- Arrest van 14 februari 2013

14/02/2013 - 8/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag is zonder voorwerp.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 12 januari 2012 in zake het openbaar ministerie en de nv « INBEV Belgium », burgerlijke partij, tegen Patrick Migliorini, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 januari 2012, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 2, § 6 [lees : artikel 2, 2°], van de wet van 13 augustus 2011 - tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan -, dat een artikel 47bis, § 6, invoert in het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het onmiddellijk van toepassing is op het hangende geschil en in zoverre de zelfincriminerende verklaringen kunnen worden gebruikt als gegeven dat andere bewijselementen versterkt, de artikelen 12, tweede lid, en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 47bis, § 6, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 2, 2°, van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan », dat bepaalt :

« Tegen een persoon kan geen veroordeling worden uitgesproken die enkel gegrond is op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de §§ 2, 3 en 5 met uitsluiting van § 4, wat betreft het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of de bijstand door een advocaat tijdens het verhoor ».

B.1.2. De wet van 13 augustus 2011 strekt ertoe de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het recht op de toegang tot een advocaat en op diens bijstand gedurende de inleidende fase van het strafproces. Met zijn eerste arrest dienaangaande, gewezen in verband met de situatie van een verdachte die was aangehouden en ondervraagd door de politie, heeft het Europees Hof geoordeeld :

« Een nationale wetgeving kan aan de houding van een beklaagde tijdens de aanvangsfase van de ondervragingen door de politie gevolgen verbinden die beslissend zijn voor de vooruitzichten van de verdediging in elke latere strafrechtelijke procedure. Artikel 6 vereist in een dergelijk geval normaal gezien dat de beklaagde reeds tijdens de eerste stadia van de ondervragingen door de politie de bijstand van een advocaat kan genieten » (EHRM, 27 november 2008, Salduz t. Turkije, § 52).

« [...] opdat het in artikel 6.1 verankerde recht op een eerlijk proces voldoende ' concreet en effectief ' blijft, [...], dient in de regel de toegang tot een advocaat te worden verleend vanaf de eerste ondervraging van een verdachte door de politie, tenzij in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt bewezen dat er dwingende redenen bestaan om dat recht in te perken. Zelfs indien dwingende redenen uitzonderlijk het weigeren van de toegang tot een advocaat kunnen rechtvaardigen, mag een dergelijke beperking - wat ook de rechtvaardiging ervan moge zijn - niet op onrechtmatige wijze afbreuk doen aan de rechten die uit artikel 6 voortvloeien voor eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd [...]. In beginsel wordt op onherstelbare wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de verdediging wanneer incriminerende verklaringen die zijn afgelegd tijdens een politieverhoor zonder de mogelijke aanwezigheid van een advocaat, worden gebruikt om een veroordeling te gronden » (ibid., § 55).

B.1.3. Artikel 47bis, §§ 2, 3 en 5, van het Wetboek van strafvordering waarborgt, wat betreft het recht op het overleg met de advocaat en het recht op de bijstand door de advocaat tijdens het verhoor :

- het recht voor de persoon die niet van zijn vrijheid is beroofd en die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd waarvan de straf aanleiding kan geven tot het verlenen van een bevel tot aanhouding, om vóór het eerste verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat;

- het recht voor de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd en die van zijn vrijheid is beroofd, om vanaf dat ogenblik en vóór het eerste verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat en het recht om te worden bijgestaan door een advocaat tijdens de ondervragingen die door de politiediensten, de procureur des Konings en de onderzoeksrechter worden geleid, totdat de onderzoeksrechter eventueel een bevel tot aanhouding verleent.

B.2. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht artikel 47bis, § 6, van het Wetboek van strafvordering te onderzoeken « in zoverre de zelfincriminerende verklaringen kunnen worden gebruikt als gegeven dat andere bewijselementen versterkt ».

B.3. Bij zijn arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 heeft het Hof in de in het geding zijnde bepaling het woord « enkel » vernietigd. Uit die vernietiging volgt dat de zelfincriminerende verklaringen die werden verkregen met schending van het recht op de bijstand door een advocaat, niet kunnen worden gebruikt om er een veroordeling op te baseren, zij het in combinatie met andere bewijselementen.

B.4. Zonder dat het nodig is de door de Ministerraad en door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik opgeworpen excepties van onontvankelijkheid te onderzoeken, stelt het Hof vast dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag is zonder voorwerp.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 47bis, § 6, van het Wetboek van strafvordering, zoals dat artikel werd gewijzigd bij artikel 2, 2°, van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrecht

  • Strafrechtspleging

  • Inleidende fase

  • Rechten van de personen die worden verhoord door de politiediensten, de procureur des Konings en de onderzoeksrechter

  • Zelfincriminerende verklaringen die werden verkregen met schending van het recht op de bijstand door een advocaat.