoogte gebracht van zijn recht om, overeenkomstig artikel 51bis in ontwerp, bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging [in te stellen] tegen de voorgestelde zware tuchtstraf.

Wanneer geen verzoek wordt aangetekend overeenkomstig artikel 51bis in ontwerp, deelt de hogere tuchtoverheid, bij een ter post aangetekend schrijven of bij betekening tegen ontvangstbewijs, haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid. [...]

[...]

Bij de tuchtraad [zal] inderdaad [een] verzoek tot heroverweging tegen de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraffen aanhangig kunnen worden gemaakt.

Die procedure mag geen aanleiding geven tot administratief toezicht. Het advies dat de tuchtraad moet geven, mag niet worden beschouwd als de uitoefening door de tuchtraad van een voogdijtoezicht ten aanzien van de hogere tuchtoverheid. Het te geven advies wordt inderdaad niet alleen door het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid aangevraagd. Het gegeven advies beoogt bovendien het inlichten van de overheid die haar beslissing opnieuw aan een onderzoek moet onderwerpen. Die overheid blijft vrij om de beslissing te nemen die zij het meest geschikt acht.

De samenstelling van de tuchtraad waarin een magistraat en vertegenwoordigers van de politiediensten [...] zetelen, toont ten slotte aan dat het een raadgevend orgaan betreft en sluit uit dat de raad als een voogdij-overheid zou worden beschouwd (zie ook, mutatis mutandis, het [arrest] van het Arbitragehof nr. 69/99 van 17 juni 1999 en het [advies] nr. L. 29.796/3 van de Raad van State, [afdeling] wetgeving, van 1 februari 2000).

In die hypothese zal de tuchtraad het tuchtdossier opnieuw onderzoeken, door onder meer de betrokkene te verhoren, en zal hij bevoegd zijn om een met redenen omkleed advies over te maken aan de hogere tuchtoverheid » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1173/001, pp. 9-12).

B.6. Het aldus beschreven optreden van de tuchtraad past in het kader van de procedure die van toepassing is voor de hogere tuchtoverheid die lichte en zware tuchtstraffen kan opleggen.

B.7. Volgens artikel 40 van de wet van 13 mei 1999 bestaat elke kamer van de tuchtraad uit een magistraat-voorzitter en twee personeelsleden van de politiediensten die het ambt van bijzitter hebben.

Zoals bepaald bij de artikelen 52 en 53 van dezelfde wet, verstrekt de tuchtraad een met redenen omkleed advies dat ter kennis wordt gebracht van het betrokken personeelslid en van de hogere tuchtoverheid. Artikel 54 van de wet preciseert dat, wanneer die overheid beoogt af te wijken van het advies, zij hiertoe de redenen moet aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis moet brengen van de betrokkene die nog over de mogelijkheid beschikt om een schriftelijk verweer in te dienen. De beslissing van de hogere tuchtoverheid wordt hem vervolgens meegedeeld bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief (artikel 55).

B.8.1. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet en uit de bepalingen ervan, handelt de tuchtraad, wanneer bij hem een verzoek tot heroverweging wordt ingesteld, als adviesorgaan in het kader van een administratieve fase die wordt afgesloten door de uitspraak van een eventuele tuchtstraf, enige handeling die het voorwerp kan uitmaken van een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, p. 3).

B.8.2. Zoals de verwijzende rechter vaststelt, zou bijgevolg, doordat het verzoek tot heroverweging geen proceshandeling is in de zin van artikel 48 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 53 van hetzelfde Wetboek niet op suppletieve wijze kunnen worden toegepast.

B.9. Het Hof moet dus onderzoeken of, in tuchtzaken, de inkorting van de termijn om een verzoek tot heroverweging in te stellen, bij ontstentenis van verplaatsing van de vervaldag wanneer deze een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, op onevenredige wijze afbreuk kan doen aan het recht van verdediging van de betrokkene.

B.10. In tuchtzaken moet het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel in acht worden genomen.

B.11. Met de aanneming van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wilde de wetgever één gemeenschappelijke tuchtprocedure invoeren voor alle personeelsleden van de politiediensten, die snel en doeltreffend zou zijn (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, pp. 2 en 3). Die doelstellingen werden in herinnering gebracht naar aanleiding van de wijzigingen die werden aangebracht bij de wet van 31 mei 2001 (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1173/001, pp. 3 e.v.).

B.12.1. Rekening houdend met de samenstelling van de tuchtraad en met het feit dat de straffende overheid haar beslissing in het bijzonder moet motiveren wanneer zij afwijkt van het advies dat hij verstrekt, kan de aanhangigmaking bij de tuchtraad bepalend zijn voor de verdediging van de betrokkene.

B.12.2. De in B.11 omschreven snelheid en doeltreffendheid van de procedure kunnen niet redelijk verantwoorden dat, voor het personeelslid dat slechts over een termijn van tien dagen beschikt om een verzoek tot heroverweging in te dienen, die termijn aanzienlijk kan worden ingekort om de enkele reden dat de vervaldag ervan niet kan worden verplaatst tot de eerstvolgende werkdag wanneer die vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is. Rekening houdend met de korte duur van de termijn die te dezen van toepassing is, met het feit dat in geval van laattijdigheid geen beroep meer mogelijk is bij de Raad van State, en dat het gaat om een tuchtcontentieux waarbij in het bijzonder moet worden toegezien op de inachtneming van de rechten van verdediging van de betrokkene, is in dat geval de ontstentenis van verplaatsing van de vervaldag niet verantwoord.

B.13. Daaruit volgt dat, in zoverre het niet bepaalt dat de vervaldag wordt verplaatst tot de eerstvolgende werkdag indien die vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

B.14. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

B.15. De verwerende partij voor de verwijzende rechter verzoekt het Hof de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven indien zij onbestaanbaar zou worden geacht met de in de prejudiciële vraag beoogde grondwetsbepalingen.

B.16. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen, wat te dezen niet het geval is.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 17 januari 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 51bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, gesteld door de Raad van State. Geïntegreerde politiedienst

  • Tuchtregeling voor politieambtenaren

  • Tuchtprocedure

  • Termijn voor het instellen van een verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad

  • Vervaldag

  • Zaterdag, zondag of wettelijke feestdag

  • Geen verplaatsing tot de eerstvolgende werkdag.