- Arrest van 21 februari 2013

21/02/2013 - 15/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 maart 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 maart 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 2 december 2011 houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC en tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van bekrachtiging betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 december 2011, derde editie) door Joannes Wienen, wonende te 2950 Kapellen, Kastanjedreef 73.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het onderwerp van het beroep

B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de wet van 2 december 2011 houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC en tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van bekrachtiging betreft.

B.1.2. De wet van 2 december 2011 bepaalt :

« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties wordt bekrachtigd met ingang van 23 mei 2011 met terugwerkende kracht tot op deze datum om redenen van continuïteit van bestuur.

Art. 3. Het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC wordt bekrachtigd met ingang van 23 mei 2011 met terugwerkende kracht tot op deze datum om redenen van continuïteit van bestuur.

Art. 4. In artikel 8, § 2, van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit worden de woorden ' zes maanden ' vervangen door de woorden ' zeven maanden '.

Art. 5. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ».

B.1.3. In de parlementaire voorbereiding werd de bestreden wet van 2 december 2011 als volgt toegelicht :

« [De staatssecretaris voor Mobiliteit] verduidelijkt dat de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit de Koning de bevoegdheid heeft gegeven om alle nuttige maatregelen inzake de economische regulering van de luchthaven Brussel-Nationaal te nemen, om enerzijds deze regulering te moderniseren en om anderzijds richtlijn 2009/12/EG met betrekking tot luchthavengelden om te zetten. In uitvoering van deze wet van 13 maart 2011 werden op 12 mei 2011 twee koninklijke besluiten, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, uitgevaardigd inzake de economische regulering van de luchthaven Brussel-Nationaal. Deze koninklijke besluiten zijn in werking getreden op 23 mei 2011. Het sluitstuk van de modernisering van de economische regulering voor de luchthaven van Brussel-Nationaal is de bekrachtiging van de koninklijke besluiten bij wet. Artikel 8, § 2, van de wet van 13 maart 2011 stelt immers :

' De besluiten die krachtens artikel 6 worden vastgesteld, worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien zij niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de zes maanden na de datum van hun inwerkingtreding. Deze bekrachtiging heeft uitwerking met ingang van deze datum. '

Doordat er wettelijk een termijn is opgelegd voor de bekrachtiging van de koninklijke besluiten (namelijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding), zal de toekomstige regering hiervoor niet tijdig een wetsontwerp kunnen indienen.

Dit wetgevend initiatief om de wettelijke bekrachtiging tijdig tot stand te brengen, werd genomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. De staatssecretaris verzoekt de Senaat om, zoals de Kamer van volksvertegenwoordigers, voorliggend wetsontwerp aan te nemen dat ertoe strekt de termijn van zes maanden met één maand te verlengen zodat de omzetting van de Europese regelgeving op een rechtsgeldige en correcte manier zou kunnen worden bekrachtigd » (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1315/2, pp. 3-4).

B.2. Dezelfde verzoekende partij heeft eerder een beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit en van de wet van 29 april 2011 tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen inzake Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van de bevoegdheid toegekend aan de Koning betreft.

Bij zijn arrest nr. 74/2012 van 12 juni 2012 heeft het Hof dat beroep verworpen, omdat de verzoekende partij niet van het vereiste belang deed blijken.

Ten aanzien van het belang

B.3. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

B.4. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep omdat de verzoekende partij geen belang zou hebben bij de gevorderde vernietiging.

B.5. Ter verantwoording van haar belang voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen voor haar nadelig zijn, vermits ten gevolge ervan de beslissingen van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal ongedaan kunnen worden gemaakt door de minister, wat ertoe zou leiden dat de luchthavenvergoedingen die passagiers van de luchthaven Brussel-Nationaal betalen, zouden worden verhoogd.

De verzoekende partij wijst nog erop dat de thans bestreden wet verschilt van de voormelde wetten van 13 maart 2011 en 29 april 2011 waarover het Hof in zijn voormelde arrest nr. 74/2012 uitspraak heeft gedaan, doordat zij een concrete, nieuwe regeling, door de Koning aangenomen, bekrachtigt. Voortaan zou de minister ook een beslissingsbevoegdheid inzake het tariefsysteem hebben die hij destijds niet had, wat tot een verhoging van de luchthavengelden zou kunnen leiden.

B.6.1. De bestreden wet bekrachtigt met terugwerkende kracht tot 23 mei 2011 de twee voormelde koninklijke besluiten van 12 mei 2011 « om redenen van continuïteit van bestuur » en vervangt, in artikel 8, § 2, van de voormelde wet van 13 maart 2011, de woorden « zes maanden » door de woorden « zeven maanden ».

De wijzigingen door de koninklijke besluiten van 12 mei 2011 hebben betrekking op,

- enerzijds, de procedure tot vaststelling van de formule voor de tariefcontrole van de inkomsten die de nv « The Brussels Airport Company » (hierna : nv « TBAC ») kan ontvangen als houder van de exploitatie van de luchthaveninstallaties, respectievelijk de vaststelling van het tariefsysteem van de luchthavenvergoedingen, na raadpleging van de « gebruikers », waarmee zijn bedoeld « elke natuurlijke of rechtspersoon die via luchtverkeer passagiers, bagage, post of vracht van of naar luchthaveninstallaties vervoert » (artikel 1, 9°, van het koninklijk besluit van 27 mei 2004);

- anderzijds, de informatie die de nv « TBAC » met de « gebruikers » dient uit te wisselen, waarmee zijn bedoeld « de luchtvaartmaatschappijen die opereren vanaf de luchthaven Brussel-Nationaal » (artikel 1, 28°, van het koninklijk besluit van 21 juni 2004).

B.6.2. De bestreden bepalingen hebben geen betrekking op de luchthavenvergoedingen die passagiers van de luchthaven Brussel-Nationaal moeten betalen.

B.6.3. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de onafhankelijkheid van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal niet wordt gewaarborgd, viseert ze in werkelijkheid artikel 8 van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties, dat bepaalt dat het tariefsysteem en elke wijziging ervan vastgesteld door de economisch regulerende overheid zijn onderworpen aan een beslissing van de minister.

B.6.4. Het feit dat passagiers van de luchthaven Brussel-Nationaal mogelijkerwijs hogere luchthavenvergoedingen zullen moeten betalen, vloeit niet voort uit de bestreden bepalingen, maar uit het gebruik dat de minister in voorkomend geval van zijn hiervoor vermelde beslissingsbevoegdheid maakt.

B.7.1. De verzoekende partij voert tevens aan dat, vermits zij de schending aanvoert van de richtlijn 2009/12/EG van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden, het Unierecht zich ertegen zou verzetten dat haar vordering niet ontvankelijk wordt verklaard.

B.7.2. Bij ontstentenis van een desbetreffende Unieregeling is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (HvJ, 14 december 1995, C-430/93 en C-431/93, Van Schijndel en Van Veen, punt 17; 9 december 2003, C-129/00, Commissie/Italië, punt 25; 7 juni 2007, C-222/05 tot C-225/05, van der Weerd e.a., punt 28).

B.7.3. Het vereiste over een belang te beschikken geldt zonder onderscheid voor elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt en is niet van die aard dat het de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Dat is des te meer het geval daar de luchthavengelden waarvan de heffing wordt geregeld door de richtlijn 2009/12/EG, moeten worden betaald door de luchthavengebruikers, zijnde « iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die naar of vanaf de desbetreffende luchthaven door de lucht passagiers, post en/of vracht vervoert » (artikel 2, punt 3), van die richtlijn). De door de richtlijn geregelde luchthavengelden moeten derhalve niet rechtstreeks worden betaald door de passagiers.

Overigens houdt de bestreden wet geen verband met de door de verzoekende partij aangehaalde verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap, vermits uit artikel 1 van die verordening blijkt dat het toepassingsgebied ervan tot de communautaire luchtvaartmaatschappijen is beperkt.

B.8. Het beroep tot vernietiging is niet ontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 21 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de wet van 2 december 2011 houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (BIAC) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties en van het koninklijk besluit van 12 mei 2011 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 juni 2004 betreffende de toekenning van de exploitatielicentie van de luchthaven Brussel-Nationaal aan de naamloze vennootschap BIAC en tot wijziging van de wet van 13 maart 2011 houdende diverse bepalingen betreffende Mobiliteit wat de verlenging van de termijn van bekrachtiging betreft, ingesteld door Joannes Wienen. Economisch recht

  • Uitbating van luchthavens

  • Luchthaven Brussel-Nationaal

  • Licentie

  • Wijziging van de exploitatievoorwaarden

  • Machtiging aan de Koning. # Rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging

  • Niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang.