- Arrest van 21 februari 2013

21/02/2013 - 16/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 6, § 1, 9, § 1, 11, § 1, en 12, § 2, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 26 april 2012 in zake de Orde der Dierenartsen tegen Pierre Lampo en Pieter Lampo, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 mei 2012, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« a. Schenden de artikelen 9, § 1, 11, § 1 en 12, § 2, van de wet van 28 augustus 1991 betreffende de uitoefening van de dierengeneeskunde het gelijkheidsbeginsel zoals dit wordt omschreven in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepalingen een onderscheid maken tussen erkende dierenartsen die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding hebben gesloten en erkende dierenartsen die geen dergelijke overeenkomst hebben gesloten, terwijl het criterium van het al dan niet hebben afgesloten van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding niet pertinent is in het licht van het doel van de onderscheiden behandeling, nl. het verstrekken van diergeneeskundige begeleiding ?

b. Schendt artikel 6, § 1, van de wet van 28 augustus 1991 betreffende de uitoefening van de dierengeneeskunde het gelijkheidsbeginsel zoals dit wordt omschreven in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepaling toelaat dat niet alleen erkende dierenartsen die over de daartoe vereiste opleiding beschikken, maar ook erkende dierenartsen die niet over de daartoe vereiste opleiding beschikken, een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding afsluiten, zonder dat deze gelijke behandeling redelijk verantwoord is in het licht van het door de wetgever nagestreefd doel, i.e. het verstrekken van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding

B.1.1. De « diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding » wordt door artikel 1, 5°, van de wet van 28 augustus 1991 betreffende de uitoefening van de diergeneeskunde (hierna : Diergeneeskundewet) gedefinieerd als « een geheel van activiteiten en informatie, raadgevingen, toezicht, beoordeling, preventie en behandeling, met het doel tot een optimale en wetenschappelijk verantwoorde gezondheidstoestand van een groep dieren te komen ».

De overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding wordt geregeld door artikel 6 van de Diergeneeskundewet, dat bepaalt :

« § 1. Een geschreven overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding kan worden gesloten tussen een overeenkomstig artikel 4, vierde lid, van deze wet erkende dierenarts en een verantwoordelijke. Een organisatie, een universitair instituut of een wetenschappelijke instelling, erkend door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, kan, hetzij vanaf het opmaken van de geschreven overeenkomst, hetzij tijdens de uitvoering ervan, betrokken worden bij de bedrijfsbegeleiding. De geschreven overeenkomst moet door de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding worden medegedeeld aan de Gewestelijke Raad van de Orde der dierenartsen.

§ 2. De Koning kan, na raadpleging van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen en van de Nationale Landbouwraad, de voorwaarden vaststellen waaraan de verschillende vormen van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding moeten voldoen, inzonderheid inzake de verschaffing van geneesmiddelen door de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding en het in bezit hebben evenals de toediening van die geneesmiddelen door de verantwoordelijke.

Hij kan volgens dezelfde procedure nadere regels vaststellen op het gebied van de wederzijdse rechten en plichten van de partijen.

Hij kan volgens dezelfde procedure controlemaatregelen vaststellen ».

De partijen bij een dergelijke overeenkomst zijn minstens een erkende dierenarts en een verantwoordelijke.

De verantwoordelijke wordt in artikel 1, 3°, van de Diergeneeskundewet gedefinieerd als « de eigenaar of de houder die gewoonlijk over dieren een onmiddellijk beheer en toezicht uitoefent ».

De dierenarts die een dergelijke overeenkomst ondertekent is krachtens artikel 1, 1°, van de Diergeneeskundewet « in het bezit [...] van het wettelijk diploma van doctor in de veeartsenijkunde of in de diergeneeskunde, behaald overeenkomstig de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens of die er wettelijk van vrijgesteld is » en bovendien houder van de erkenning geregeld door het derde en het vierde lid van artikel 4 van de Diergeneeskundewet, die bepalen :

« Daarenboven moeten de dierenartsen die meewerken aan de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen, vooraf erkend worden door de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid of door zijn afgevaardigde. De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van de erkenning. Hij bepaalt de rechten en de plichten van de erkende dierenartsen en regelt de wijze waarop zij vergoed worden voor het verlenen van hun diensten. Hij bepaalt de sancties die kunnen worden opgelegd bij het niet naleven van de erkenningsvoorwaarden, van de plichten en van de wets- en verordeningsbepalingen aan de uitvoering waarvan de erkende dierenartsen meewerken.

In afwijking van het tweede lid van dit artikel, zijn de statutaire en contractuele agenten van de FOD evenals van de wetenschappelijke instellingen en van de instellingen van openbaar nut die van de FOD afhangen niet onderworpen aan de verplichting om ingeschreven te zijn op de lijst van de Orde wanneer zij diergeneeskundige handelingen uitvoeren in hun hoedanigheid van agenten van die overheden ».

B.1.2. De rechten en plichten van de erkende dierenarts belast met de uitvoering van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, worden bepaald door artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 april 2000 houdende bepalingen betreffende de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, dat bepaalt :

« § 1. De dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding moet aan de verantwoordelijke alle noodzakelijke inlichtingen en adviezen verstrekken, nodig voor het optimaliseren en het instandhouden van de gezondheidstoestand, de productie en het welzijn van het beslag.

De dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding moet de verantwoordelijke inlichten over de diagnosen die hij stelt en over alle behandelingen die hij instelt, niet enkel deze die hij persoonlijk uitvoert maar ook deze die de verantwoordelijke zelf mag uitvoeren op één of meerdere dieren van het beslag.

§ 2. Op vraag van de verantwoordelijke bezoekt de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding het bedrijf overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 2. Ter gelegenheid van dit bedrijfsbezoek ondertekent de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding het geneesmiddelenregister bedoeld in het koninklijk besluit houdende bijzondere bepalingen inzake het verwerven, het in depot houden, het voorschrijven en het verschaffen van geneesmiddelen bestemd voor dieren door de dierenarts en inzake het bezit en het toedienen van geneesmiddelen bestemd voor dieren door de verantwoordelijke voor de dieren.

Om de vier maanden wordt een algemene evaluatie van het beslag gemaakt, volgens de controlelijst waarvan een model in bijlage II bij dit besluit gevoegd is. Dit evaluatierapport wordt in tweevoud opgesteld, medeondertekend en bewaard door elke contracterende partij gedurende minstens 3 jaar. Deze gegevens kunnen eveneens electronisch verwerkt en opgeslagen worden op voorwaarde dat de duurzaamheid en de beschikbaarheid ervan verzekerd blijven.

Ter gelegenheid van het bedrijfsbezoek maken minstens alle categorieën van de diersoort, waarop de overeenkomst betrekking heeft van het beslag, en die aanwezig zijn op die plaats van het bedrijf het voorwerp uit van een visuele klinische inspectie.

[...]

§ 4. Om te voldoen aan de opdracht van diagnosestelling, preventie en behandeling, evenals aan zijn adviserende en evaluerende taken moet de met de bedrijfsbegeleiding belaste dierenarts zijn vorming voortzetten derwijze dat hij steeds op de hoogte blijft van de evolutie in de diergeneeskundige wetenschappen.

§ 5. De dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding kan, in overleg met de verantwoordelijke, de assistentie van een derde partij inroepen ».

De rechten en plichten van de verantwoordelijke in het kader van de uitvoering van die overeenkomst, worden bepaald door artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit, dat luidt :

« § 1. De verantwoordelijke moet regelmatig, afzonderlijk of gezamenlijk, aan de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding alle inlichtingen en alle waarnemingen meedelen die van belang kunnen zijn voor of invloed kunnen hebben op de evaluatie van de sanitaire toestand van zijn beslag.

§ 2. De verantwoordelijke moet zich zes maal per jaar met een maximale tussentijd van 2 maanden verzekeren van de aanwezigheid van de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding en indien de productieronden elkaar opvolgen in een ritme sneller dan zes rondes per jaar, tenminste één maal per productieronde.

§ 3. In afwijking op de bepalingen in artikel 2, § 2, mag de verantwoordelijke in zijn voorraad geneesmiddelen bezitten die overeenkomstig artikel 5, § 3, verschaft of voorgeschreven werden door de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding. Hij moet op elk ogenblik het verwerven, het bezit en de toediening ervan kunnen verantwoorden overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4 van het koninklijk besluit houdende bijzondere bepalingen inzake het verwerven, het in depot houden, het voorschrijven en het verschaffen van geneesmiddelen bestemd voor dieren door de dierenarts en inzake het bezit en het toedienen van geneesmiddelen bestemd voor dieren oor de verantwoordelijke voor de dieren.

§ 4. De voorraad geneesmiddelen is ondeelbaar en bevindt zich op de geografische entiteit. De verantwoordelijke bewaart de geneesmiddelen overeenkomstig de instructies van de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding in een kast of koelkast die zich in een lokaal bevindt dat afgescheiden is van de dieren en van de als woonst gebruikte plaatsen.

§ 5. De verantwoordelijke kan de assistentie van een derde partij vragen in overleg met de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. Met de eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter van het Hof vernemen of artikel 9, § 1, artikel 11, § 1, en artikel 12, § 2, van de Diergeneeskundewet bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat zij de erkende dierenartsen die geen overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding hebben gesloten, anders behandelen dan de erkende dierenartsen die wel een dergelijke overeenkomst hebben gesloten.

Het staat niet aan de partijen om de draagwijdte van een prejudiciële vraag uit te breiden. Het Hof kan bijgevolg niet de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie onderzoeken in zoverre zij een verschil in behandeling invoeren tussen de verantwoordelijken, naargelang zij al dan niet een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding hebben gesloten.

B.3.1. Artikel 9, § 1, van de Diergeneeskundewet bepaalt :

« Onverminderd de toepassing van de artikelen 5, 2°, 6 en 7, mag de dierenarts geneesmiddelen voorschrijven of verschaffen, evenwel alleen voor de dieren die hij in behandeling heeft en ten hoogste voor de duur van de behandeling ».

In samenhang gelezen met artikel 6, § 2, van de Diergeneeskundewet, laat die bepaling de Koning toe om in een ander stelsel te voorzien voor erkende dierenartsen die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding hebben gesloten. De Koning heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt door in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit van 10 april 2000 houdende bepalingen betreffende de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding te bepalen :

« Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor het voorschrijven van geneesmiddelen door de dierenarts, het koninklijk besluit van 29 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de aflevering van diergeneesmiddelen, bijlage 2 van het koninklijk besluit houdende bijzondere bepalingen inzake het verwerven, het in depot houden, het voorschrijven en het verschaffen van geneesmiddelen bestemd voor dieren door de dierenarts en inzake het bezit en het toedienen van geneesmiddelen bestemd voor dieren door de verantwoordelijke voor de dieren en in afwijking op artikel 2, § 1, is de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding op basis van de evaluatie en eventueel van de diagnose bedoeld in § 2, gemachtigd voor te schrijven en te verschaffen :

1. geneesmiddelen bestemd voor dieren met preventief karakter welke aangewend worden in het kader van de normale bedrijfsplanning;

2. geneesmiddelen bestemd voor dieren die occasioneel aangewend worden volgens een lijst van diergeneeskundige handelingen toegestaan in toepassing van artikel 5, 1°, van de wet, en mits een schriftelijk akkoord van de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding in toepassing van artikel 5, 2°, van de wet;

3. geneesmiddelen bestemd voor dieren die gebruikt worden op het bedrijf voor problemen die het voorwerp uitmaken van een initiële diagnose.

Het volume geneesmiddelen dat zich in de voorraad bevindt mag niet groter zijn dan het volume voor een periode overeenstemmend met de maximale tussentijd, bedoeld in artikel 6, § 2 ».

Bijgevolg beschikt een erkende dierenarts die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding heeft gesloten, over ruimere prerogatieven inzake het voorschrijven en verschaffen van geneesmiddelen dan een erkende dierenarts die geen dergelijke overeenkomst heeft gesloten.

B.3.2. Artikel 11, § 1, van de Diergeneeskundewet bepaalt :

« Onverminderd het bepaalde in artikel 12, mag de verantwoordelijke of de diergeneeskundige helper geneesmiddelen bezitten waarvoor geen voorschrift vereist is ».

Krachtens artikel 11, § 2, 2°, van de Diergeneeskundewet mag de verantwoordelijke die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding heeft gesloten, daarentegen wel een depot bezitten van bepaalde geneesmiddelen, zelfs indien daarvoor een voorschrift vereist is, indien hij die geneesmiddelen verkrijgt in het raam van die overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.

Bijgevolg beschikt een erkende dierenarts die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding heeft gesloten, over ruimere prerogatieven om het de verantwoordelijke mogelijk te maken een depot van geneesmiddelen aan te leggen dan een erkende dierenarts die geen dergelijke overeenkomst heeft gesloten.

B.3.3. Artikel 12, § 2, van de Diergeneeskundewet bepaalt :

« Onverminderd § 1, mogen de geneesmiddelen behorende tot de volgende groepen : hormonale of antihormonale stoffen, stoffen met hormonale of antihormonale werking, psychotropen, entstoffen, sera, verdovende middelen, anaesthetica, tranquilantia, analgetica en neuroleptica slechts worden toegediend door de dierenarts.

De lijst van deze farmacologische groepen of van deze stoffen kan worden aangevuld door de Koning ».

Krachtens artikel 12, § 3, van de Diergeneeskundewet is artikel 12, § 2, van dezelfde wet evenwel niet van toepassing op het toedienen van de geneesmiddelen waarvan de lijst door de Koning wordt vastgesteld en die worden voorgeschreven of verschaft in het kader van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.

Bijgevolg beschikt een erkende dierenarts die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding heeft gesloten, over ruimere prerogatieven inzake het laten toedienen van bepaalde geneesmiddelen door derden dan een erkende dierenarts die geen dergelijke overeenkomst heeft gesloten.

B.3.4. Op de overtreding van de in het geding zijnde bepalingen staan strafsancties. De overtreding van artikel 9, § 1, van de Diergeneeskundewet wordt strafbaar gesteld door artikel 22 van de Diergeneeskundewet, dat bepaalt :

« Met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftienduizend euro wordt gestraft :

1° de dierenarts die met overtreding van artikel 9, § 1, geneesmiddelen voorschrijft of verschaft voor dieren die hij niet in behandeling heeft;

[...] ».

De overtreding van de artikelen 11 en 12 van de Diergeneeskundewet wordt strafbaar gesteld door artikel 21 van de Diergeneeskundewet, dat bepaalt :

« Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftienduizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft :

[...]

2° de dierenarts die geneesmiddelen heeft voorgeschreven of verschaft teneinde ze in het bezit te laten van de verantwoordelijke, opdat deze ze zelf zou kunnen toedienen, buiten de in artikel 11, § 2, bepaalde grenzen;

3° de dierenarts die de bepalingen van artikel 12, § 3, overtreedt;

4° hij die, buiten het geval van 3°, de bepalingen van de artikelen 5, 6, 7, 11 en 12, overtreedt of doet overtreden;

[...] ».

B.4.1. De diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding past in het kader van de evolutie van een curatieve naar een preventieve diergeneeskunde, die beoogt de gezondheid van de veestapel te waarborgen. Door de grote concentraties landbouwdieren per bedrijf kan het uitbreken van infectieziektes ernstige economische gevolgen hebben. De diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, die een nauwe samenwerking tussen een erkende dierenarts en een bedrijfshouder inhoudt, beoogt dergelijke schade te vermijden door gepaste hygiënische maatregelen en nauwkeurige inentingstechnieken (Parl. St., Senaat, 1981-1982, nr. 381/1, p. 2).

Voor het opstarten van een diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding is een overeenkomst tussen de erkende dierenarts en de verantwoordelijke essentieel. Het is immers die overeenkomst die de rechten en plichten die de wetgever en de Koning hebben bepaald, van toepassing maakt. De verantwoordelijke beschikt over de meest ruime vrijheid om al dan niet een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding af te sluiten, alsook inzake de keuze van de erkende dierenarts waarmee hij die overeenkomst afsluit (Parl. St., Senaat, 1981-1982, nr. 381/1, pp. 4-5). Het verplicht schriftelijke karakter van de overeenkomst wordt verantwoord door de noodzaak om tot een correcte totstandkoming en uitvoering te komen in de complexe verhouding tussen de erkende dierenarts en de verantwoordelijke, alsook door de vereiste dat de inhoud van de overeenkomst ter kennis wordt gebracht van de Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen.

B.4.2. De in het geding zijnde bepalingen regelen de mogelijkheid om geneesmiddelen voor dieren voor te schrijven, te verschaffen, in depot te hebben en toe te dienen. De wetgever beoogde het gebruik van geneesmiddelen voor dieren te reglementeren en te controleren, omdat het behandelen van dieren met geneesmiddelen een belangrijke weerslag kan hebben op de volksgezondheid, onder meer door de aanwezigheid van residu's in etenswaren van dierlijke oorsprong, door het voortbrengen van resistente microben en door verhoogde risico's op allergieën (Parl. St., Senaat, 1981-1982, nr. 381/1, p. 2).

De ruimere prerogatieven inzake het voorschrijven, verschaffen, in depot hebben en toedienen van geneesmiddelen voor dieren in het kader van een overeenkomst voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding beogen dan weer de adequate uitvoering van een dergelijke overeenkomst mogelijk te maken.

B.5.1. Gelet op het verplicht schriftelijke karakter van de overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding en de verplichting die overeenkomst op te sturen naar de Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen, is de aard van de verhouding tussen een erkende dierenarts en een verantwoordelijke, die berust op het al dan niet bestaan van een dergelijke overeenkomst, een objectief criterium van onderscheid.

B.5.2. Dat criterium is eveneens pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling, aangezien de ruimere prerogatieven in het kader van de uitvoering van de overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding bijdragen tot de efficiënte uitvoering van die overeenkomst.

B.6.1. In het licht van die doelstelling diende de wetgever, enerzijds, het gecontroleerde gebruik van geneesmiddelen voor dieren en, anderzijds, de efficiëntie van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding met elkaar te verzoenen. Hij vermocht ruimere prerogatieven toe te kennen in het kader van de uitvoering van een overeenkomst voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, aangezien buiten dat kader enkel de eerstgenoemde bezorgdheid inzake het gecontroleerde gebruik van geneesmiddelen voor dieren aanwezig is.

B.6.2. Bovendien zijn de ruimere prerogatieven inzake het voorschrijven en verschaffen van geneesmiddelen voor dieren krachtens artikel 5, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 10 april 2000 beperkt tot de evaluatie en eventueel de diagnose bedoeld in artikel 5, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit. De afwijkingen ten gunste van de uitvoering van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding zijn derhalve tot dat kader beperkt.

De ruimere prerogatieven inzake het depot van geneesmiddelen zijn krachtens artikel 11, § 2, 2°, van de Diergeneeskundewet beperkt tot de geneesmiddelen die de verantwoordelijke verkrijgt in het kader van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding. Bij de viermaandelijkse evaluatie dient de erkende dierenarts krachtens artikel 5, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 10 april 2000 overigens het geneesmiddelenregister te ondertekenen.

De ruimere prerogatieven inzake het toedienen van geneesmiddelen voor dieren door anderen dan de erkende dierenartsen zijn krachtens artikel 12, § 3, van de Diergeneeskundewet op tweevoudige wijze beperkt : het dient te gaan om geneesmiddelen die voorkomen op een door de Koning opgestelde lijst en zij moeten zijn voorgeschreven of verschaft in het kader van een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.

B.6.3. Dierenartsen die misbruik maken van de ruimere prerogatieven die gelden in het kader van de overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding, kunnen worden bestraft op grond van artikel 21, 1°, van de Diergeneeskundewet. Een verdere controle op die overeenkomst wordt overigens mogelijk gemaakt als gevolg van de verplichting om die overeenkomst op te sturen naar de Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen, die de bepalingen ervan toetst aan de deontologie van de Orde.

B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.8. Met de tweede prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter van het Hof vernemen of artikel 6, § 1, van de Diergeneeskundewet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat die bepaling erkende dierenartsen die niet over de vereiste opleiding inzake diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding beschikken, op dezelfde wijze behandelt als erkende dierenartsen die wel over de vereiste opleiding beschikken.

B.9. De in B.1.1 vermelde in het geding zijnde bepaling vereist enkel dat de dierenarts die een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding sluit, een erkende dierenarts dient te zijn in de zin van artikel 4 van de Diergeneeskundewet. Zij vereist evenwel geen verdere specialisatie inzake diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.

B.10.1. De mogelijkheid voor de verantwoordelijke om met elke erkende dierenarts een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding te sluiten, waarborgt zijn vrije keuze (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 485/2, p. 60). Zij verhoogt eveneens de kans dat hij een dergelijke overeenkomst zal sluiten, hetgeen in overeenstemming is met de doelstelling van de in het geding zijnde bepaling.

B.10.2. Elke erkende dierenarts beschikt over de vereiste kennis en vaardigheden om zich op adequate wijze te kwijten van de taken die in het kader van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding van hem worden verwacht. Hij beschikt immers over het « wettelijk diploma van doctor in de veeartsenijkunde of in de diergeneeskunde » (artikel 1, 1°, van de Diergeneeskundewet), dat slechts na een zesjarige universitaire opleiding kan worden verkregen. Gedurende vijf van die zes jaren krijgen alle studenten dezelfde vakken en pas tijdens het zesde jaar hebben zij de keuze tussen verschillende afstudeerrichtingen, waaronder enkele die met name betrekking hebben op landbouwdieren.

Krachtens artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 november 2009 betreffende de erkenning van de dierenartsen dienen alle erkende dierenartsen overigens specifieke kennis te bezitten van de veterinaire wets- en reglementaire bepalingen die het voorwerp kunnen uitmaken van hun officiële opdrachten, wat inhoudt dat ze hun kennis geregeld moeten bijwerken, in het bijzonder wat betreft de geldende gezondheidswetgeving die van toepassing is op de activiteitendomeinen waarin zij hun officiële opdrachten vervullen.

Bovendien dienen de dierenartsen belast met de bedrijfsbegeleiding krachtens artikel 5, § 4, van het voormelde koninklijk besluit van 10 april 2000, om te voldoen aan de opdracht van diagnosestelling, preventie en behandeling, alsmede aan hun adviserende en evaluerende taken, hun vorming voort te zetten derwijze dat zij steeds op de hoogte blijven van de evolutie in de diergeneeskundige wetenschappen.

Die verplichtingen, waarvan de niet-naleving deontologisch wordt bestraft, waarborgen dat de erkende dierenarts die een overeenkomst van bedrijfsbegeleiding afsluit, over de vereiste kennis beschikt om de verplichtingen die uit die overeenkomst voortvloeien, op adequate wijze uit te voeren.

B.11. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 6, § 1, 9, § 1, 11, § 1, en 12, § 2, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 21 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 6, § 1, 9, § 1, 11, § 1, en 12, § 2, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Veterinair recht

  • Diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding

  • Overeenkomst tussen een bedrijfshouder en een dierenarts

  • 1. Erkende dierenarts

  • Vereiste opleiding

  • 2. Prerogatieven inzake het voorschrijven, verschaffen, in depot hebben en toedienen van geneesmiddelen voor dieren.