- Arrest van 28 februari 2013

28/02/2013 - 24/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het inhoudt dat een landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, niet het voordeel van de bij die wet in werking gestelde maatregelen en procedures geniet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 22 maart 2012 in zake Pascal Matelart, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 maart 2012, heeft de Rechtbank van Koophandel te Charleroi de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het impliceert dat een landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, niet het voordeel geniet van de maatregelen in werking gesteld bij de vermelde wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, terwijl dezelfde landbouwer die zijn beroepsactiviteit uitoefent in het kader van een landbouwvennootschap of een burgerlijke vennootschap met handelsvorm, wel het voordeel geniet van de bij die wet in werking gestelde maatregelen ? »;

2. « Schendt artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het impliceert dat een landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, niet het voordeel geniet van de maatregelen in werking gesteld bij de vermelde wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, terwijl de koopman die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, wel het voordeel geniet van de bij die wet in werking gestelde maatregelen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (hierna : de wet van 31 januari 2009), dat bepaalt :

« Deze wet is toepasselijk op de volgende schuldenaren : de kooplieden bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van koophandel, de landbouwvennootschap bedoeld in artikel 2, § 3, van het Wetboek van vennootschappen en de burgerlijke vennootschappen met handelsvorm bedoeld in artikel 3, § 4, van hetzelfde wetboek ».

B.2. De wet van 31 januari 2009 vervangt de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, die volgens de wetgever « snel tegen haar grenzen [bleek] aan te lopen ».

De wetgever streefde ernaar « de duurzame ontwikkeling en de gezondmaking van de ondernemingen [voort te zetten], zonder daarom de mechanismen van de normale markten te verstoren door rechterlijke beslissingen » (Parl. St., Kamer, 2007, DOC 52-0160/001, p. 4, en Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0160/002, p. 39).

De bij de in het geding zijnde wet in werking gestelde maatregelen strekken ertoe een « systeem [te creëren] waarmee zonder al te veel moeilijkheden een economische activiteit kan worden geherstructureerd tegen een achtergrond van pre-faillissement en zelfs van dreigend faillissement » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0160/002, p. 39), zodat « voortaan [...] de schuldenaar die liquiditeitsproblemen heeft - of zelfs in staat van faillissement verkeert - over een waaier van mogelijkheden [beschikt] om de onderneming die rendabel kan worden gemaakt te redden » (ibid., p. 41).

B.3.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het feit dat de landbouwers die hun beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefenen, niet het voordeel van de in de wet van 31 januari 2009 bedoelde maatregelen genieten, terwijl, enerzijds, de landbouwers die hun beroepsactiviteit uitoefenen in het kader van een landbouwvennootschap of een burgerlijke vennootschap met handelsvorm (eerste vraag) en, anderzijds, de kooplieden die hun beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefenen (tweede vraag), wel het voordeel ervan genieten.

Het Hof onderzoekt beide vragen samen.

B.3.2. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.4.1. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd de toepassing van de nieuwe maatregelen enkel voorbehouden aan kooplieden, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. De indieners ervan wensten aldus « de parallellie met de faillissementswet » te handhaven (Parl. St., Kamer, 2007, DOC 52-0160/001, p. 10).

De huidige tekst van de wet is ontstaan uit een amendement dat door de Regering is ingediend. Met betrekking tot het toepassingsgebied van de wet wordt in de verantwoording van dat amendement aangegeven :

« Tijdens de hoorzittingen van 27 november 2007 tot 12 februari 2008 is gebleken dat een uitbreiding wenselijk was van het toepassingsgebied van een wet die de herstructurering van ondernemingen mogelijk maakt. De burgerlijke vennootschappen met handelsvorm en de landbouwvennootschappen kunnen thans geen gerechtelijk akkoord genieten. Het zijn evenwel economische entiteiten die perfect passen in het kader van de regelgeving die u wordt voorgesteld. Daarom is het toepassingsgebied van de wet door het amendement van de regering uitgebreid tot deze entiteiten, met als enige uitzondering de vrije beroepen die overigens voldoende worden begeleid door Orden of Instituten » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0160/002, p. 40);

en :

« De verruiming heeft tot gevolg dat de meeste ondernemingen voor wie de wetgeving nuttig zou zijn, betrokken worden bij de nieuwe wetgeving » (ibid., p. 46).

B.4.2. Op de vraag van een lid van de bevoegde commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers over het uitsluiten van de « gewone landbouwers die een zelfstandigenstatuut hebben » van het voordeel van de nieuwe regeling, antwoordde de minister dat « de procedure van gerechtelijk akkoord niet van toepassing zijn op zelfstandige landbouwers omdat zij geen afgescheiden vermogen hebben » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-0160/005, p. 157).

B.5.1. Het in de eerste prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling tussen de landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent en diegene die dezelfde beroepsactiviteit in het kader van een vennootschap uitoefent, berust op het criterium van de rechtspersoonlijkheid die de vennootschap kenmerkt, terwijl zij bij de natuurlijke persoon ontbreekt. In tegenstelling tot wat het geval is voor de landbouwer die zijn activiteit in het kader van een vennootschap uitoefent, is het vermogen dat verband houdt met de beroepsactiviteit van de landbouwer-natuurlijke persoon, niet afgescheiden van zijn persoonlijk vermogen.

B.5.2. Dat criterium van onderscheid op grond van de rechtspersoonlijkheid en met betrekking tot het al dan niet bestaan van afgescheiden vermogens is objectief. Het kan echter niet als relevant worden beschouwd in het kader van de toepassing van de in de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen bedoelde maatregelen en procedures aangezien de kooplieden die hun activiteit als natuurlijke persoon uitoefenen en bijgevolg evenmin over een afgescheiden vermogen beschikken, van hun kant wel het voordeel van de in de in het geding zijnde wet bedoelde regeling genieten.

De toepassing van de in het geding zijnde wet op de kooplieden die hun beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefenen, toont dus aan dat het bezitten van rechtspersoonlijkheid geen noodzakelijke voorwaarde is om de maatregelen te kunnen genieten waarin door de wetgever is voorzien teneinde de continuïteit van de ondernemingen in moeilijkheden te bevorderen.

B.6.1. Het in de tweede prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling tussen de landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent en de koopman die zijn beroepsactiviteit eveneens als natuurlijke persoon uitoefent, berust op de kwalificatie als daden van koophandel die kan worden gegeven aan de activiteiten van de koopman, terwijl zij de activiteiten van de landbouwer niet, geheel of gedeeltelijk, kenmerkt. Dat criterium van onderscheid, dat is afgeleid uit de hoedanigheid van koopman van de schuldenaar op wie de insolventieprocedures betrekking hebben, is dat waarop het vaststellen van het toepassingsgebied van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, opgeheven bij artikel 85 van de in het geding zijnde wet, was gebaseerd. Het is eveneens identiek aan het criterium waarop het vaststellen van het toepassingsgebied van de faillissementswet van 8 augustus 1997 berust.

B.6.2. Het criterium met betrekking tot de hoedanigheid van koopman van de schuldenaar is objectief. Het Hof dient nog na te gaan of het relevant is.

B.6.3. De wet van 31 januari 2009 is krachtens de in het geding zijnde bepaling niet alleen op de in artikel 1 van het Wetboek van koophandel bedoelde kooplieden maar ook op de in het Wetboek van vennootschappen bedoelde landbouwvennootschappen en burgerlijke vennootschappen met handelsvorm van toepassing. Daaruit vloeit voort dat de wetgever aan de in het geding zijnde wet een ruimer toepassingsgebied heeft gegeven dan dat van de twee voormelde wetten. De wetgever heeft dus zelf geoordeeld dat het voordeel van de maatregelen en procedures die ertoe strekken de continuïteit van de ondernemingen in moeilijkheden te verzekeren, niet enkel tot de ondernemingen met de hoedanigheid van koopman moest worden beperkt en dat het in overeenstemming zou zijn met het algemeen belang om het uit te breiden tot andere schuldenaars, met name tot de vennootschappen die actief zijn op het gebied van de landbouw.

B.6.4. De wetgever heeft aldus uitdrukkelijk ervoor gekozen om het toepassingsgebied van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen niet op alle punten te doen overeenstemmen met dat van de vroegere wetgeving betreffende het gerechtelijk akkoord of nog met dat van de faillissementswet, aangezien hij ondernemingen waarop de faillissementsprocedure geen betrekking kan hebben omdat zij niet de hoedanigheid van koopman hebben, het voordeel van de in de eerstgenoemde wet bedoelde maatregelen heeft laten genieten.

B.7. Daaruit kan worden afgeleid dat het uit de hoedanigheid van koopman afgeleide criterium, net zoals het criterium dat is afgeleid uit het bezitten van rechtspersoonlijkheid, niet relevant is ten opzichte van het bij de wet van 31 januari 2009 nagestreefde doel.

De in de prejudiciële vragen vermelde verschillen in behandeling zijn niet redelijk verantwoord.

B.8. Bovendien streeft de bij de artikelen 1675/2 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde procedure van collectieve schuldenregeling niet hetzelfde doel na als de bepalingen van de wet van 31 januari 2009. De procedure van collectieve schuldenregeling strekt immers ertoe « de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden » (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek), maar in tegenstelling tot de in de in het geding zijnde wet bedoelde maatregelen strekt zij niet ertoe de activiteit van de onderneming in moeilijkheden zoveel mogelijk te behouden, in het belang van de ondernemer maar ook in het belang van zijn schuldeisers.

Daaruit vloeit voort dat de bescherming van de schuldenaar in het kader van de inwerkingstelling van een procedure van collectieve schuldenregeling niet gelijkwaardig kan worden geacht met het voordeel dat de landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent en die met moeilijkheden wordt geconfronteerd, van de toepassing van de in het geding zijnde wet zou kunnen verwachten.

B.9. Ten slotte, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, vloeit de in B.7 vastgestelde discriminatie wel degelijk voort uit het toepassingsgebied van de in het geding zijnde wet zoals het in artikel 3 ervan wordt gedefinieerd, en niet uit de definitie van daden van koophandel die uit de bepalingen van titel I van het Wetboek van koophandel wordt afgeleid.

B.10. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.

Artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het inhoudt dat een landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, niet het voordeel van de bij die wet in werking gestelde maatregelen en procedures geniet.

B.11. Aangezien de in B.10 vastgestelde leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, vermits die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen, die toelaten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het inhoudt dat een landbouwer die zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefent, niet het voordeel van de bij die wet in werking gestelde maatregelen en procedures geniet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 3 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Charleroi. Economisch recht

  • Continuïteit van de ondernemingen

  • Voordeel van de in de wet van 31 januari 2009 bedoelde maatregelen

  • 1. Landbouwers die hun beroepsactiviteit uitoefenen in het kader van een landbouwvennootschap of een burgerlijke vennootschap met handelsvorm

  • 2. Kooplieden die hun beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefenen

  • 3. Landbouwers die hun beroepsactiviteit als natuurlijke persoon uitoefenen.